Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:8515

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
15/800550-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld, psychisch kwetsbaar slachtoffer. Handelen in strijd met gedragsaanwijzing ex art. 509hh Sv. Oplegging van zes maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk; bijzondere voorwaarden: contactverbod en locatieverbod conform aan vonnis gehechte plattegrond. Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden bevolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800550-14 + 15/850027-15 (t.t.z. gev.) + 15/800374-15 (t.t.z. gev.) (P)

Uitspraakdatum: 24 september 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

niet op enig adres ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De zaak met oorspronkelijk parketnummer 15/800550-14 wordt hierna zaak A genoemd.

De zaak met oorspronkelijk parketnummer 15/850027-15 wordt hierna zaak B genoemd.

De zaak met oorspronkelijk parketnummer 15/800374-15 wordt hierna zaak C genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.C.M. Wildemors en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.H. Zonneveld, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in zaak A

hij op of omstreeks 23 oktober 2014 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [aangeefster] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, (krachtig),

- ( met gebalde vuist) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam, van die [aangeefster] te slaan/stompen, en/of (vervolgens)

- ( met geschoeide voet) op/tegen/in de benen, althans het lichaam, van die [aangeefster] te schoppen/trappen;

In zaak B

Primair

hij op of omstreeks 08 juli 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [aangeefster] heeft mishandeld door (met kracht) haar hals/nek vast te grijpen en/of (met kracht) in haar hals/nek/keel te knijpen;

subsidiair

hij op of omstreeks 08 juli 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

* (met kracht) met zijn, verdachtes, hand haar mond dicht gehouden en/of

* (met kracht) haar hals/nek vastgegrepen en/of

* (met kracht) in haar hals/nek/keel geknepen en/of

* (vervolgens) (met kracht) een (verwurgende) beenklem om haar hals/nek gelegd;

in zaak C

hij op of omstreeks 1 september 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 8 juli 2015 (en uitgereikt aan verdachte op 10 juli 2015) gegeven door de officier van justitie van het arrondissement Noord-Holland,

immers heeft verdachte opzettelijk

- zich begeven in de wijk [wijk] en/of

- bij de woning van [aangeefster] aangebeld en/of

- ( vervolgens) met [aangeefster] gesproken en/of de woning (aan de [adres] ) betreden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de zaken A, B en C laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het standpunt ingenomen dat verdachte van de hem in zaak A ten laste gelegde mishandeling van [aangeefster] moet worden vrijgesproken. Verdachte ontkent [aangeefster] mishandeld te hebben. Het is onduidelijk wanneer en hoe aangeefster het beschreven letsel heeft opgelopen, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft er verder op gewezen dat het op dat moment geestelijk niet goed ging met aangeefster, omdat zij al geruime tijd haar medicijnen tegen haar psychische klachten niet innam.

Ook in zaak B heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. De aangifte van [aangeefster] wordt niet ondersteund door een letselinterpretatie. De enkele constatering dat [aangeefster] een blauwe plek had, is onvoldoende voor een bewezen verklaring.

De raadsvrouw heeft geen verweren gevoerd met betrekking tot het bewijs in zaak C.

3.3.

Vrijspraak

Zaak B

In deze zaak wordt verdachte primair verweten dat hij [aangeefster] heeft mishandeld door, al dan niet met kracht, haar hals/nek vast te grijpen en/of in haar hals/nek/keel te knijpen. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als een bedreiging, waarbij de bedreiging zou hebben bestaan uit het, telkens al dan niet met kracht, dichthouden van de mond van [aangeefster] , het vastgrijpen van haar hals/nek, het knijpen in haar hals/nek/keel en/of het leggen van een beenklem om haar hals/nek.

Op 8 juli 2015 heeft [aangeefster] aangifte gedaan van een mishandeling door verdachte, die die ochtend zou hebben plaatsgevonden (p. 3). Bij de aangifte zijn foto’s gevoegd van het hoofd en de arm van aangeefster (p. 6 en 7). Op de arm is een kras te zien en in het gelaat is enig oppervlakkig letsel op de kaak zichtbaar. De politie heeft kort voor het opnemen van de aangifte bij [aangeefster] een blauwe plek op de kin gezien (p. 16). De tenlastelegging ziet echter op geweldshandelingen die betrekking hebben op het gebied van de nek, keel en hals. De waargenomen letsels zijn met andere woorden niet relevant in het licht van hetgeen verdachte wordt verweten. Dat geldt ook voor de door de politie op 10 juli 2015 bij aangeefster waargenomen blauwe plek op het bovenbeen (p. 24).

Ook overigens bevat het dossier geen bewijsmiddelen die steun bieden aan de aangifte. Ten overvloede tekent de rechtbank daarbij nog aan dat de in het subsidiaire genoemde beenklem om de nek van aangeefster blijkens haar aangifte op 6 juli 2015 zou hebben plaatsgevonden, terwijl de tenlastelegging alleen op 8 juli 2015 ziet.

