Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7852

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
28-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4701
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Verweerder heeft niet op de voet van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW hoeven afzien van boeking achteraf omdat het ten onrechte afgeven van niet-preferentiële oorsprongscertificaten door de Filipijnse autoriteiten niet kan worden aangemerkt als een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in dat artikel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 14/4701 tot en met HAA 14/4703

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 augustus 2015 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.P.M. van Erp),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 16 april 2013 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt met nummer [# 1] , voor een bedrag van € 2.390,92 aan antidumpingrechten voor de aangifte gedaan op 13 juli 2010.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 18 juli 2013 een utb uitgereikt met nummer [# 2] voor een bedrag van € 37.378,39 aan antidumpingrechten voor drie aangiften gedaan op 22 september 2010, 29 september 2010 respectievelijk 12 oktober 2010.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 28 november 2013 een utb uitgereikt met nummer [# 3] , voor een bedrag van € 2.190,55 aan douanerechten voor de aangifte gedaan op 2 oktober 2010.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 7 oktober 2014 de utb van 16 april 2013 verminderd tot € 1.631,09, de utb van 18 juli 2013 verminderd tot € 25.499,66 en een proceskostenvergoeding toegekend van € 607,50.

Verweerder heeft bij separate uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2014 het bezwaar tegen de utb van 28 november 2013 ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de utb van 16 april 2013 is geregistreerd onder nummer HAA 14/4701. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de utb van 18 juli 2013 is geregistreerd onder nummer HAA 14/4702. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de utb van 28 november 2013 is geregistreerd onder nummer HAA 14/4703.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015 te Haarlem.

Eiseres is vertegenwoordigd door [A] , financieel directeur, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Op naam en voor rekening van eiseres zijn aangiften voor het brengen in het vrije verkeer gedaan voor - kort gezegd - roestvrijstalen bevestigingsmiddelen (hierna: de goederen) met aangegeven oorsprong de Republiek der Filipijnen (hierna: de Filipijnen). Bij de aangiften zijn Forms A gevoegd. De exporteur van de goederen is [D] (hierna: [D] ), gevestigd in de Filipijnen.

2. De antifraudedienst van de Europese Commissie heeft in november 2012 een onderzoek ingesteld in de Filipijnen. Bij dit onderzoek is informatie verzameld over onder anderen [D] . Uit dit onderzoek is gebleken dat de goederen zijn geproduceerd door de onderneming [E] , gevestigd in [F] , te Taiwan. De goederen van [E] zijn door [D] vanuit Taiwan in de Filipijnen ingevoerd en zonder enige bewerking wederuitgevoerd naar de Europese Unie.

Relevante wet- en regelgeving

3. De Raad heeft bij Verordening (EG) Nr. 1890/2005 van 14 november 2005 besloten tot instelling van definitieve antidumpingrechten en tot definitieve inning van de voorlopige antidumpingrechten op roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70, uit de Volksrepubliek China, Indonesië, Taiwan, Thailand en Vietnam en tot beëindiging van de procedure betreffende roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan uit Maleisië en de Republiek der Filipijnen.

Geschil
4.In geschil is of verweerder op de voet van artikel 220, tweede lid, sub b, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) had moeten afzien van boeking achteraf.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de goederen de oorsprong Taiwan hebben.

Beoordeling van het geschil

Antidumpingrechten

6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW aan navordering van de antidumpingrechten in de weg staat. Zij heeft betoogd dat het ten onrechte afgeven van niet-preferentiële oorsprongscertificaten door de Filipijnse autoriteiten dient te worden aangemerkt als een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Filipijnse autoriteiten niet zijn betrokken bij het vaststellen van de niet-preferentiële oorsprong en derhalve geen vergissing kunnen hebben begaan.

7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. De afgifte van niet-preferentiële oorsprongscertificaten door de Filipijnse autoriteiten is niet gebaseerd op een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Filipijnen, noch op enige bepaling van secundair recht van de Europese Unie, zodat de Filipijnse autoriteiten niet als ‘douaneautoriteiten’ in de zin van artikel 220 van het CDW kunnen worden aangemerkt. Het door eiseres aangehaalde arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 27 juni 1991 in zaak C-348/89 (Mecanarte) leidt niet tot een ander oordeel, omdat de in dat arrest gegeven uitleg van de term ‘bevoegde autoriteiten’ betrekking had op de bevoegde autoriteiten in het kader van navordering van douanerechten [arcering rechtbank], terwijl hier sprake is van de navordering van antidumpingrechten. Dat, zoals eiseres stelt, het HvJ de definitie van het begrip douaneautoriteiten steeds verder oprekt, is de rechtbank in het kader van navordering van antidumpingrechten niet gebleken. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, verwerpt de rechtbank dan ook deze stelling.

