Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7841

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4060
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Voor invoercertificaten gestelde zekerheid terecht verbeurd verklaard. Er is geen sprake van overmacht. Vertrouwensbeginsel is niet geschonden door vermelding van een onjuiste geldigheidsduur op een invoercertificaat. De geldigheidsduur van de invoercertificaten is terecht niet verlengd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2015/2652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 14/4060 en 14/4061

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2015 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma)

en

de Staatssecretaris van Economische zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 25 februari 2014 en 4 maart 2014 heeft verweerder een beroep op overmacht en een verzoek om verlenging van de invoercertificaten AGRIM met de nummers [#1] en [#2] (hierna: de invoercertificaten) afgewezen en voor een bedrag van € 35.011,59 respectievelijk € 30.157,20 de zekerheid horende bij de invoercertificaten verbeurd verklaard.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2015 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde en diens kantoorgenoot
[B] . Namens verweerder is verschenen mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 9 oktober 2013 heeft eiseres een aanvraag voor een invoercertificaat ingediend voor de invoer uit [F] van 2.000.000 kg tarwe, GN-code 1001 99 00. Op 18 oktober 2013 heeft verweerder het invoercertificaat (nr. [#1] ) afgegeven. Aan eiseres is daarmee het recht verleend en de verplichting opgelegd om 2.000.000 kg tarwe tijdens de geldigheidsduur van het invoercertificaat in te voeren. Vak 12 van het invoercertificaat vermeldt als laatste dag van geldigheid 31 december 2013.

2. Op 7 november 2013 heeft eiseres een aanvraag voor een invoercertificaat ingediend voor de invoer uit [F] van 4.500.000 kg tarwe, GN-code 1001 99 00. Op 15 november 2013 heeft verweerder het invoercertificaat (nr. [#2] ) afgegeven. Aan eiseres is daarmee het recht verleend en de verplichting opgelegd om 4.500.000 kg tarwe tijdens de geldigheidsduur van het invoercertificaat in te voeren. Vak 12 van het invoercertificaat vermeldt als laatste dag van geldigheid 31 januari 2014.

3. Op 4 december 2013 heeft eiseres voor beide invoercertificaten een uittreksel aangevraagd. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat er op invoercertificaat [#2] een onjuiste laatste dag van geldigheid is vermeld. Bij het toezenden van de uittreksels op

5 december 2013 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de laatste dag van geldigheid voor laatstgenoemd invoercertificaat is gewijzigd in 31 december 2013.

4. Op 27 december heeft eiseres verweerder gemeld dat vanwege slechte weersomstandigheden het door haar aangenomen schip niet in staat is om tijdig (voor

31 december 2013) [D] binnen te lopen. Het invoercertificaat [#1] is voor

31 december 2013 daardoor niet gebruikt voor een hoeveelheid van 1.167.053 kg en invoercertificaat [#2] is niet gebruikt voor een hoeveelheid van 1.005.240 kg.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de invoercertificaten niet, binnen de geldigheidsduur van de invoercertificaten, volledig heeft benut. Verweerder heeft daarop de voor de invoercertificaten gestelde zekerheid verbeurd verklaard.

Geschil
6. In geschil is of verweerder de voor de invoercertificaten gestelde zekerheid terecht verbeurd heeft verklaard. Meer in het bijzonder is in geschil of er sprake is van overmacht, waardoor niet de gehele in de invoercertificaten vermelde hoeveelheid binnen de geldigheidsduur van die invoercertificaten is ingevoerd. Tevens is in geschil of het vertrouwensbeginsel is geschonden door vermelding van een onjuiste geldigheidsduur in een van de invoercertificaten en of de geldigheidsduur van de invoercertificaten ten onrechte niet is verlengd.

7. Eiseres stelt dat er sprake is van overmacht, bestaande uit uitzonderlijke (weers)omstandigheden die niet voor rekening van eiseres moeten komen en niet tot het normale handelsrisico van eiseres behoren. Daarnaast stelt eiseres ten aanzien van het invoercertificaat [#2] dat het vertrouwensbeginsel aan de verbeurdverklaring van de zekerheid in de weg staat. Tot slot voert eiseres aan dat de geldigheidsduur van de invoercertificaten ten onrechte niet is verlengd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en van de primaire besluiten tot verbeurdverklaring van de gestelde zekerheden.

8. Verweerder stelt dat er geen sprake is van overmacht, dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel en dat de termijn van de invoercertificaten terecht niet is verlengd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer, uitvoer en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (hierna: Verordening (EG) nr. 376/2008) brengt het invoercertificaat het recht en de verplichting mee om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product in te voeren, zulks behoudens overmacht tijdens de geldigheidsduur van het certificaat.

10. Wanneer de verplichting tot invoer niet is nagekomen, wordt op grond van artikel 34, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 376/2008 de gestelde zekerheid verbeurd voor een hoeveelheid die gelijk is aan het verschil tussen 95% van de in het certificaat vermelde hoeveelheid en de daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheid.

11. Artikel 39, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 376/2008 bepaalt dat indien de invoer niet tijdens de geldigheidsduur van het certificaat kan plaatsvinden ten gevolge van een voorval waarvan de handelaar meent dat het een geval van overmacht is, de titularis van het certificaat de bevoegde instantie van de lidstaat van afgifte van het certificaat verzoekt om hetzij de geldigheidsduur van het certificaat te verlengen, hetzij het certificaat te annuleren. Hij levert het bewijs van de door hem als overmacht beschouwde omstandigheden binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat.

12. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) volgt dat inzake landbouwverordeningen het begrip “overmacht” aldus moet worden uitgelegd dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden (vgl. het arrest van het HvJ van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co, C-210/00 en het arrest van het HvJ van 18 maart 2010, SGS Belgium NV, C-218/09).

13. Eiseres stelt dat er sprake is van overmacht. Zij voert hiervoor aan dat er vertraging is ontstaan tijdens het transport van [F] naar Nederland vanwege uitzonderlijk slechte weersomstandigheden in de Egeïsche Zee en de Zwarte Zee, waardoor het door eiseres gecharterde schip de voor haar bestemde tarwe pas 12 dagen later dan de geplande datum van 1 december 2013 kon laden in de haven van [E] . Als gevolg hiervan is het schip pas op 5 januari 2014 in [D] aangekomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een rapport van MeteoConsult overgelegd. Zij heeft niet kunnen voorzien dat het transport van [F] naar Nederland als gevolg van buitengewone weersomstandigheden niet binnen de geldigheidsduur van de invoercertificaten zou aankomen in [D] . Volgens eiseres betreft het een abnormale en onvoorzienbare omstandigheid die vreemd is aan eiseres en waarvan eiseres de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet had kunnen vermijden. Bovendien geldt ten aanzien van invoercertificaat [#2] dat de bekorting van de geldigheidsduur door verweerder deze situatie heeft versterkt. De risico’s kan zij bovendien niet afwentelen op een verzekeringsmaatschappij, omdat daarin niet is voorzien.

14. Verweerder stelt dat in de scheepvaart vertragingen van enkele dagen, zeker als gevolg van stormen in de winterperiode, geen onvoorzienbare situatie vormen die een beroep op overmacht zouden kunnen rechtvaardigen. Eiseres heeft hiermee te weinig rekening gehouden en daarmee bewust het risico genomen dat het schip al bij geringe vertragingen niet meer tijdig in [D] gelost zou kunnen worden. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij alles in het werk heeft gesteld om toch aan haar verplichtingen te voldoen.

15. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 376/2008 brengt het invoercertificaat het recht en de verplichting mee om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product in te voeren. Het is derhalve aan eiseres als rechthebbende en gebruiker van het invoercertificaat om alle mogelijke voorzorgsmaatregelen te nemen om aangifte te doen binnen de geldigheidsduur van het certificaat. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van overmacht. Het door eiseres overgelegde rapport van MeteoConsult is daarvoor onvoldoende, reeds omdat daaruit niet kan worden afgeleid of de hierin geschetste weersomstandigheden tot deze vertraging hebben geleid. Het ontbreken van het scheepsjournaal doet hieraan niet af, nu eiseres onvoldoende heeft gesteld om aannemelijk te achten dat het scheepsjournaal hierin verandering kan brengen. De wijziging van de geldigheidsduur van het invoercertificaat door verweerder maakt dit niet anders. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan immers worden afgeleid dat eiseres bij haar handelen niet is uitgegaan van de aanvankelijk onjuiste datum, het transport van de tarwe was immers al geregeld voordat het desbetreffende invoercertificaat was afgegeven. Tot slot stelt eiseres dat zij de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet had kunnen vermijden, maar zij heeft dit evenmin aannemelijk gemaakt. Uit niets blijkt dat er geen alternatieven waren om de tarwe binnen de geldigheidsduur van het invoercertificaat in de EU in te voeren. Gelet op het overwogene kan niet worden gezegd dat er sprake is van abnormale en onvoorzienbare omstandigheden, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Het beroep van eiseres op overmacht faalt derhalve.

