Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:8245

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3913
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft bijstand gevraagd als dakloze. Hem wordt bijstand verleend onder de voorwaarde dat hij zich inschrijft op het adres waar hij het meest verblijft. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat verzoeker op een adres zijn hoofdverblijf heeft. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 15/3913 en 15/4191

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2015 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Faber),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: T.A. van den Hoff).

Procesverloop

Bij ongedateerd besluit (het primaire besluit 1) heeft verweerder verzoeker met ingang van 3 juli 2015 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) toegekend naar de kostendelersnorm. Met dit besluit is verzoeker de verplichting opgelegd zich vóór 17 augustus 2015 in te schrijven op het adres waar hij het meeste verblijft.

Bij besluit van 28 augustus 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aan verzoeker toegekende uitkering met ingang van 3 juli 2015 ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker heeft op 3 juli 2015 (opnieuw) bijstand aangevraagd. Hij heeft bij deze aanvraag vermeld dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Verzoeker ontvangt van verweerder het formulier “geen vaste verblijfplaats” waarop hij dient aan te geven waar hij elke nacht verblijft. Uit de opgave van verzoeker blijkt dat hij van 3 juli 2015 tot en met 10 juli 2015 heeft geslapen op het adres [adres 1] (de woning van zijn ex-vriendin). Op 5 augustus 2015 heeft er volgens de rapportage van 11 augustus 2015 een gesprek plaatsgevonden met verzoeker waarin hij verklaard heeft dat hij wekelijks 3 dagen op dat adres verblijft. Verzoeker heeft verder verklaard dat hij de overige nachten verblijft bij kennissen op het adres [adres 2] en in de open lucht op het landgoed [naam landgoed] .

3. Verzoeker voert aan dat hem ten onrechte de verplichting is opgelegd zich in te schrijven op het adres [adres 1] . Verzoeker stelt dat hij geen vaste verblijfplaats heeft. Hij logeert zo nu en dan wel op dit adres, maar ook op andere adressen en plaatsen. Verzoeker verwijst naar het overzicht dat hij bij zijn bezwaarschrift heeft gevoegd. Ter zitting heeft verzoeker nog toegelicht dat hij begin juli een week lang in de woning van zijn ex-vriendin kon verblijven omdat zij een week niet aanwezig was.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat vastgesteld is dat verzoeker voor het merendeel verblijft op de [adres 1] en dat hem terecht de verplichting is opgelegd zich daar in te schrijven.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het onderzoek dat door verweerder is uitgevoerd heeft zich – zo is ter zitting duidelijk geworden – beperkt tot het controleren van de verblijfplaats van verzoeker op basis van de door hem verstrekte gegevens. Medewerkers van verweerder belden dan op het opgegeven adres aan en zodra zij verzoeker hadden gezien, vertrokken zij weer. Een huisbezoek is niet afgelegd. Verder heeft met verzoeker een gesprek plaatsgevonden over onder meer zijn verblijfplaatsen.

Op grond van dit onderzoek kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geconcludeerd dat verzoeker een vaste verblijfplaats heeft, die als zijn hoofdverblijf moet worden aangemerkt. Het gemiddeld 3 keer per week overnachten op één adres leidt in elk geval niet zonder meer tot die conclusie, hetgeen verweerder ter zitting ook heeft beaamd. Uit de gegevens die verzoeker heeft overgelegd met betrekking tot zijn verblijfplaatsen komt naar voren dat verzoeker meerdere adressen en plekken gebruikt om de nacht door te brengen. Dat wijst niet op het kunnen beschikken over een vaste verblijfplaats.

Het onderzoek zoals dat door verweerder is verricht kan derhalve in het licht van de verklaring van verzoeker op 5 augustus 2015, zoals weergegeven in de rapportage van 11 augustus 2015, en de door hem in bezwaar en ter zitting overgelegde overzichten naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet leiden tot de conclusie dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft op [adres 1] , noch op enig ander adres. Daarmee ontbeert de conclusie dat verzoeker niet dakloos zou zijn dan ook vooralsnog voldoende feitelijke grondslag. Aan de verplichting zich in te schrijven op een adres kleeft dan ook vooralsnog eenzelfde gebrek. De intrekking van bijstand met ingang van 3 juli 2015 om reden dat niet is voldaan aan die verplichting is daarmee eveneens vooralsnog onvoldoende gemotiveerd.

6. Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben en de besluiten naar verwachting in de procedure geen stand zullen houden. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding een voorlopige voorziening te treffen bestaande uit schorsing van de primaire besluiten 1 en 2 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding te bepalen dat verweerder met ingang van 2 september 2015 aan verzoeker voorschotten zal verstrekken ter hoogte van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (samenhangende zaken: 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit 1 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    schorst het primaire besluit 2 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op om met ingang van 2 september 2015 aan verzoeker voorschotten te verstrekken ter hoogte van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.