8. Nu artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW niet van toepassing is, was verweerder op grond van die bepaling niet gehouden af te zien van navordering van antidumpingrechten.

Douanerechten

9. Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW aan navordering van de douanerechten in de weg staat. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat “het wel zo zal zijn dat de Filipijnse autoriteiten verkeerd zijn geïnformeerd”, maar zij hadden de informatie die door [D] is verstrekt moeten controleren. Als ze hun eigen procedurevoorschriften voor het afgeven van Forms A hadden gevolgd, dan hadden de Filipijnse autoriteiten geconstateerd dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. Het niet naleven van de eigen procedures kan niet aan de exporteur worden toegerekend. De Filipijnse autoriteiten wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet in aanmerking kwamen voor preferentiële behandeling, aldus eiseres. Verweerder heeft bestreden dat sprake is van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten, omdat de autoriteiten zijn misleid door de exporteur [D] .

10. Ingevolge artikel 220, tweede lid, sub b, eerste alinea, van het CDW gaan de douaneautoriteiten niet over tot boeking achteraf van douanerechten wanneer boeking van het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten achterwege is gebleven ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De tweede alinea bepaalt dat wanneer de preferentiële status van goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij de instanties van een derde land betrokken zijn, de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat wordt aangemerkt als een vergissing in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. Volgens de derde alinea wordt de afgifte van een onjuist certificaat echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het is gebaseerd op een onjuiste weergave van feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 april 2015, nr. 14/00554, ECLI:NL:HR:2015:858 de jurisprudentie van het HvJ ter zake als volgt samengevat:

“Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat van een vergissing in de hiervoor in 2.4.2 bedoelde zin geen sprake is wanneer de bevoegde autoriteiten die de certificaten hebben afgegeven, zijn misleid met betrekking tot de oorsprong van goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of te beoordelen.

Voorts is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat een belastingplichtige geen gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten van oorsprong kan baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat deze voorshands hebben aanvaard, aangezien de rol van die autoriteiten bij de eerste aanvaarding geen beletsel voor latere controles vormt (zie onder meer HvJ 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services B.V., C-293/04, ECLI:EU:C:2006:162, punt 33, en aldaar aangehaalde jurisprudentie).

Het Hof van Justitie heeft met betrekking tot het gebruik van certificaten van oorsprong herhaaldelijk geoordeeld dat de marktdeelnemers in het kader van hun contractuele relaties de nodige voorzorgen dienen te nemen om zich tegen de risico’s van een procedure tot navordering te beschermen. De Unie kan, aldus het Hof van Justitie, niet de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen van de leveranciers van de importeurs dragen, maar dat moet in een dergelijk geval de belastingschuldige doen. Een voorzichtige marktdeelnemer die op de hoogte is van de regeling moet bij zijn evaluatie van de voordelen die de handel in voor preferentiële tarieven in aanmerking komende goederen hem kan opleveren, rekening houden met de risico’s die inherent zijn aan de door hem verkende markt en moet deze als een van de normale schaduwzijden van de handel aanvaarden (zie onder meer HvJ 17 juli 1997, Pascoal & Filhos, C-97/95, ECLI:EU:C:1997:370, punten 59 en 60, HvJ 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a., C-153/94 en C-204/94, ECLI:EU:C:1996:198, beschikking van 9 december 1999, CPL Imperial 2 en Unifrigo/Commissie, C‑299/98 P, ECLI:EU:C:1999:598, punten 37 en 38, het eerder aangehaalde arrest Beemsterboer Coldstore Services, punt 41, en HvJ 8 november 2012, Lagura Vermögensverwaltung GmbH, C-438/11, ECLI:EU:C:2012:703, punten 30 tot en met 33).”

12. Uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie volgt dat, wat er verder ook zij van de door de gemachtigde via de Nederlandse ambassade op de Filipijnen verkregen procedurevoorschriften, eiseres zich er niet met succes op kan beroepen dat de Filipijnse autoriteiten voorafgaand aan de afgifte van de Forms A geen controle hebben uitgevoerd naar de juistheid van de door de exporteur versterkte gegevens. Nu eiseres niet betwist dat de door [D] aan de Filipijnse autoriteiten verstrekte gegevens onjuist zijn en uit niets is gebleken dat die autoriteiten klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen, is de rechtbank van oordeel dat de Filipijnse autoriteiten geen vergissing hebben begaan als bedoeld in artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW. Ook wat betreft de douanerechten was verweerder op grond van deze bepaling derhalve niet gehouden af te zien van navordering.

Conclusie

13. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. De rechtbank ziet bij deze uitkomst van de procedure geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. M.H.L.C. Bijvoet, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.