Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7892

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
15/800453-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak moord cq. doodslag. Zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende bewezen. Verdachte niet toerekeningsvatbaar. Ontslag van alle rechtsvervolging. Oplegging van de TBS-maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 37b
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Strafrecht

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800453-14 (P)

Uitspraakdatum: 21 september 2015

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 juni 2015 en 7 september 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.H.A. Schlingemann en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, opzettelijk (en met voorbedachten rade) (zijn vader) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die [slachtoffer] van de trap heeft geduwd en/of met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam geschopt en/of geslagen tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, aan een persoon genaamd (zijn vader) [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten hersenletsel en/of een of meerdere gebroken rib(ben), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] van de trap te duwen en/of (vervolgens, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag) met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans het lichaam te schoppen en/of te slaan, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een (gedeeltelijk) opengescheurde/gesneden balzak), heeft toegebracht, door deze balzak opzettelijk (met zijn handen) open te scheuren en/of met een mes of anderssoortig scherp voorwerp in die balzak te snijden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 impliciet tenlastegelegde, te weten moord, dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voorbedachte raad. Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde, doodslag, en het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van opzet. Nu verdachte door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum ontoerekeningsvatbaar wordt geacht, heeft het hem volgens zijn raadsman ten tijde van zijn handelen ontbroken aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

3.3.

Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 primair is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Verdachte heeft, zo hij daartoe gezien zijn geestelijke toestand ten tijde van het feit al in staat moet worden geacht, geen gelegenheid gehad om kalm en rustig na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarom zal hij van het impliciet primair tenlastegelegde, moord, worden vrijgesproken.

Verdachte zal tevens worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag. Om te komen tot een bewezen verklaring van doodslag, dient verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat zijn vader ten gevolge van de door verdachte veroorzaakte val van de trap zou komen te overlijden. Nog daargelaten de vraag of een val van de trap een aanmerkelijke kans op de dood in zich draagt, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de persoon van verdachte en zijn geestelijke toestand ten tijde van het feit, zoals omschreven in de hierna te noemen rapportage van het Pieter Baan Centrum, van het bewust aanvaarden van zo een kans geen sprake kan zijn geweest.

Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank voorop dat op basis van het dossier kan worden bewezen dat verdachte letsel heeft toegebracht aan het geslachtsdeel van zijn vader. Naar het oordeel van de rechtbank kan het geconstateerde letsel, te weten een gedeeltelijk opengescheurde/gesneden balzak, echter niet zonder meer worden aangemerkt als ‘zwaar’ lichamelijk letsel. Nu niets bekend is over de kans op en eventuele duur van volkomen genezing, is de rechtbank van oordeel dat het dossier te weinig gegevens bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 82 jo. 302 Sr.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 28 augustus 2014, omstreeks 12.33 uur, ontving de meldkamer van de politie Noord-Holland een melding dat iemand op de [adres] te Zuid-Scharwoude van de trap zou zijn gevallen.2 Het al ter plaatse zijnde ambulancepersoneel gaf door dat zij sporen hadden aangetroffen die niet overeen zouden komen met iemand die enkel van de trap was gevallen. Ter plaatse gearriveerd, werden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aangesproken door verdachte die een onsamenhangend verhaal vertelde. Zij zagen dat op de bril van verdachte rode spatten zaten en dat hij bloed op zijn handen en armen had. Zij hoorden hem zeggen dat zijn vader in de woning lag. Verbalisant [verbalisant 1] trof in de woning het slachtoffer aan, die deels in de woonkamer en deels in de hal lag. Het gezicht van het slachtoffer was opgezwollen, zijn rechteroog zat dicht en er was een bloeduitstorting zichtbaar. Naast het slachtoffer lag een stuk huid van vijf à tien centimeter. In de schaamstreek van het slachtoffer was een open wond zichtbaar. Verbalisant [verbalisant 2] heeft met verdachte gesproken die erg druk overkwam en een onsamenhangend verhaal vertelde over Joegoslavië, Bosnië en de duivel. De verbalisant hoorde verdachte onder meer zeggen dat hij de opdracht van God had gehad om zijn vader van de trap te duwen. Verder hoorde hij verdachte meerdere keren zeggen: “Ik heb hem boem”. Hierop is verdachte aangehouden.3

Het slachtoffer is overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij dezelfde dag omstreeks 17.45 uur is overleden. De volgende dag is het slachtoffer door twee getuigen geïdentificeerd als [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .4

De buurvrouw van verdachte en het slachtoffer, [getuige 1] , heeft verklaard dat verdachte op 28 augustus 2014 omstreeks 12.30 uur bij haar voor de deur stond. Hij vertelde een heel warrig verhaal over God, duivels, buitenlanders en andere aparte dingen. Zij hoorde verdachte zeggen “dat hij het verdiend had” en zij zag bloedspatjes op zijn bril. Ze moest van verdachte mee naar zijn huis. In de woning zag zij haar overbuurman, de vader van verdachte op de grond in de hal liggen. Zij zag bloed komen uit zijn mond en zijn oog. Vervolgens heeft zij 112 gebeld.5

De ambulancebroeder die op 28 augustus 2014 ter plaatse was, [getuige 2] , heeft verklaard dat hij de zoon van het slachtoffer, verdachte, buiten de woning heeft aangetroffen. Hij hoorde verdachte onder anderen in de Engelse taal zeggen: “I cut his dick off”. Vervolgens is hij de woning binnengegaan en heeft het slachtoffer onder aan de trap aangetroffen. Het slachtoffer lag met zijn benen richting de trap en met zijn hoofd richting de deur van de woonkamer, op zijn rug. Zijn nek lag in een rare bocht en de rechterzijde van zijn gezicht vertoonde een forse hematoom. Het slachtoffer was niet aanspreekbaar.6

Uit het Voorlopige Sectierapport van 31 augustus 2014 blijkt dat het slachtoffer meerdere breuken aan de rechterborstkas had.7 Ook waren er breuken van de rechter bijholte (hoofd) en een breuk van de bodem van de rechteroogkas. In het gezicht van het slachtoffer waren huidbeschadigingen en onderhuidse bloeduitstortingen waarneembaar. Verder waren verspreid over het lichaam diverse huidbeschadigingen en bloeduitstortingen te zien.

Tevens werd vastgesteld dat het slachtoffer een uitgebreide bloeduitstorting in de hersenen had, waardoor herseninklemming heeft plaatsgevonden. Aan de borstkas rechts was een uitgebreide bloeduitstorting met in relatie hiermee veel ribbreuken. De letsels aan het hoofd en de borstkas zijn ontstaan door inwerking van uitwendig botsend geweld zoals door stoten, slaan, vallen of schoppen kan ontstaan. Het letsel aan de balzak is ontstaan door scherprandig geweld zoals met een scherprandig voorwerp. Het overlijden van het slachtoffer wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen ten gevolge van uitwendig mechanisch geweld op het hoofd.

De bevindingen van het voorlopig sectierapport worden in het pathologierapport van 22 januari 2015 bevestigd. Voorts wordt gerapporteerd dat het waarschijnlijker is om de aangetroffen letsels aan het hoofd aan te treffen indien er sprake is van stompen, slaan, schoppen, dan dat er sprake is van een val van een trap. Een combinatie van vallen en stompen, slaan, schoppen is mogelijk. Het is onwaarschijnlijk dat al de letsels in de mond, mondbodem, in de hals en nek zijn ontstaan als gevolg van een val.8

Het was op 28 augustus 2014 niet mogelijk verdachte te verhoren. Hij maakte een zeer verwarde indruk en zijn verklaring was erg onsamenhangend. De geraadpleegde forensisch psychiater adviseerde verdachte te laten opnemen op de crisis afdeling van een penitentiair psychiatrisch centrum. Ook ten tijde van de inbewaringstelling was verhoor van verdachte niet mogelijk. Verdachte is op 26 februari 2015 opgenomen in het Pieter Baan Centrum en heeft daar tot 9 april 2015 verbleven. Op 24 maart 2015 bleek verdachte pas in staat te worden verhoord. Verdachte heeft onder meer als volgt verklaard:9

“Ik slik pillen. Ik had die pillen die ochtend niet ingenomen. Er was een woordenwisseling tussen papa en mij. Ik had gedoucht en moest mij afdrogen en aankleden. Mijn vader was druk en wilde zich scheren. Hij vroeg aan mij: “ben je al klaar?” Dit gebeurde boven bij de douche. Ik was toen zo boos. Ik heb hem vanaf de trap geduwd. Toen lag hij op de vloer. Ik was toen zo boos, ik heb zijn broek los getrokken en heb aan zijn penis gescheurd met mijn handen. Hierdoor had ik bloedspetters op mijn bril. Ik heb hem ook op zijn oog geslagen. Ik heb hem een keer op zijn linkeroog geslagen.”

Op de terechtzitting van 9 juni 2015 heeft verdachte als volgt verklaard:10

“Ik zei: “Pa, alsjeblieft ga aan de kant”. Ik werd boos en heb hem van de trap geduwd. Daarvoor zei hij toen ik onder de douche stond: “Hé jongetje, “dit en dat ….” Ik ben geen jongetje, ik ben volwassen. Hij was suikerpatiënt en hij schreeuwde tegen mij en dat vond ik vervelend. Ik heb mij eerst afgedroogd en aangekleed en toen op de gang heb ik hem geduwd. Ik duwde met mijn vingers.”

“Hij viel in één keer, niet via de muur of zo. Ik ging ook de trap af en daar lag hij. Hij maakte een zwaar ademend geluid. Toen hij op de grond lag heb ik zijn trainingsbroek gescheurd en zijn geslachtsdeel eruit getrokken en een vuist in zijn gezicht gegeven. Ik was boos. Ook nog toen hij op de grond lag. Toen ook getrokken. (Verdachte maakt scheurende beweging) Het bloed van zijn geslachtsdeel kwam op mijn bril.”

Op de terechtzitting van 7 september 2015 heeft verdachte verklaard dat hij nog steeds boos was op zijn vader nadat hij hem van de trap had geduwd en dat hij hem toen in zijn gezicht heeft geslagen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn vader, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

3.5.

Bewijsoverweging met betrekking tot het ten laste gelegde opzet

De gedragsdeskundigen die verdachte hebben onderzocht in het Pieter Baan Centrum hebben geadviseerd verdachte niet toerekeningsvatbaar te achten met betrekking tot hetgeen hem ten laste is gelegd vanwege een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens, zoals hieronder onder “Strafbaarheid van verdachte” wordt toegelicht.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte op grond hiervan dient te worden vrijgesproken, omdat het hem ten tijde van zijn handelen ontbroken heeft aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ontoerekeningsvatbaarheid er in beginsel niet aan in de weg staat dat van opzet, in meer of mindere mate, op een delict gesproken kan worden. Verdachte was erg boos en was het zat om een jongetje genoemd te worden. Vervolgens heeft hij zijn vader van de trap geduwd. Verdachte heeft misschien geen volledig besef gehad van de gevolgen van zijn handelen, maar volgens de officier van justitie is wel degelijk sprake geweest van enig inzicht.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat het bestaan van een geestelijke stoornis van invloed kan zijn op de mate van keuzevrijheid in handelen, maar dat dit niet snel leidt tot de conclusie dat in het geheel geen sprake is van opzet op dat handelen. Volgens vaste jurisprudentie staat zo’n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake (zie bijvoorbeeld HR 16 maart 2010, ECLI:NL:2010:BK8507, rov. 2.5)

In het onderhavige geval heeft verdachte verklaard dat hij erg boos was op vader en dat hij het zat was dat zijn vader hem “jongetje” noemde. Als reactie op de door verdachte als denigrerend ervaren houding van zijn vader heeft hij zijn vader van de trap geduwd. Reeds hieruit blijkt een zekere mate van inzicht in een oorzaak-gevolg relatie. Toen zijn vader onder aan de trap lag, was verdachte naar eigen zeggen nog steeds boos en heeft hij het slachtoffer met kracht tegen het hoofd geslagen. Verdachte heeft klaarblijkelijk beseft dat hij zijn vader in een (levens)gevaarlijke toestand had gebracht, getuige het feit dat hij hulp is gaan halen bij de buurvrouw. Daarbij heeft verdachte meerdere malen gezegd “Ik heb hem boem” en “dat hij het verdiend had”. Deze omstandigheden en uitlatingen wijzen er naar het oordeel van de rechtbank op dat het verdachte niet aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken en dat dus wel sprake is geweest van (enig) opzet op het toebrengen van letsel.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 28 augustus 2014 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, aan zijn vader [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en meerdere gebroken ribben, heeft toegebracht, door opzettelijk [slachtoffer] van de trap te duwen en vervolgens, terwijl [slachtoffer] op de grond lag, met kracht tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Uit de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 1 juni 2015 blijkt het volgende.

Betrokkene is een 31-jarige licht tot matig zwakzinnige man. De verstandelijke beperking van betrokkene overschaduwt zijn gehele functioneren. Dit uit zich in een zeer beperkt vermogen om de actuele situatie in een groter perspectief te zien en in een onvermogen consequenties van eigen handelen te overzien. Hiervoor mist betrokkene analytische vaardigheden. Tevens is er sprake van een onvermogen grip te houden op eigen emoties en het handelen vanuit deze emoties. Betrokkene wordt als het ware in de greep gehouden door een emotie, van waaruit zijn handelen zonder verder overwegen tot stand komt.

Voorafgaand aan en ten tijde van de ten laste gelegde feiten was er sprake van een zeer ingrijpende verandering in de gezinscontext van betrokkene. Zijn moeder, die structuur gevend en leidinggevend was binnen het gezin, was recent overleden. Mogelijk gebruikte betrokkene in de periode daarna minder trouw zijn antipsychotische medicatie, die voor hem gedragsregulerende werking bevatte. Uit informatie van referenten komt het beeld naar voren dat in het gedrag van betrokkene, kort voorafgaande aan de ten laste gelegde feiten, kenmerken van ernstige psychotische ontregeling zichtbaar waren. Na de ten laste gelegde feiten werd een beeld gezien van ontregeld gedrag en psychotische decompensatie.

De kwetsbaarheid om psychotisch te ontregelen wordt bij betrokkene gezien als een uitvloeisel van zijn zwakzinnigheid en zijn zeer beperkte innerlijke structuur. Vermoedelijk was in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde minder continuïteit in de inname van medicatie, terwijl betrokkene niet in staat geacht kan worden deze continuïteit vanuit zichzelf te handhaven. Verder is betrokkene niet in staat gedrag dat voortvloeit uit een emotionele opwelling in te dammen.

Gezien de zeer sterke verwevenheid van de beperkingen van betrokkene in de ten laste gelegde feiten, een verwevenheid die zo groot kon worden door het wegvallen van de benodigde zorg voor betrokkene in combinatie met zijn zeer ernstige beperkingen, wordt geadviseerd betrokkene niet toerekeningsvatbaar te achten voor de ten laste gelegde feiten, indien bewezen geacht.

Met het advies in dit rapport kan de rechtbank zich verenigen. De rechtbank acht verdachte niet toerekeningsvatbaar ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. Dit betekent dat verdachte daarvoor niet strafbaar is en dat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De oplegging van een maatregel

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

6.2.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte, conform artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, dient te worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarna kan hij worden opgenomen in een instelling met intensieve zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. De raadsman heeft gesteld dat uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum niet een agressief persoon naar voren komt. Hij acht de inschatting van het recidiverisico van de deskundigen dan ook niet begrijpelijk.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben in de rapportage van 1 juni 2015 geadviseerd, ter voorkoming van herhaling, aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging op te leggen. Als mogelijke instelling ter uitvoering van deze maatregel acht men Hoeve Boschoord geschikt. Een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 Sr acht men niet aangewezen. Vanwege zijn ernstige intellectuele en sociaal-emotionele beperkingen zal verdachte levenslang begeleid moeten worden. Daarbij dient men zich altijd bewust te blijven van het risico op gewelddadig gedrag, indien verdachte het overzicht verliest. Met het oog op dit recidiverisico achten de deskundigen de onzekerheid over een geschikte vervolgbehandeling na afloop van de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis te groot.

Op verzoek van de verdediging zijn de rapporterend deskundigen op de terechtzitting van 7 september 2015 gehoord over het gegeven advies.

De deskundigen hebben toegelicht dat het advies tot oplegging van de maatregel is ingegeven ter beveiliging van de maatschappij. Vanwege het chronisch karakter van zijn stoornis heeft verdachte levenslang begeleiding en structuur nodig, hetgeen bij aanvang het best geborgd is in een tbs-setting. Verdachte is zelf niet in staat structuur aan te brengen en kan snel ontregeld raken. Het risico ziet niet zozeer op de frequentie, maar op de ernst van mogelijke feiten ingeval van een onvoldoende tegemoetkomende omgeving. Vanwege de vriendelijke uitstraling van verdachte wordt het recidiverisico snel onderschat. Daarbij komt dat verdachte wisselend is in de wens om begeleid te worden.
Verdachte is aangewezen op 24-uursbegeleiding in een instelling die past bij bewoners met verstandelijke beperkingen en gedragsproblemen. De deskundigen achten de termijn van een jaar te kort om verdachte naar een geschikte woonplek te begeleiden.

De rechtbank kan zich met het gegeven advies en de daarop ter zitting gegeven toelichting verenigen.

De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank adviseert dat verdachte overeenkomstig het advies van bovengenoemde gedragsdeskundigen zal worden verpleegd in Hoeve Boschoord, opdat verdachte – zo spoedig mogelijk – zal worden opgenomen in een passende instelling.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 37a, 37b en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A.C. Haverkate en mr. P. de Mos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 september 2015.

Mr. P. de Mos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van relaas van 3 november 2014, p. 4.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2014, p. 91-92.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2014, p. 36-37.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 28 augustus 2014, p. 100.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 18 september 2014, p. 123.

7 Voorlopig sectierapport van 31 augustus 2014, opgesteld door [deskundige] , arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, Map Forensisch onderzoek [verdachte] , p. 119-122.

8 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van 22 januari 2015, opgesteld door [deskundige] , arts en patholoog en werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, p. 190-211, Map Forensisch Dossier [verdachte] .

9 Proces-verbaal van verhoor van 24 maart 2015 van verdachte, ongenummerd.

10 Proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2015, inhoudende de verklaring van verdachte.