16. Eiseres stelt zich subsidiair ten aanzien van het invoercertificaat met nummer [#2] op het standpunt dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, doordat verweerder de geldigheidsduur heeft gewijzigd van 31 januari 2014 naar 31 december 2013. Hierdoor heeft eiseres de hoeveelheid van dit certificaat niet volledig kunnen gebruiken. Nu deze fout aan verweerder is toe te rekenen, kan dit eiseres niet worden tegengeworpen en heeft verweerder ten onrechte de zekerheid verbeurd verklaard.

Verweerder erkent dat er een fout is gemaakt door een onjuiste geldigheidsdatum op het invoercertificaat te vermelden, doch dit rechtvaardigt geen beroep op het vertrouwensbeginsel, aldus verweerder. Verweerder stelt dat toen hij dit heeft geconstateerd, hij eiseres op 5 december 2013 daarvan in kennis heeft gesteld en de geldigheidsduur een maand heeft verkort tot de in de Verordening (EG) nr. 1067/2008 genoemde wettelijk voorgeschreven datum van 31 december 2013. De aanvankelijke geldigheidsduur was in strijd met Europese regelgeving en volgens jurisprudentie van het HvJ kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet leiden tot aanspraken op financiële voordelen in strijd met geldende Europese regelgeving.

17. Niet in geschil is dat verweerder op het invoercertificaat aanvankelijk een onjuiste geldigheidsduur heeft vermeld. Verweerder heeft deze omissie op 5 december 2013 hersteld. Ook niet in geschil is dat de aanvankelijk onjuist vermelde geldigheidsduur in strijd is met EU-regelgeving, in het bijzonder is sprake van strijd met artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1067/2008 in samenhang met artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1301/2006. Nog daargelaten of eiseres terecht een beroep doet op door verweerder gewekt vertrouwen door het vermelden van een onjuiste geldigheidsduur op het invoercertificaat, zal de rechtbank zich eerst uitlaten over de context waarbinnen dit beroep moet worden beoordeeld. Omdat de afgifte van invoercertificaten wordt beheerst door het Unierecht is de rechtbank van oordeel dat het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel van toepassing is. Op grond van vaste jurisprudentie van het HvJ kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet leiden tot aanspraken op financiële voordelen in strijd met het geldende Europese regelgeving. Nu sprake is van een met het Unierecht strijdige gedraging van verweerder kan dit bij eiseres daarom geen gewettigd vertrouwen wekken (HvJ 20 juni 2013, C-568/11 (Agroferm)). Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

18. Meer subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de geldigheidsduur van de invoercertificaten ten onrechte niet is verlengd op de voet van afdeling 4 van Verordening (EG) nr. 376/2008. Eiseres heeft hiertoe tijdig een verzoek ingediend bij verweerder. Een verlenging van de invoercertificaten zou immers in elk geval voorkomen dat de vrijgave van de zekerheid wordt geblokkeerd. Nog meer subsidiair stelt eiseres dat bij een verlenging van de geldigheidsduur er geen invordering van de zekerheid zou kunnen plaatsvinden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verlenging van de invoercertificaten na de laatste dag van de invoertariefcontingentsperiode niet mogelijk is.

19. Ingevolge artikel 2 van Verordening (EG) 1301/2006 worden contingenten geopend voor een periode van twaalf opeenvolgende maanden (de invoertariefcontingentsperiode). Op grond van artikel 2 van Verordening (EG) 1067/2008 wordt het contingent voor zachte tarwe van GN-code 1001 99 00 ieder jaar op 1 januari geopend en duurt de invoertariefcontingentsperiode derhalve tot en met 31 december 2013. Op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1301/2006 zijn invoercertificaten na de laatste dag van de invoercontingentsperiode hoe dan ook niet langer geldig en kan de geldigheidsduur van een invoercertificaat die eindigt op de laatste dag van de betrokken invoercontingentsperiode in geen geval nog worden verlengd. Uit vorenstaande bepalingen volgt dat verlenging van de invoercertificaten tot een datum gelegen na 31 december 2013 niet is toegestaan. Nu verlenging van de invoercertificaten niet mogelijk is, heeft verweerder terecht het verzoek van eiseres afgewezen. Dat de goederen in het nieuwe jaar alsnog met toepassing van het lage recht in het vrije verkeer zijn gebracht (op basis van het contingent 2014) doet hieraan niet af. De EU-regelgeving voorziet niet in een mogelijkheid om invoercertificaten uitsluitend te verlengen teneinde de zekerheid te kunnen vrijgeven, zoals eiseres voorstaat. Verweerder heeft ook dat verzoek terecht heeft afgewezen.

20. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. A.A. Fase en

mr. A. van Dongen, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.