Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:820

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2015
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2656
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de herroeping van de verleende omgevingsvergunning niet rust op een draagkrachtige motivering, wordt het volgende overwogen. In primo heeft verweerder zich aangesloten bij het advies van de afdeling Ruimtelijk Beleid om de omgevingsvergunning te verlenen omdat het bouwplan stedenbouwkundig gezien beter past bij de bestaande bouw dan een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In bezwaar heeft verweerder op advies van twee van de drie leden van de commissie alsnog de bouwvergunning geweigerd omdat niet alleen een ingevolge het bestemmingsplan toegestane kap het dakenlandschap, de schaal en massa van het complex waarop de opbouw wordt gerealiseerd verstoort, maar dat dit ook geldt voor het voorliggende bouwplan. De afschuining aan drie zijden van de dakopbouw acht deze meerderheid een onaanvaardbare verstoring van het dakenlandschap en de architectuur van het onderliggende bouwcomplex. Deze stedenbouwkundige redenering van de meerderheid der leden van de commissie acht de rechtbank onnavolgbaar en kan niet als motivering dienen om alsnog in bezwaar de omgevingsvergunning voor het bouwplan te weigeren. Zoals hiervoor reeds vastgesteld, maakt het bestemmingsplan een dakopbouw mogelijk. De dakvlakken aan de noord-, west-, en oostzijde van het bouwplan zijn volledig in overeenstemming met dat plan. De rechte zuidgevel is met het bestemmingsplan in strijd omdat er geen sprake is van een dakvlak, omdat de maximale goothoogte wordt overschreden en vanwege een geringe overschrijding van de maximale contour. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat verweerder in bezwaar het stedenbouwkundige deel van het advies heeft overgenomen en het bouwplan alsnog heeft geweigerd omdat het zou leiden tot verstoring van het dakenlandschap en de schaal en massa van het bouwcomplex waarop de opbouw is beoogd. Het bouwplan is voor het overgrote deel in overeenstemming met het bestemmingsplan. De afwijzende, stedenbouwkundige motivering ten aanzien van de dakvlakken van 70 graden, heeft juist betrekking op die aspecten van het bouwplan die met het bestemmingsplan in overeenstemming zijn. Een nieuw bouwplan van eiseres waarin ook de zuidgevel een hellend vlak zal krijgen van 70 graden en dat volledig past in het bestemmingsplan zal de massa en schaal van het bouwplan niet wezenlijk wijzigen en niet in een relevante mate meer of anders ingrijpen in het dakenlandschap dan het huidige bouwplan. Verder is van belang dat het van het bestemmingsplan afwijkende deel van het bouwplan, zoals uit het vorengaande blijkt, juist in overeenstemming is met hetgeen verweerder stedenbouwkundig wenselijk acht. Tot slot blijkt uit het advies van de commissie dat de rechte zuidgevel geen vermindering van privacy, uitzicht, toetreding van zon- en daglicht tot gevolg heeft. De afname van de bezonning en toetreding van daglicht wordt voor het grootste deel veroorzaakt door hetgeen het bestemmingsplan toestaat. Verder zijn de Franse balkons in de zuidgevel niet in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, aldus de commissie in punt 6 en 7 van het door verweerder overgenomen advies. De rechtbank ziet geen dan wel onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in punt 6 en 7 van de advies van de commissie is overwogen. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat de belangen van de derde partijen niet zozeer worden geraakt door de strijdigheden van het bouwplan met het bestemmingsplan maar juist door die onderdelen van het voorliggende bouwplan die wel conform het bestemmingsplan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/2656

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. L.F.M. Meles, advocaat te Haarlem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.G. Kamphuis, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: de Vereniging tot instandhouding van het project Abel Tasmankade en anderen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder -zakelijk weergegeven- aan eiseres een omgevingsvergunning verleend onder meer voor het in strijd met het bestemmingsplan bouwen van een dakopbouw op het perceel [perceel] .

Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.

Bij op 22 mei 2014 verzonden besluit (het bestreden besluit) heeft verweerder -zakelijk weergegeven- het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit in heroverweging alsnog geweigerd. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het meerderheidsstandpunt van Kamer 2 van de commissie beroep- en bezwaarschriften (hierna: het advies).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. B. Parmentier, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Zij werd bijgestaan door H. Rots, stedenbouwkundige bij de gemeente Haarlem. Verder is verschenen ir. [naam 1] , voorzitter van de vereniging. Hij werd vergezeld door mevrouw [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Overwegingen

1. Eiseres woont aan de [perceel] . Haar woning maakt onderdeel uit van een voormalig schoolcomplex, gelegen aan de westzijde van de [straat] . Het complex is rond 2000 verbouwd tot zes woningen ( [straat] [# 1] en [# 2] tot en met [# 3] ).

Eiseres heeft een bouwaanvraag ingediend om op de eerste verdieping van haar woning een dakopbouw te plaatsen.

2. Eiseres heeft gemotiveerd betoogd dat de herroeping van de verleende omgevings-vergunning niet rust op een draagkrachtige motivering. Verder is de herroeping in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Haar belangen bij verkrijging van de omgevingsvergunning wegen zwaarder dan de belangen van de derde partijen bij het niet realiseren van de dakopbouw, aldus eiseres.

3. Ter plekke geldt het bestemmingsplan “Leidsebuurt” (hierna: het bestemmingsplan).

Artikel 1, en onder 31, van de planvoorschriften luidt: Dakhelling; De helling van een dakvlak, gemeten in graden ten opzichte van het horizontale vlak.

Artikel 1 en onder 34 van de planvoorschriften luidt: Dakvlak: Elke hellende en snijdende vlakken van een dak.

Artikel 1, en onder 49, van de planvoorschriften luidt: Kap: Een afdekking onder een hoek van meer dan 5˚ graden met het horizontale vlak.

Op de gronden alwaar de dakopbouw gepland staat, rust de bestemming ‘Gemengd-1’.

Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a en d, van de planvoorschriften zijn de voor ‘Gemengd-1’ aangewezen gronden bestemd voor onder meer wonen.

Ingevolge artikel 5.2 aanhef en onder d, e, f en g, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming ‘Gemengd-1’ gebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht onder de volgende voorwaarden:

d. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

e. gebouwen mogen tot de goothoogte plat worden afgedekt;

f. boven de goothoogte is een kap toegestaan met een maximale hoogte van 3 m, verticaal gemeten vanaf de goothoogte;

g. een kap dient rondom voorzien te zijn van dakvlakken met een helling die

niet meer bedraagt dan 70 graden.

Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om voor gebouwen ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 2 onder d voor een verhoging van de goothoogte onder de volgende voorwaarden:

a. de ontheffing kan worden verleend voor gootverhogingen ten behoeve

van dakopbouwen tot maximaal 3 m boven de goothoogte zoals

aangegeven op de verbeelding;

b. dakopbouwen dienen aan de voor- en achterzijde voorzien te zijn van een

dakhelling van maximaal 70 graden.

c. in afwijking van het bepaalde onder b mag de dakopbouw recht worden

opgetrokken tot maximaal 3 meter boven de goothoogte indien de

dakopbouw aan de voorzijde wordt voorzien van een dakhelling van

maximaal 70 graden en aan de achterzijde binnen de ruimtelijke contour blijft

van 70 graden.

4. Hangende de procedure van de totstandkoming van het bestemmingsplan - zo heeft de rechtbank begrepen - is het plangebied uitgebreid met onder andere het perceel van eiseres. Dit perceel heeft de bestemming ‘Gemengd-1’ gekregen. Hierdoor zijn op het perceel de bebouwingsvoorschriften van artikel 5.2 van de planvoorschriften alsmede de ontheffingsmogelijkheden’ van artikel 5.3 van de planvoorschriften van toepassing. Ingevolge deze voorschriften mag eiseres een dakopbouw realiseren, mits de maximale hoogte van 3 m boven de goothoogte in acht wordt genomen en de dakvlakken een helling hebben van niet meer dan 70 graden en niet minder dan 6 graden. Gelet op de rechthoekige vormen van het oorspronkelijke schoolgebouw acht verweerder vanuit een stedenbouwkundig oogpunt evenwel een opbouw met rechte muren en een plat dak passend en niet een dakopbouw met hellende dakvlakken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder dit bevestigd. De gewenste variant is evenwel niet op grond van het bestemmingsplan toegestaan, nu daarin als uitgangspunt is neergelegd dat boven de goothoogte uitsluitend een kap is toegestaan. Een eerder door eiseres ingediende bouwaanvraag voor een opbouw met rechte muren (die dus voldeed aan de door verweerder voorgestane stedenbouwkundige contouren) is door eiseres op advies van de gemeente hangende het bezwaar van de derde partijen tegen de verleende omgevingsvergunning ingetrokken. Na overleg met een stedenbouwkundige van de gemeente heeft zij het voorliggende bouwplan ingediend.

