Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:8593

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
C/15/230840/JU RK 15-1506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

In artikel 1:265i van het Burgerlijke Wetboek (BW) is bepaald dat indien een minderjarige ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd, de GI de toestemming van de kinderrechter nodig heeft voor wijziging in het verblijf van de minderjarige. De kinderrechter beantwoordt de vraag of in dit verband aan gezinshuisouders dezelfde rechten toekomen als aan pleegouders, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis, ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

zaakgegevens : C/15/230840 / JU RK 15-1506

datum uitspraak: 8 september 2015

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

De William Schrikker Groep, Jeugdbescherming, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (hierna: de GI),

gevestigd te Amsterdam.

betreffende

[naam kind], geboren op [geboortedatum] te Hoorn, hierna te noemen [het kind].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te Opperdoes,

[naam vader], hierna te noemen de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 augustus 2015, ingekomen bij de griffie op 10 augustus 2015;

- het schrijven van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem (hierna: de Raad), gedateerd 4 september 2015.

Op 8 september 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: de moeder samen met haar begeleidster mw. [persoon 1] van Stichting Judanza, en mw. [persoon 2] namens de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [het kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[het kind] verblijft momenteel in een gezinshuis.

Bij beschikking van 12 november 2003 is [het kind] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling is verlengd en thans voortduurt tot 12 november 2015.

Bij beschikking van 22 september 2005 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een AWBZ-voorziening afgegeven, welke is verlengd en thans voortduurt, tot 12 november 2015.

Het verzoek

De GI heeft de uithuisplaatsing van [het kind] in een gezinshuis verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 november 2015.

Uit de door de GI overgelegde stukken komt onder meer naar voren dat [het kind] op 10 augustus 2015 is overgeplaatst naar een ander gezinshuis. In het afgelopen jaar zijn er verschillende onderzoeken bij [het kind] afgenomen, waaruit bleek dat de aanpak van het voormalig gezinshuis niet (meer) aansloot bij de ontwikkeling en behoefte van [het kind]. Hierover zijn gesprekken gevoerd en de gezinshuisouders hebben duidelijk gemaakt dat zij hun aanpak en visie niet willen wijzigen, waardoor de kans groot is dat de ontwikkeling van [het kind] zal stagneren. De voormalig gezinshuisouders toonden zo min mogelijk emotie naar [het kind], omdat zij geloven in die visie ten opzichte van kinderen met een hechtingstoornis. Uit de onderzoeken van Triversum en de Bascule blijkt echter dat [het kind] in zijn ontwikkeling zou kunnen groeien wanneer hij hierin het goede voorbeeld krijgt en hechtingsgedrag kan laten zien in het opvoedgezin. In het afgelopen jaar is de moeder door de jeugdzorgwerker meer betrokken bij de hulpverlening rondom [het kind].

Ter zitting heeft de jeugdzorgwerker hieraan toegevoegd dat de voormalige gezinshuisouders van [het kind], die in eerste instantie hadden ingestemd met de overplaatsing van [het kind], nu niet meer achter zijn plaatsing in een nieuw gezinshuis zouden staan. Wel is duidelijk dat zij voortzetting van het verblijf van [het kind] in hun eigen gezin niet meer haalbaar achten.

Uit het schrijven van de Raad van 4 september 2015 blijkt dat zij het niet nodig achten om het verzoek van de GI op grond van artikel 1:265j van het Burgerlijk Wetboek (BW) te toetsen, aangezien reeds een onderzoek is gestart naar een gezagsbeëindigende maatregel.

Het standpunt van belanghebbende

Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij het eens is met het verzochte. De moeder ziet dat het beter gaat met [het kind] in het nieuwe gezinshuis, omdat hij hier meer op zijn plek zit en hij daar goed gedijt.

De beoordeling

In artikel 1:265i van het Burgerlijke Wetboek (BW) is bepaald dat indien een minderjarige ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd, de GI de toestemming van de kinderrechter nodig heeft voor wijziging in het verblijf van de minderjarige. De vereiste toestemming van de kinderrechter houdt een versterking in van de positie van de pleegouders, met name bij een plaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling.

Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of de voormalige gezinshuisouders van [het kind], die kennelijk niet meer achter de overplaatsing van [het kind] staan, in de gelegenheid gesteld moeten worden om -op grond van voornoemd artikel- hun mening ten aanzien van het verzoek kenbaar te maken. De kinderrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:265i BW blijkt dat de wetgever heeft beoogd om enkel ‘pleegouders’ een versterkte rechtspositie te verschaffen. In het voorontwerp van de wet werd voorgesteld om ook aan zorgaanbieders een blokkaderecht te geven. Dit voorstel is echter niet overgenomen. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van plaatsing in een voorziening voor pleegzorg maar van plaatsing in een andere uithuisplaatsingscategorie zoals genoemd in het informatieprotocol Beleidsinformatie Jeugd, is toepassing van artikel 1:265i BW niet aan de orde. Het horen van de gezinshuisouders is derhalve geen vereiste op grond van de wet.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [het kind] is gediagnosticeerd met een reactieve hechtingsstoornis en dat hij eveneens kampt met forse hechtingsproblematiek. Vast staat dat [het kind] een aantal keer van pleeggezin is gewisseld, omdat zijn gedragsproblemen dermate ernstig waren dat de pleegouders hem niet konden hanteren in hun gezin. Sinds januari 2007 verbleef [het kind] in het AWBZ-gezinshuis van Esdege Reigersdaal. Hoewel deze plaatsing niet bedoeld was als een perspectief biedende plaatsing, heeft [het kind] zich hier tot 2013 naar vermogen ontwikkeld. De gedragsproblemen van [het kind] zijn in de afgelopen jaren echter verergerd, met als gevolg dat er een achterstand is ontstaan in zijn sociaal emotionele ontwikkeling. Uit een onderzoek van Triversum is gebleken dat [het kind] moeite heeft met het tonen van affectie en bij het voormalige gezinshuis werd hier slechts beperkt in voorzien. De mogelijkheid van [het kind] om zich bij de gezinshuisouders te kunnen hechten is hierdoor beperkt. Mede gelet op de onderzoekresultaten van Triversum en de Bascule, is de kinderrechter van oordeel dat [het kind] gebaat is bij overplaatsing naar een ander gezinshuis, zodat gewerkt kan worden aan de opgestelde doelen om de ontwikkeling van [het kind] verder te stimuleren.

Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [het kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een gezinshuis, tot uiterlijk 12 november 2015;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Mateman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. S. Nourozi Oranje als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam.