Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7582

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
4348405 AO VERZ 15-64
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2016:1190, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wwz het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich tegen toepassing van het bewijsrecht, omdat het hier gaat om een procedure - een voorwaardelijk ontbindingsverzoek - die naar zijn aard bedoeld is om op korte termijn de arbeidsovereenkomst te ontbinden, voor het geval dat het ontslag op staande voet geen stand houdt in een bodemprocedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0839
JAR 2015/236
AR 2015/1634
RAR 2015/165
JAR 2015/236
NJF 2015/506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - Locatie Zaanstad

Zaaknr./repnr.: 4348405 AO VERZ 15-64

Uitspraakdatum: 26 augustus 2015

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap Mikropakket Nederland B.V.,

gevestigd te De Bilt

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: Mikropakket

gemachtigde: mr. A.E. Vos te Utrecht

tegen

[naam] ,

wonende te [plaats]

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigden: mr. A. Schoormans-Slob/mr. A.F.R. Avis te Utrecht.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

Mikropakket heeft een (voorwaardelijk) verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [werknemer] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 augustus 2015, gelijktijdig met het kort geding onder zaaknr/rolnr.4319950 VV EXPL 15-70. De processtukken in die zaak, waarin ook vandaag uitspraak wordt gedaan, worden geacht ook in deze procedure te zijn overgelegd.

Ter zitting hebben partijen hun standpunt toegelicht, mr. Vos mede aan de hand van een pleitnota.

[werknemer] heeft een verzoek gedaan om Mikropakket te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 9 BW.

2 De feiten

In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

[werknemer] , geboren op [datum] , is op 2 april 2012 bij Mikropakket in dienst getreden. Hij is werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zijn functie is loodsmedewerker en zijn salaris bedraagt € 2.120,39 bruto per maand. Hij verricht zijn werkzaamheden gewoonlijk te De Bilt gedurende 40 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing.

Mikropakket is een 100% dochter van PostNL Pakketten Benelux B.V. en gespecialiseerd in het transporteren van waardevolle pakketzendingen. De pakketten en zendingen worden bij binnenkomst gescand en vervolgens intern nog diverse keren. In het bedrijf hangen op diverse plaatsen camera’s.

Enkele dagen na 21 mei 2015 heeft een klant van Mikropakket (Goudstandaard B.V.) haar gemeld dat een zending (waarin zich een goed bevond met een waarde van € 77.924,--), die op 22 mei 2015 bezorgd had moeten worden, niet was bezorgd. Het pakket was op 21 mei 2015 door een chauffeur van Mikropakket bij Goudstandaard B.V. opgehaald en gescand. Bij binnenkomst bij Mikropakket is het pakket gescand door het geautomatiseerde Volume-, Gewicht- en Barcodescanapparaat. Na deze geautomatiseerde scan worden pakketten naar de Telescoopband getransporteerd, waar een medewerker de grote pakketten en de kleine pakketten sorteert en (zoveel mogelijk) met de handscan scant. [werknemer] stond daar tijdens zijn dienst van 21 op 22 mei 2015. De grotere pakketten worden gescand en naar de eerste verdieping getransporteerd. De kleinere pakketten worden eveneens gescand en vervolgens in een witte zak gedeponeerd. Als een witte zak vol is gaat deze zak op de transportband naar boven. De grote en kleine pakketten, die niet bij de Telescoopband zijn gescand, worden (onder meer) op de eerste verdieping gescand.

Naast [werknemer] stond tijdens zijn werkzaamheden een bruine doos, die voor afval werd gebruikt. Vóór hij met pauze ging, heeft [werknemer] om 19.53 uur de afvaldoos naar een andere ruimte, waar al een paar stukken karton stonden, gebracht en om 20.16 uur heeft hij de doos en de stukken karton naar buiten gebracht, waar hij ze in een afvalcontainer heeft gegooid.

Om ongeveer 03.15 uur zijn [werknemer] en zijn collega [x] (hierna te noemen: [X] ) in de auto van [werknemer] vertrokken bij Mikropakket.

Op 1 juni 2015 heeft [werknemer] een gesprek gevoerd met twee security medewerkers van PostNL. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt dat is ondertekend door de security medewerkers. [werknemer] heeft geweigerd dit verslag te ondertekenen.

Bij brief van 2 juni 2015 heeft [A] , directeur van Mikropakket, aan [werknemer] meegedeeld:

Op 1 juni 2015 is met u door 2 medewerkers van PostNL Security gesproken over een ingesteld onderzoek naar aanleiding van onregelmatigheden en vermissingen van pakketten in het sorteerproces bij Mikropakket Nederland B.V., Universiteitsweg in De Bilt.

Voor wat betreft de inhoud van dit gesprek en uw verklaring dienaangaande volsta ik hierbij door te verwijzen naar het betreffende schriftelijk verslag daarvan en waarvan u een afschrift heeft ontvangen.

Ter bevestiging van hetgeen u reeds direct na afloop van het hiervoor genoemde gesprek mondeling is medegedeeld deel ik u hierbij nogmaals mede dat u in afwachting van nadere besluitvorming door de heer [b] (manager operations) met onmiddellijke ingang, te weten 1 juni 2015, tot nader order op non-actief bent gesteld. U dient zich wel beschikbaar te houden en bereikbaar te zijn voor uw werkgever. Uw loon zal over de periode van de non-actiefstelling worden doorbetaald.

[b] heeft op 4 juni 2015 telefonisch contact opgenomen met [werknemer] , in welk gesprek hij [werknemer] diens ontslag op staande voet heeft aangezegd.

Bij brief van 8 juni 2015 heeft [C] , Directeur Logistics & Solutions bij Mikropakket, aan [werknemer] geschreven:

“(...) In verband met 2 klachten van de klant Holland Gold en naar aanleiding van onregelmatigheden en vermissingen van pakketten in het sorteerproces bij Mikropakket Nederland B.V. hebben twee medewerkers van PostNL Security met u gesproken op 1 juni 2015. (...) Op de mededeling van eerder genoemde specialisten van PostNL Security dat er op 21 en 22 mei 2015 afwijkingen in het proces op camerabeeld zijn geconstateerd heeft u verklaard dat u zich daarvan niet bewust bent, dat niet weet en u zich daarvan ook niets kan herinneren.

Op camerabeelden is echter te zien dat een postpakket niet op de gebruikelijke en conform de geldende sorteer- en scanprocedure door u wordt verwerkt. Op camerabeeld is te zien dat betreffend pakket midden in het proces en zonder dat daarvoor enige aanleiding is door u apart wordt gelegd en niet in de daarvoor bestemde zak gegooid wordt. (...) Betreffend pakket wordt vervolgens door u in een afvaldoos gegooid waarna deze afvaldoos (incl. het betreffende pakket) later op de avond door u naar de vuilcontainer buiten wordt gebracht. Vervolgens wordt dit pakket later door u uit deze afvalcontainer opgehaald en naar onze mening en overtuiging daarna door u overhandigd aan uw collega M. [X] die het pakket vervolgens in zijn rugtas stopt. Ook dit kunt u zich allemaal niet herinneren dan wel wordt dit door u ontkend. Naar vaste overtuiging van PostNL rijden jullie uiteindelijk gezamenlijk in een auto na afloop van jullie dienst naar huis met het betreffende pakket. Ditzelfde pakket werd daarna door de verzender als vermist en niet door de geadresseerde ontvangen, bij Mikropakket Nederland opgegeven.

Ondanks uw ontkenning is PostNL van mening dat de camerabeelden zoals hiervoor beschreven echter voor zich spreken. Post NL is van mening dat deze beelden bewijzen dat u zich schuldig hebt gemaakt aan het zich niet houden aan de geldende (scan)procedures en het onttrekken van een postpakket aan het proces tijdens uw dienst van 21 op 22 mei 2015.

PostNL is van mening dat u de verplichtingen die voortvloeien uit uw arbeidsovereenkomst ernstig hebt veronachtzaamd. Uw handelwijze is voor PostNL onacceptabel. (....)

Bovengenoemde feiten leveren ieder voor zich danwel in onderlinge samenhang bezien een dringende reden op in de zin van artikel 7:678 BW.

PostNL bevestigt hierbij dan ook dat uw non-actiefstelling (zie aangetekende brief dd 2 juni 2015) per 4 juni 2015 is opgeheven en het met u bestaande dienstverband op grond van (een) dringende reden(en) conform de artikelen 7:677 en 678 BW met onmiddellijke ingang te weten 4 juni 2015 is beëindigd, zoals u reeds op 4 juni 2015 door de heer [b] (manager operations Mikropakket) telefonisch is medegedeeld. (...)

Bij brief van 11 juni 2015 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan Mikropakket onder meer bericht:

Cliënt heeft mij in kennis gesteld van het ontslag op staande voet op 8 juni j.l. (...) Opvallend is dat cliënt wel wordt beschuldigd, maar dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zelf de beelden te bekijken waar men tijdens het gesprek naar verwijst. Overigens is hem tot op heden ook nog geen verslag van het betreffende gesprek zelf overhandigd.(...)

Namens cliënt roep ik uitdrukkelijk de nietigheid van het ontslag in. Het ontslag is verleend zonder dat hieraan een dringende reden ex artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek ten grondslag heeft gelegen. Voorts is het ontslag gegeven zonder toestemming van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van het UWV WERKbedrijf.

Cliënt is bereid en beschikbaar de bedongen arbeid op eerste schriftelijke afroep uwerzijds te verrichten. Hij maakt aanspraak op doorbetaling van loon en emolumenten.(...)

[D] , HR Directeur Logistics Solutions van PostNL Pakketten Benelux B.V. heeft op 15 juni 2015 aan de gemachtigde van [werknemer] geschreven dat [werknemer] ingaande 4 juni 2015 op staande voet is ontslagen wegens geconstateerde onregelmatigheden en vermissingen van pakketten in het sorteerproces bij Mikropakket. Volgens Mikropakket was het ontslag op staande voet gerechtvaardigd. De verklaring, die [werknemer] op 1 juni 2015 ten overstaan van 2 medewerkers van PostNL Security heeft afgelegd, heeft [D] bij zijn brief gevoegd.

3 Het verzoek

Mikropakket verzoekt, voor zover de arbeidsovereenkomst op 4 juni 2015 niet reeds rechtsgeldig is opgezegd bij wege van een ontslag op staande voet, de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e van het BW, zonder toekenning van enige vergoeding aan [werknemer] .

Aan dit verzoek legt Mikropakket ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van [werknemer] , dat zodanig is dat van Mikropakket redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Ter onderbouwing daarvan heeft Mikropakket het volgende naar voren gebracht. [werknemer] heeft zich tijdens zijn dienst in de avond/nacht van 21 op 22 mei 2015 niet gehouden aan de geldende scanprocedures bij Mikropakket en heeft een postpakket (waarin zich gouden staven met een totale waarde van € 77.924,95 bevonden) aan het proces onttrokken.

Zij baseert zich hierbij op scangegevens en camerabeelden, waaruit zou volgen dat [werknemer] tijdens zijn dienst een pakketje opzij heeft gelegd, waarover hij later een witte plastic zak heeft gelegd. Op een gegeven moment heeft [werknemer] de plastic zak opgepakt en die in een bij hem staande bruine afvaldoos gestopt en de zak aangeduwd. [werknemer] heeft een en ander met zijn lichaam afgeschermd. Na deze handeling was het opzij gelegde pakje niet meer aanwezig. Toen bijna alle collega’s met pauze waren gegaan, is de afvaldoos door [werknemer] naar een vrijwel lege ruimte gebracht. Hij heeft de afvaldoos in een hoek gezet met twee stukken karton ervoor. Een kwartier later (tijdens de pauze van de collega’s) is [werknemer] met de doos en de twee stukken karton naar buiten gelopen, in de richting van de zich op het terrein van Mikropakket (buiten het blikveld van de camera’s) bevindende afvalcontainers. Vóórdat [werknemer] en zijn collega [x] na afloop van hun dienst samen in de auto van [werknemer] zijn weggereden, is [X] naar de afvalcontainers gelopen en 3 à 4 minuten weggebleven. Volgens hun naderhand tegenover de securitymedewerkers van PostNL afgelegde verklaringen deed [X] dat om zijn “oortjes” van een telefoon te zoeken. Het vorenstaande volgt uit de diverse camerabeelden, die [b] (hierna ook te noemen: [B] ) en de medewerkers van de interne recherche hebben bekeken en geanalyseerd. Door [B] is bij de politie aangifte gedaan. De politie heeft Mikropakket geadviseerd de camerabeelden niet vrij te geven in verband met het strafrechtelijk onderzoek. Om die reden heeft Mikropakket bij haar verzoekschrift volstaan met het overleggen van enkele foto’s van de camerabeelden. [werknemer] , zijn echtgenote en zijn gemachtigde zijn op 6 augustus 2015 in de gelegenheid gesteld de beelden te bekijken, in aanwezigheid van een medewerker van PostNL Security.

Nadat hij op 1 juni 2015 tegenover de securitymedewerkers zulks eerst had ontkend, heeft [X] tegenover [B] in een gesprek later op die dag bekend zich samen met [werknemer] aan de diefstal van het pakketje te hebben schuldig gemaakt. [werknemer] heeft [B] meegedeeld dat hij nergens iets mee te maken had en van niets wist. In een telefoongesprek, dat [B] (in aanwezigheid van [A] ) de volgende dag met [X] voerde heeft deze laatste (nadat [werknemer] op de achtergrond tegen hem had geroepen “Je vertelt hem niets”) gezegd dat hij niets had gedaan en geen pakketjes had ontvreemd. [werknemer] en [X] zijn op 4 juni 2015 telefonisch door [B] op staande voet ontslagen wegens het zich niet houden aan de geldende (scan)procedures en het onttrekken van een postpakket aan het proces tijdens hun dienst van 21 op 22 mei 2015. De bevestiging van het ontslag is verwoord in de brief d.d. 8 juni 2015 van [C] , Directeur Logistics Solutions bij PostNL Pakketten Benelux B.V.

Voor zover aan het ontslag op staande voet een gebrek mocht kleven, verzoekt Mikropakket de arbeidsovereenkomst op korte termijn voorwaardelijk (voor het geval op enig moment mocht komen vast te staan dat het ontslag op staande voet om enigerlei reden niet in stand zou blijven) te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel e van het BW. Het door haar geschetste feitencomplex kwalificeert zich als verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] , zodanig dat van Mikropakket in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4 Het verweer en het tegenverzoek

[werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat Mikropakket in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe – samengevat – aan dat er geen sprake is van zodanig handelen of nalaten zijnerzijds, dat van Mikropakket niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Van betrokkenheid bij het onttrekken van een pakket aan het bezorgproces is geen sprake, althans zeker geen opzettelijke. Zo het pakket toch in de afvaldoos mocht zijn verdwenen, is dat mogelijk per ongeluk gebeurd. Zeker gelet op het prima functioneren van [werknemer] kan en mag in redelijkheid, zonder enig eerder incident en zonder een verbetertraject, niet direct tot een ontslag worden overgegaan. Wat [X] aan Mikropakket heeft verklaard, is [werknemer] niet bekend, want hij was er niet bij. Van enige bekentenis van [X] is [werknemer] ook niets bekend. Rechtstreeks bewijs hiervan is door Mikropakket niet overgelegd. [werknemer] betwist de juistheid van de door Mikropakket overgelegde verklaring van [B] . Deze is in strijd met hetgeen [X] in dit kader tegen hem heeft gezegd in een telefoongesprek op 2 juni 2015. Voorts ontkent hij dat hij op de achtergrond aanwezig was toen [B] op 2 juni 2015 een telefoongesprek voerde met [X] . [werknemer] betwist de juistheid van de verklaringen van [B] , [E] en Mohmaoud ten aanzien van hetgeen zij zouden hebben verklaard over zijn mogelijke betrokkenheid bij het doen verdwijnen van een pakket. Hij heeft niets met het verdwijnen van het pakket te maken en hij heeft niet op enigerlei wijze samengewerkt met [X] om dat pakket te doen verdwijnen. Nu ook ieder aanvullend bewijs, waaronder technisch bewijs, ontbreekt, kan er aan de verklaringen van voormelde personen geen waarde worden gehecht.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [werknemer] om Mikropakket te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 2.290,02 bruto en een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 9 BW van € 9.808,91 bruto, alsmede om rekening te houden met de negatieve financiële gevolgen, die de fictieve opzegtermijn ex artikel 16 lid 3 WW met zich brengt en in dat kader de geldende opzegtermijn in acht te nemen dan wel daarmee met de vergoeding rekening te houden. Mikropakket heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst ter griffie is ontvangen op 6 augustus 2015, dus na inwerkingtreding van afdeling 9 van Boek 7, titel 10 van het BW / Wet werk en zekerheid (Wwz) op 1 juli 2015. Artikel XXII lid 1 aanhef en onder b. van het Overgangsrecht behorende bij de Wwz bepaalt dat het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 alsmede artikel 665 en afdeling 9 van Boek 7, titel 10 van het BW, zoals deze luidden de dag vóór 1 juli 2015 van toepassing blijven op een opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan vóór dat tijdstip en op de gedingen die daarop betrekking hebben. De Memorie van Toelichting (Parlementaire Geschiedenis Wwz (33 818, nr. 3, p. 126-127) vermeldt ten aanzien van dit artikel onder meer:

“(…) Onderdeel b regelt overgangsrecht voor de situatie dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit kan een situatie zijn waarbij met toestemming van UWV is opgezegd (dan geldt ook op grond van onderdeel a het overgangsrecht) maar kan ook een situatie zijn waarbij zonder toestemming van UWV is opgezegd, bijvoorbeeld een opzegging wegens een dringende reden. Onderdeel b bevat alle vormen van opzeggingen.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan een (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure niet worden aangemerkt als een geding dat betrekking heeft op de opzegging, omdat de ontbindingsprocedure naar haar aard ziet op een andere manier van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in zoverre geen betrekking heeft op de opzegging wegens een dringende reden, zoals in deze zaak aan de orde is. Daaraan doet niet af dat aan het voorwaardelijke ontbindingsverzoek hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als aan het ontslag op staande voet, omdat een ontbindingsprocedure een ander beoordelingskader heeft dan gedingen in het kader van een ontslag op staande voet. Dit brengt mee dat het hier aan de orde zijnde verzoek van Mikropakket moet worden beoordeeld op basis van het per 1 juli 2015 geldende recht.

In de zaak van het verzoek

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen (voorwaardelijk) moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 van het BW.

In het kader van het inmiddels vervallen artikel 7:685 van het BW is aanvaard dat een werkgever, nadat een werknemer de nietigheid van een ontslag op staande voet heeft ingeroepen, een gerechtvaardigd belang kan hebben bij voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst blijkt niet te zijn geëindigd door dat ontslag (zie: HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4670; NJ 1984/296). De kantonrechter ziet geen reden om voor een ontbinding met toepassing van artikel 7:671b lid 1 van het BW tot een ander oordeel te komen. De omstandigheid dat tegen een beschikking tot ontbinding op grond van artikel 7:671b lid 1 van het BW, anders dan in geval van een beschikking op grond van artikel 7:685 van het BW, hoger beroep mogelijk is, betekent niet dat de werkgever geen belang meer kan hebben bij voorwaardelijke ontbinding. In hoger beroep kan een beschikking tot ontbinding immers worden bekrachtigd of kan de zaak worden beslecht door toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 van het BW, in plaats van door herstel van de arbeidsovereenkomst. In dergelijke gevallen heeft de beschikking tot voorwaardelijke ontbinding, ondanks hoger beroep, het door de werkgever beoogde effect, te weten (zekerheid over de) beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hetzelfde geldt in geval partijen afzien van hoger beroep of dat beroep later intrekken.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich tegen toepassing van het bewijsrecht. Het gaat hier immers om een procedure die naar zijn aard bedoeld is om op korte termijn de arbeidsovereenkomst te ontbinden, voor het geval dat het ontslag op staande voet geen stand houdt in een bodemprocedure. Dat sprake zou zijn van omstandigheden, die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden, is door Mikropakket niet (voldoende) aannemelijk gemaakt.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 van het BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 van het BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

Mikropakket voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen van [werknemer] , zodanig dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Mikropakket in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, in samenhang met het gevoerde debat ter zitting, geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, van het BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de brief van 8 juni 2015 van Mikropakket en de toelichting op de zitting volgt dat Mikropakket de feiten die zij ten grondslag legt aan het verwijtbaar handelen van [werknemer] heeft ontleend aan eerdergenoemde camerabeelden. Volgens Mikropakket kunnen de gedragingen van [werknemer] die uit die beelden blijken niet anders worden begrepen dan als het onttrekken van een postpakket aan het proces door het niet te scannen en door het te laten verdwijnen. [werknemer] ontkent ten stelligste dat hij een pakket zou hebben gestolen of kwijt gemaakt. Van enige opzet aan het doen verdwijnen van welk pakket ook is volgens hem geen sprake. Hij kan evenwel niet uitsluiten dat een pakket per ongeluk in de vuilnisbak is terechtgekomen.

Vooropgesteld wordt dat het zich niet houden aan de geldende (scan)procedures en het onttrekken van een postpakket aan het proces, op zichzelf geen verwijtbaar handelen oplevert als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, van het BW, maar alleen dan indien [werknemer] hierbij de intentie had om een pakket te laten verdwijnen. Niet gesteld is immers dat hij herhaaldelijk de scanprocedure heeft veronachtzaamd en hierop gewezen is. Het verwijt dat [werknemer] een postpakket heeft onttrokken aan het proces, impliceert dat [werknemer] de intentie had om een pakket te laten verdwijnen. Zonder deze intentie, zou het ook geen redelijke grond voor de ontbinding kunnen geven omdat een pakket ook per vergissing kan worden onttrokken aan het sorteerproces. Op de beelden die ter zitting door Micropakket zijn getoond, is namelijk te zien dat er veel pakketten in de ruimte verwerkt worden en dat deze op verschillende plaatsen naast de sorteerband worden neergelegd door werknemers van Micropakket. Afgaande op de beelden en hetgeen daaromtrent ter zitting is verklaard door Micropakket, is het verwerkingsproces niet dusdanig ingericht dat het niet mogelijk is of nagenoeg onmogelijk is om fouten te maken bij het handmatig scannen en het sorteren van de pakketten.

De kantonrechter heeft de camerabeelden met partijen op de zitting bekeken en besproken. De beelden zijn tevoren niet aan [werknemer] en de kantonrechter ter beschikking gesteld. Anders dan in het geval van zijn collega [X] zijn de camerabeelden [werknemer] niet getoond in het gesprek met de twee medewerkers van PostNL Security op 1 juni 2015. Na veel aandringen hebben [werknemer] en zijn gemachtigde op 6 augustus 2015 de beelden onder toezicht van [F] , een medewerker van PostNL Security, kunnen bekijken.