5. Verweerder dient - niettegenstaande zijn eigen stedenbouwkundige voorkeur - de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de dakopbouw te houden tegen het licht van het vigerende bestemmingsplan. De rechtbank stelt op grond van de bouwtekeningen vast dat aan drie zijden van de dakopbouw een dakvlak ingetekend staat in een hoek van 70 graden. Doordat de zuidgevel van de opbouw loodrecht (90 graden) staat en dus geen dakvlak is in de zin van artikel 1 en onder 34 van de planvoorschriften, is er sprake van strijd met het bestemmingsplan (artikel 5.2 aanhef en onder f, van de planvoorschriften). Verder worden de schuine dakvlakken en de rechte muur aan de zuidzijde verbonden door middel van een plat dak, waardoor de goothoogte hoger komt te liggen dan gelet op de verbeelding (5 m) is toegestaan (artikel 5.2 aanhef en onder d, van de planvoorschriften). Verder staat de rechte zuidgevel iets buiten de in het bestemmingsplan opgenomen stedenbouwkundige contour.

6. Namens de derde partij is betoogd dat geen dubbele hoek van het dakvlak zou zijn toegestaan ingevolge het bestemmingsplan. De rechtbank leidt uit de bouwtekeningen af dat geen sprake is van een samengestelde kap zoals beschreven op pagina 5 van het verweerschrift. Overigens stelt de rechtbank op grond van artikel 5.2 aanhef en onder f, en artikel 5.3 van de planvoorschriften vast dat in het bestemmingsplan geen beperking is gesteld aan het aantal dakvlakken waaruit een opbouw mag bestaan en uit de aard der zaak dus ook niet aan het aantal verschillende hellingen van de onderscheidene dakvlakken.

7. Het bouwplan voldoet derhalve aan nagenoeg alle eisen voor het verlenen van een ontheffing, zoals beschreven in artikel 5.3 van de planvoorschriften. De geringe overschrijding van de stedenbouwkundige contour is - zo heeft de rechtbank verweerder begrepen - evenwel geen reden geweest om de omgevingsvergunning te weigeren. Aan de weigering in bezwaar liggen uitsluitend de hiervoor beschreven stedenbouwkundige bezwaren ten grondslag.

8. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de herroeping van de verleende omgevings-vergunning niet rust op een draagkrachtige motivering, wordt het volgende overwogen. In primo heeft verweerder zich aangesloten bij het advies van de afdeling Ruimtelijk Beleid om de omgevingsvergunning te verlenen omdat het bouwplan stedenbouwkundig gezien beter past bij de bestaande bouw dan een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In bezwaar heeft verweerder op advies van twee van de drie leden van de commissie alsnog de bouwvergunning geweigerd omdat niet alleen een ingevolge het bestemmingsplan toegestane kap het dakenlandschap, de schaal en massa van het complex waarop de opbouw wordt gerealiseerd verstoort, maar dat dit ook geldt voor het voorliggende bouwplan. De afschuining aan drie zijden van de dakopbouw acht deze meerderheid een onaanvaardbare verstoring van het dakenlandschap en de architectuur van het onderliggende bouwcomplex.

9. Deze stedenbouwkundige redenering van de meerderheid der leden van de commissie acht de rechtbank onnavolgbaar en kan niet als motivering dienen om alsnog in bezwaar de omgevingsvergunning voor het bouwplan te weigeren. Zoals hiervoor reeds vastgesteld, maakt het bestemmingsplan een dakopbouw mogelijk. De dakvlakken aan de noord-, west-, en oostzijde van het bouwplan zijn volledig in overeenstemming met dat plan. De rechte zuidgevel is met het bestemmingsplan in strijd omdat er geen sprake is van een dakvlak, omdat de maximale goothoogte wordt overschreden en vanwege een geringe overschrijding van de maximale contour. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat verweerder in bezwaar het stedenbouwkundige deel van het advies heeft overgenomen en het bouwplan alsnog heeft geweigerd omdat het zou leiden tot verstoring van het dakenlandschap en de schaal en massa van het bouwcomplex waarop de opbouw is beoogd. Het bouwplan is voor het overgrote deel in overeenstemming met het bestemmingsplan. De afwijzende, stedenbouwkundige motivering ten aanzien van de dakvlakken van 70 graden, heeft juist betrekking op die aspecten van het bouwplan die met het bestemmingsplan in overeenstemming zijn. Een nieuw bouwplan van eiseres waarin ook de zuidgevel een hellend vlak zal krijgen van 70 graden en dat volledig past in het bestemmingsplan zal de massa en schaal van het bouwplan niet wezenlijk wijzigen en niet in een relevante mate meer of anders ingrijpen in het dakenlandschap dan het huidige bouwplan. Verder is van belang dat het van het bestemmingsplan afwijkende deel van het bouwplan, zoals uit het vorengaande blijkt, juist in overeenstemming is met hetgeen verweerder stedenbouwkundig wenselijk acht. Tot slot blijkt uit het advies van de commissie dat de rechte zuidgevel geen vermindering van privacy, uitzicht, toetreding van zon- en daglicht tot gevolg heeft. De afname van de bezonning en toetreding van daglicht wordt voor het grootste deel veroorzaakt door hetgeen het bestemmingsplan toestaat. Verder zijn de Franse balkons in de zuidgevel niet in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, aldus de commissie in punt 6 en 7 van het door verweerder overgenomen advies. De rechtbank ziet geen dan wel onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in punt 6 en 7 van de advies van de commissie is overwogen. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat de belangen van de derde partijen niet zozeer worden geraakt door de strijdigheden van het bouwplan met het bestemmingsplan maar juist door die onderdelen van het voorliggende bouwplan die wel conform het bestemmingsplan zijn.

10. De stelling van eiseres dat de herroeping van de verleende omgevingsvergunning niet rust op een draagkrachtige motivering, treft dan ook doel. De overige grieven behoeven geen bespreking meer. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voorts zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien ex artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het bezwaar van de derde partijen alsnog ongegrond te verklaren.

11. Tot slot bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiseres heeft gevraagd om een proceskostenvergoeding van hangende beroep en bezwaar gemaakt kosten. Ter zitting heeft zij een Formulier Proceskosten overgelegd met bijlagen. Namens verweerder is daar desgevraagd op gereageerd. Slechts de in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht opgesomde kostenposten komen voor vergoeding in aanmerking waarbij het moet gaan om kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep of het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken (zie artikel 8:75, eerste lid, van de Awb). Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt. Verder is niet gebleken dat zij in bezwaar zich heeft laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandverlener, zodat het verzoek om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten hangende bezwaar wordt afgewezen. Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand hangende beroep kent de rechtbank 2 punten toe (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt heeft een waarde van € 487,--). Het verzoek om reiskosten wordt afgewezen nu het hier niet gaat om kosten die na vertrek van huis zijn gemaakt om de zitting bij te kunnen wonen. Voorts zal de rechtbank verweerder gelasten de door ir. H.B. Schut in rekening gebrachte advieskosten van € 423,50 welke hangende beroep zijn gemaakt aan eiseres te vergoeden nu het hier gaat om kosten van een deskundige welke ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen voor vergoeding. De overige kosten (kosten voor telefoneren, verzenden, kopiëren, het opslaan van spullen, het maken van bouwtekeningen en in rekening gebrachte bereidstellingsprovisie) komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart de bezwaren gericht tegen het besluit van 9 januari 2014 ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.397,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.