De rechtbank acht kortom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte hiervan vrij.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

Zaak A

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het in zaak A ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 23 oktober 2014 rond 22.30 uur kregen verbalisanten de opdracht te gaan naar het adres [adres] . De zoon des huizes had namelijk gemeld dat hij zich ernstig zorgen maakte om zijn moeder, omdat hij sinds 17.00 uur die dag geen contact meer met haar kon krijgen en er bij de woning niet werd gereageerd op aankloppen en aanbellen. De politie heeft de deur van de woning laten openen door een slotenmaker en trof in de slaapkamer een man en een vrouw aan in bed. De man bleef liggen en reageerde nergens op. De vrouw, [aangeefster] , vertelde dat zij heel bang was voor de man en dat hij haar in de woning in haar gezicht had geslagen. De verbalisanten zagen op dat moment op het voorhoofd van [aangeefster] een kras zitten waar nog een beetje bloed op zat, dus kennelijk was de wond niet oud. Ook zagen de verbalisanten op de rechterslaap van de vrouw een blauwe plek. [aangeefster] vertelde verder dat de man erg dronken was. De man, verdachte [verdachte] , is door de politie aangehouden.2

De verbalisanten hebben ter plekke foto’s gemaakt van het letsel van aangeefster. Op deze foto’s is te zien dat het voorhoofd van aangeefster een kras vertoont en dat de zijkant van het gelaat rood en enigszins gezwollen is.3

De volgende dag heeft [aangeefster] aangifte gedaan van mishandeling. Uit haar verklaring komt naar voren dat verdachte, haar ex-partner, op 22 oktober 2014 in haar woning was gekomen en dat hij haar vanaf dat moment totdat de politie binnenkwam, heeft mishandeld. Hij heeft haar meerdere malen tegen haar hoofd geslagen. Door één van deze vuistslagen heeft zij ongeveer twee minuten het bewustzijn verloren. Ook heeft verdachte [aangeefster] diverse malen tegen haar benen en lichaam geschopt. Hierdoor had zij op het moment van de aangifte nog steeds pijn over haar hele lichaam.4

De zoon van aangeefster, [getuige] , had zijn moeder op de avond van 23 oktober 2014 rond 21.00 uur aan de telefoon. Hij vond dat zijn moeder een beetje angstig klonk en hij hoorde verdachte schreeuwen op de achtergrond. [getuige] had de indruk dat verdachte dronken was. Rond 22.00 uur was hij bij de woning van zijn moeder. Omdat er niet werd gereageerd op bellen en aanbellen, is de politie gewaarschuwd, die met assistentie van een slotenmaker naar binnen is gegaan. Toen zijn moeder uiteindelijk naar buiten kwam, zag [getuige] dat zij een schram/kras op haar hoofd had en een verkleuring in haar gezicht. Hij hoorde zijn moeder zeggen dat verdachte heel veel gedronken had.5

De onderbuurman van aangeefster heeft op de avond van 23 oktober 2014 gehoord dat er ruzie was in de woning van aangeefster.6

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 23 oktober 2014 [aangeefster] heeft mishandeld op de wijze als hierna onder het hoofd ‘bewezenverklaring’ nader aangegeven.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft gesteld dat onduidelijk is wanneer en hoe aangeefster het beschreven letsel heeft opgelopen. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 3 blijkt dat de het door de verbalisanten op de avond van 23 oktober 2014 bij aangeefster geconstateerde en gefotografeerde letsel op dat moment vers was en bovendien past bij de door aangeefster beschreven geweldshandelingen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het letsel door iets anders zou zijn veroorzaakt dan door de mishandeling door verdachte.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is vanwege haar psychische toestand, overweegt de rechtbank dat zij geen reden ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. De verklaring van de aangeefster wordt immers – wat er ook zij van haar geestelijke gesteldheid – ondersteund door de bevindingen van de politie ter plaatse, de foto’s van het letsel, de verklaring van [getuige] en de verklaring van de onderbuurman, een en ander zoals hiervoor weergegeven.

Zaak C

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het in zaak C ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm door de verbalisanten [verbalisanten] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015212805-2, gedateerd 1 september 2015 (dossierpagina's 3 en 4);

  • -

    het in de wettelijke vorm door de verbalisanten [verbalisanten] opgemaakte proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2015212805-6, gedateerd 1 september 2015, inhoudende de verklaring van verdachte (dossierpagina's 8 en 9);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast ex artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering met de daarbij behorende akte van uitreiking, gedateerd 10 juli 2015 (dossierpagina’s 15 – 19).

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak C ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Zaak A

hij op 23 oktober 2014 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [aangeefster] heeft mishandeld door meermalen krachtig

- in het gezicht van die [aangeefster] te slaan/stompen en

- met geschoeide voet tegen de benen van die [aangeefster] te schoppen;

in zaak C

hij op 1 september 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing, uitgereikt aan verdachte op 10 juli 2015, gegeven door de officier van justitie van het arrondissement Noord-Holland,

immers heeft verdachte opzettelijk

- zich begeven in de wijk [wijk] en

- bij de woning van [aangeefster] aangebeld en

- vervolgens met [aangeefster] gesproken en de woning aan de [adres] betreden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn/haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A

mishandeling

ten aanzien van zaak C:

Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, uitgaande van bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden een contactverbod met [aangeefster] en een locatieverbod voor [adres] .

6.2.

Standpunt van verdachte/de verdediging

De raadsvrouw heeft, ervan uitgaande dat alleen in zaak C een veroordeling volgt, gepleit voor een straf gelijk aan het voorarrest.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft de vrouw met wie hij een jarenlange knipperlichtrelatie had, in haar woning mishandeld door haar tegen het hoofd te slaan en tegen de benen te schoppen. Verdachte heeft hierdoor ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en dat nog wel in haar eigen huis, een plek waar zij zich veilig zou moeten voelen.

Het slachtoffer is een door haar psychische problematiek kwetsbare vrouw, die onmachtig is op eigen kracht afstand te nemen van verdachte. Verdachte is zich van deze kwetsbaarheid en onmacht bewust, maar heeft daar niet naar gehandeld. Zelfs een door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzing heeft verdachte er niet van kunnen weerhouden om in strijd met deze aanwijzing naar de woning van het slachtoffer te gaan en daar contact met haar te hebben. Verdachte heeft hiermee laten zien weinig respect te hebben voor beslissingen van de justitiële autoriteiten.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 2 september 2015, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Met name weegt ten nadele van verdachte mee de veroordeling door het Gerechtshof tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden wegens verkrachting, mishandeling en vernieling, bij welke feiten hetzelfde slachtoffer betrokken was als in de onderhavige zaak.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan rapportage door de reclassering.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, als ernstige waarschuwing aan verdachte om zich voor het einde van die proeftijd niet opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarbij acht de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer [aangeefster] en een straatverbod voor de directe woonomgeving van [aangeefster] noodzakelijk, om te voorkomen dat het opnieuw komt tot het plegen van strafbare feiten door verdachte jegens [aangeefster] . Dergelijke verboden zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Uit het dossier komt een patroon naar voren waarin verdachte en slachtoffer elkaar gevangen houden in een relatie van aantrekken en afstoten. Het is daarbij meermalen - in het verleden en in de onderhavige strafzaak – gekomen tot geweldpleging van verdachte jegens het slachtoffer. Het slachtoffer is onmachtig om verdachte op afstand te houden en verdachte heeft verklaard dat hij er moeite mee heeft om, wanneer het slachtoffer een beroep op hem doet, daar géén gehoor aan te geven. Verdachte heeft zich er zelfs door een gedragsaanwijzing van de officier van justitie niet van laten weerhouden om contact te hebben met het slachtoffer. Voort heeft verdachte te kennen gegeven niet open te staan voor hulpverlening.

Onder deze omstandigheden moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1

zaak A

De benadeelde partij [aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 300,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in zaak A ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Tevens vordert de benadeelde partij vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand (eigen bijdrage) ter hoogte van € 143,00.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het feit waarop de vordering van de benadeelde partij ziet. In het verlengde daarvan heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering. De verdediging heeft de vordering niet op inhoudelijke gronden betwist.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit het in zaak A bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de gevorderde immateriële schade van € 300,00 komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts zal de rechtbank de gevorderde kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 143,00 toewijzen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes in zaak A bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De maatregel wordt niet opgelegd ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand, nu deze post niet gerekend wordt tot rechtstreekse schade in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering.

7.2

zaak B

De benadeelde partij [aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 250,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in zaak B ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Tevens vordert de benadeelde partij vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand (eigen bijdrage) ter hoogte van € 148,00.

Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak B is tenlastegelegd, kan de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat tenlastegelegde feit, worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 184a en 300 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak C ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

-zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

-ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

Contactverbod

gedurende de proeftijd van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] .

Locatieverbod

zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op [adres] of in de directe omgeving daarvan, waaronder wordt verstaan de wijken [wijken] zoals gearceerd aangegeven op de aan dit vonnis gehechte plattegrond.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst in zaak A toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangeefster] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 443,00 (vierhonderddrieënveertig euro) en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangeefster] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Verklaart in zaak B de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A.M. van Dijk, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. M.L. Leenaers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2014209287-2, gedateerd 24 oktober 2014, dossierpagina's 3/4.

3 De eigen waarneming van de rechtbank met betrekking tot de foto’s op dossierpagina 5.

4 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2014209287-1, gedateerd 24 oktober 2014, inhoudende de verklaring van [aangeefster] , dossierpagina 14.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2014209287-15, gedateerd 24 oktober 2014, inhoudende de verklaring van [getuige] , dossierpagina's 17/18.

6 Het proces-verbaal van buurtonderzoek met nummer PL1100-2014209287-11, gedateerd 24 oktober 2014, dossierpagina 12.