Afgaande op de camerabeelden en gelet op de toelichting van partijen is de kantonrechter er niet van overtuigd dat [werknemer] zich moedwillig niet heeft gehouden aan de geldende (scan)procedures en een postpakket heeft onttrokken aan het sorteerproces. Dit geldt temeer nu Mikropakket in de procedure heeft volstaan met het overleggen van enkele foto’s. De camerabeelden, waarop Mikropakket zich beroept, zijn weliswaar getoond op de zitting (waarbij de film op verzoek van de kantonrechter op onderdelen is herhaald), maar het had op de weg van Mikropakket gelegen om de camerabeelden tevoren aan de gemachtigde van [werknemer] en de kantonrechter ter voorbereiding van de zitting ter hand te stellen. De kantonrechter kan zich op basis van de vertoning ter zitting onvoldoende een beeld vormen van hetgeen zich heeft voorgedaan. Hoewel sommige gedragingen op het eerste gezicht wat “verdacht” lijken, heeft [werknemer] op de zitting daarvoor een verklaring gegeven die voldoende geloofwaardig is. De kantonrechter heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Op de camerabeelden is te zien dat [werknemer] op een pakketje, dat hij apart heeft gelegd nadat het eerder was gevallen, afvalmateriaal legt, te weten een witte plastic tas, waarin de pakjes zaten die door [werknemer] al waren verwerkt. Te zien is dat [werknemer] die witte plastic tas op het apart gelegde pakje neerlegt en aandrukt, waarna een en ander door [werknemer] wordt verschoven. Waarheen het pakje en de plastic tas worden verschoven en of het pakje daarbij in de afvaldoos terechtkomt, is op de camerabeelden niet te zien, zoals door Mikropakket ook is erkend. Voor Mikropakket is hetgeen daarna gevolgd is voldoende om te concluderen dat het pakje door toedoen van [werknemer] in de vuilcontainer is beland en daar na afloop van de dienst van [werknemer] en [X] door de laatste is uitgehaald. Ook dat is echter niet op de camerabeelden te zien. De kantonrechter acht het weliswaar begrijpelijk dat door Mikropakket vraagtekens zijn geplaatst bij de bedoelingen van [werknemer] met het apart leggen van het pakje, het plaatsen van de plastic zak, het aandrukken daarvan en het verschuiven de doos met daarop het pakje onder de plastic zak, omdat het pakje vervolgens is verdwenen, maar dat is onvoldoende voor de verzochte ontbinding. [werknemer] heeft verklaard dat hij geen kwade bedoelingen had en het pakje niet opzettelijk in de afvaldoos heeft laten verdwijnen. Bovendien acht hij het mogelijk dat het pakje niet in de afvaldoos is terechtgekomen, maar op de vloer is gevallen dan wel dat het pakje door een collega is opgepakt en in de afvaldoos is gegooid of door een collega is vervreemd. Gelet op de camerabeelden kan de kantonrechter niet uitsluiten dat de lezing van [werknemer] kan kloppen. Dat [werknemer] tegenover Mikropakket steeds heeft volstaan met een blote ontkenning van de hem gemaakte verwijten, valt te verklaren door het feit dat hij niet eerder dan op 6 augustus 2015 de beelden heeft mogen zien van Mikropakket.

Door Mikropakket is voorts nog gesteld dat uit de verklaringen van [b] en [E] zou volgen dat [werknemer] zou zijn te verwijten dat het postpakket aan het sorteerproces is onttrokken. De kantonrechter volgt deze stelling niet. Uit deze verklaringen blijkt dat [X] tegenover deze personen heeft verklaard dat hij onjuist heeft gehandeld en dat [X] tegenover hen heeft verklaard dat [werknemer] hierbij betrokken was. [werknemer] zelf heeft tegenover deze personen echter niets verklaard. Volgens [b] was [werknemer] op de achtergrond te horen toen hij (in aanwezigheid van [A] ) op 2 juni 2015 een telefoongesprek met [X] voerde, hetgeen door [werknemer] ten stelligste is ontkend. Echter, ook in het geval dat aangenomen wordt dat [werknemer] op de achtergrond tegen [X] zou hebben gezegd “Je vertelt hem niets”, zoals [b] verklaart te hebben gehoord, dan is zulks op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat [werknemer] het pakketje moedwillig aan het sorteerproces heeft onttrokken.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek zal worden afgewezen en dat de proceskosten voor rekening van Mikropakket komen omdat zij ongelijk krijgt.

In de zaak van het tegenverzoek

[werknemer] heeft verzocht, voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, om Mikropakket te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 2.290,02 bruto en een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 9 BW van € 9.808,91 bruto, alsmede om rekening te houden met de negatieve financiële gevolgen, die de fictieve opzegtermijn ex artikel 16 lid 3 WW met zich brengt en in dat kader de geldende opzegtermijn in acht te nemen dan wel daarmee met de vergoeding rekening te houden.

Nu de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden, behoeft op dit tegenverzoek niet te worden beslist, zodat het verder buiten beschouwing kan blijven.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

wijst het verzoek van Mikropakket af;

veroordeelt Mikropakket tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 500,--.

In de zaak van het tegenverzoek

verstaat dat dit verzoek geen beslissing behoeft.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Korteweg, kantonrechter, en op 26 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter