Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:8197

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
28-09-2015
Zaaknummer
4377500 OA VERZ 15-150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wwz. Ernstige verwijtbaarheid werknemer: toepassing art. 7:669 lid 3 onderdeel e en 671b lid 8 onderdeel b. Uitleg verzoek werkgever omtrent transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1785
RAR 2016/9
AR-Updates.nl 2015-0941
XpertHR.nl 2015-414422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4377500 OA VERZ 15-150

Uitspraakdatum: 28 september 2015

Beschikking in de zaak van:

De besloten vennootschap Hart & Co B.V.,

gevestigd te Oudkarspel

verzoekende partij

verder te noemen: de werkgever

gemachtigde: mr. E.A.Th. den Haan-van Wijk

tegen

[naam] ,

wonende te [plaats]

verwerende partij

verder te noemen: de werknemer

in persoon procederend

1 Het procesverloop

1.1.

De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op zo kort mogelijke termijn. De werknemer heeft geen verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 21 september 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de werkgever bij brief van 14 september 2015 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

De werknemer, geboren [datum] , is op 11 augustus 2008 in dienst getreden bij de werkgever. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van productiemedewerker, met een salaris van € 1.683,- bruto per 4 weken. Het contract betrof 40 uur per week.

3 Het verzoek

3.1.

De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. De werkgever verzoekt dit primair toe te wijzen zonder toekenning van een transitievergoeding, subsidiair onder toekenning van een gematigde transitievergoeding en meer subsidiair onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding. Alles met veroordeling van de werknemer in de kosten van de procedure bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – (ernstig) verwijtbaar handelen van de werknemer, zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft de werkgever het volgende naar voren gebracht. De motivatie van de werknemer voor zijn werk is zichtbaar afgenomen vanaf het moment dat zijn contract in april 2011 was omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd. Vanaf 2012 begon dit tot problemen te leiden. Op 22 augustus 2013 heeft de werknemer een officiële waarschuwing gekregen, omdat hij was weggelopen van de werkvloer en niet voldeed aan redelijke opdrachten van zijn leidinggevende. Op 12 november 2013 is wederom een officiële waarschuwing gegeven, in verband met het feit dat de werknemer in verband met een verlofaanvraag valse informatie had verschaft. Er is toen aangekondigd dat bij een volgend incident het dienstverband zou worden beëindigd.

3.3.

Vervolgens heeft de werknemer zich op 23 januari 2014 ziek gemeld. Ook in deze periode heeft de werknemer zich niet aan de afspraken gehouden. Uit de eerste probleemanalyse volgt dat werknemer de betreffende klachten al jaren heeft, en dat de verwachting is dat hij zijn werk op termijn volledig zal kunnen hervatten. Op 16 september 2014 is het plan van aanpak bijgesteld en heeft de bedrijfsarts aangegeven dat de werknemer vijf dagen per week gedurende vier uur per dag aangepast werk kon verrichten. De werknemer was het daar niet mee eens en heeft een deskundigenoordeel aangevraagd, hetgeen luidde dat de werknemer inderdaad met ingang van 16 september 20 uur per week passende werkzaamheden kon doen. Vanaf 1 oktober 2014 is de werknemer aangepast werk gaan doen, doch kort na uitbreiding van dit aangepaste werk heeft hij zich weer volledig ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft op 15 december 2014 aangegeven dat de werknemer geschikt was om passend werk te verrichten. De werknemer was het daar niet mee eens. Op 14 januari 2015 is een arbeidsdeskundige rapportage opgesteld voorafgaand aan de eerstejaarsevaluatie. De arbeidsdeskundige komt tot dezelfde conclusie als de bedrijfsarts. De urenopbouw zou over de periode van 14 januari 2015 tot 5 april 2015 moeten plaatsvinden van 25 uren naar 40 uren per week.

3.4.

Bij de eerstejaarsevaluatie van 23 januari 2015 is ter sprake gekomen dat de werknemer zichzelf te ziek vond om te werken. De werkgever heeft te kennen gegeven dat de werknemer moest meewerken aan zijn re-integratie en dat de werkgever sancties zou gaan treffen indien hij dat niet deed. Op 19 februari 2015 heeft de werknemer zich ziek gemeld en vond er een telefonisch spreekuur plaats met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts oordeelde dat de ziekmelding voor die dag werd geaccepteerd, doch dat de werknemer de volgende dag volgens afspraak weer aan het werk diende te gaan voor 6 uur per dag. Hij is gewezen op de mogelijkheid een deskundigenoordeel aan te vragen.

Omdat de werknemer op 20 februari 2015 niet op het werk verscheen heeft de werkgever bij brief van 25 februari 2015 aangezegd dat met ingang van 19 februari een loonstop zou plaatsvinden indien de werknemer niet de werkzaamheden zou gaan verrichten waartoe hij door de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige in staat werd geacht.

De werknemer heeft zijn werkzaamheden niet hervat, en de werkgever heeft vervolgens het loon stop gezet. De werknemer heeft in maart 2015 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Op 31 maart heeft het UWV daarop beslist en aangegeven dat de werknemer per 19 februari 2015 in staat was het eigen werk te hervatten volgens het schema zoals genoemd in het arbeidsdeskundigenonderzoek van 14 januari 2015. Ook de werkgever had een deskundigenoordeel aangevraagd en daarop is op 10 april 2015 door het UWV beslist. Het UWV oordeelde onder meer dat de (re-integratie) inspanningen van de werknemer onvoldoende waren.

3.5.

Ondanks voornoemde deskundigenoordelen heeft de werknemer sinds 19 februari 2015 zijn werkzaamheden niet verricht. Op 2 juni 2015 heeft de werkgever de werknemer per brief aangekondigd dat een ontbinding bij de kantonrechter zou worden verzocht indien de werknemer geen contact opneemt.

Naast het consequent niet nakomen van re-integratie inspanningen, verwijt de werkgever de werknemer dat hij regelmatig afspraken niet nakomt. Dit is begonnen in de periode voor zijn ziekmelding, en heeft destijds geresulteerd in twee schriftelijke waarschuwingen. Ook tijdens de re-integratie periode is de werknemer regelmatig niet op het werk verschenen zonder zich af te melden volgens de geldende procedures.

4 Het verweer

4.1.

De werknemer verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe aan dat hij ziek is en niet kan werken en dat hij dit ook bij herhaling aan de deskundigen en (bedrijfs)artsen heeft gemeld. Bij brief van 11 maart 2015 heeft zijn – toenmalige – advocaat namens de werknemer hetzelfde standpunt verwoord en aangegeven dat de werknemer van mening was dat hij wel voldoende inspanningen leverde en dat hij om die reden een deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat de werknemer wellicht nog gedeeltelijk ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van de werknemer. Het verzoek is immers gebaseerd op het feit dat de werknemer onvoldoende re-integratie inspanningen levert, de voorschriften die gelden bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat en de werknemer bovendien nalaat te komen werken gedurende de uren dat hij daartoe in staat wordt geacht. Dit alles staat los van de ongeschiktheid wegens ziekte.

5.3.

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek om ontbinding is gegrond op artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW, in verband met het zonder deugdelijke grond door de werknemer niet nakomen van – kort gezegd – zijn re-integratieverplichtingen. In geval van een verzoek op die grondslag moet de werkgever op grond van artikel 7: 671b lid 5 BW de werknemer schriftelijk hebben aangemaand of een loonstop hebben ingesteld en een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW overleggen. Dat heeft de werkgever gedaan.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door de werkgever naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. Daartoe wordt het volgende overwogen. De werknemer heeft in 2013 twee waarschuwingen gekregen, welke hij respectievelijk voor ontvangst en voor gezien heeft ondertekend. Vervolgens heeft de werknemer zich begin 2014 ziek gemeld, met klachten die hij blijkens de stukken al enige jaren ondervond. Ondanks het feit dat de bedrijfsarts, arbeidsdeskundige en de deskundigen van het UWV allemaal consequent aangeven dat de werknemer in staat geacht moest worden met ingang van 19 februari 2015 vier uur per dag te werken en dit in een periode van 7 weken op te bouwen tot zijn contracturen, heeft de werknemer dit geweigerd ook na ontvangst van het door hem zelf aangevraagde deskundigenoordeel, waarin het vorenstaande wordt bevestigd. Daarnaast heeft de werknemer na de brief van begin juni 2015 op geen enkele wijze contact gezocht met de werkgever. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat de werkgever terecht stelt dat de werknemer weigert zijn werkzaamheden te verrichten terwijl hij hier wel toe in staat wordt geacht. Gezien het feit dat het UWV stelt dat de re-integratie inspanningen van de werknemer onvoldoende zijn, en de werknemer na dat oordeel heeft volhard in zijn gedrag is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen nu de werknemer geen gegronde reden heeft aangevoerd voor zijn nalatig gedrag en het aldus aan hem te wijten is dat de arbeidsovereenkomst niet langer kan voortduren. De werkgever heeft immers, ook naar het oordeel van het UWV blijkens haar rapport van 10 april 2015, steeds adequaat gereageerd.

5.5.

De kantonrechter is verder van oordeel dat gezien het feit dat de overeenkomst ontbonden wordt in verband met verwijtbaar handelen en nalaten van de werknemer, herplaatsing niet aan de orde is. De kantonrechter is voorts van oordeel dat sprake is van zodanig ernstig verwijtbaar handelen dat de ontbinding tegen een eerdere datum dient te worden bepaald, met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel b, BW. De overeenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2015. Voor een langere termijn bestaat, mede gezien het feit dat de werknemer sinds 19 februari 2015 zijn werkzaamheden niet verricht geen aanleiding.

5.6.

Ten aanzien van de transitievergoeding overweegt de kantonrechter als volgt. De werknemer heeft geen (tegen)verzoek ingediend of ter zitting gedaan waarin hij aanspraak heeft gemaakt op een transitievergoeding. De kantonrechter begrijpt het verzoek van de werkgever als een verzoek om een verklaring voor recht dat op grond van artikel 7:673 lid 7 BW geen transitievergoeding verschuldigd is en zal dit verzoek, gezien de ernstige verwijtbaarheid van het handelen van de werknemer, toewijzen.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft de werkgever geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.7.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2015;

6.2.

verklaart voor recht dat de werkgever aan de werknemer geen transitievergoeding verschuldigd is;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr A.E. Merkus, kantonrechter en op 28 september 2015 bij vervroeging in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter