Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7414

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
15-004031
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

bezwaarschrift 77p Sr

Taakstraf was formeel nog niet gestart, nu het hoger beroep tegen de strafzaak nog niet was ingetrokken. Dat veroordeelde reeds was begonnen met het uitvoeren van de taakstraf maakt dit niet anders.

Bezwaarschrift gegrond, veroordeelde mag zijn taakstraf opnieuw aanvangen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77p
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Kinderrechter

Registratienummer: 15-004031

Parketnummer: 15/028715.15

Uitspraakdatum: 27 augustus 2015

Beslissing (art. 77p Sr.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 22 juli 2015 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. M. Berbee ingediend bezwaarschrift, gedateerd 22 juli 2015 van

[veroordeelde] [veroordeelde], veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] ) [woonplaats] , [adres]

domicilie kiezende te Den Helder, ten kantore van M. Berbee, advocaat.

Het bezwaarschrift is gericht tegen de kennisgeving, gedateerd 21 juli 2015, van de officier van justitie in dit arrondissement. In die kennisgeving wordt veroordeelde medegedeeld dat de door de kinderrechter in deze rechtbank bij vonnis van 14 april 2015 opgelegde vervangende jeugddetentie ten uitvoer zal worden gelegd.

Op 27 augustus 2015 is dit bezwaarschrift op een terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Veroordeelde is in persoon verschenen, bijgestaan door M. Berbee, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. R. Mud.

2 Beoordeling

Bij voormeld, onherroepelijk geworden, vonnis is veroordeelde een taakstraf opgelegd in de vorm van een werkstraf voor de duur van twintig uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door tien dagen jeugddetentie.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 juni 2015 blijkt, dat op 20 mei 2015 een intakegesprek met veroordeelde heeft plaatsgevonden. Veroordeelde had aangegeven dat het hoger beroep tegen de strafzaak zou worden ingetrokken en dat hij zijn werkstraf gewoon wilde doen. Veroordeelde is op 30 mei 2015 begonnen bij Rataplan en heeft in totaal 3 uur gewerkt. Op de bewakingsbeelden is vastgelegd dat veroordeelde een pakje sigaretten heeft gestolen van een collega. De werkstraf is vervolgens als mislukt beschouwd. Veroordeelde zegt de sigaretten alleen maar geleend te hebben. Op 17 juni 2015 bleek dat het hoger beroep tegen de strafzaak niet was ingetrokken, maar gelet op het feit dat veroordeelde had aangegeven het appel te willen intrekken en omdat hij zelf op het afgesproken tijdstip zich had gemeld, kon de werkstraf toch opgestart worden.

Veroordeelde heeft er op gewezen, dat hij graag nog een kans wil om de werkstraf uit te voeren.

De raadsman heeft erop gewezen dat de werkstraf nog niet had mogen starten, nu het hoger beroep tegen de strafzaak niet was ingetrokken. De zaak kon formeel gezien derhalve ook niet worden teruggemeld. De raadsman verzoekt het bezwaar gegrond te verklaren en veroordeelde nog een kans te geven de resterende zeventien uur werkstraf uit te voeren. De straf uitzitten in een jeugdgevangenis is niet in het belang van veroordeelde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat nu veroordeelde akkoord is gegaan met de werkstaf, hij voornemens was het hoger beroep in te trekken en hij ook daadwerkelijk gestart is met de uitvoering, de werkstraf als gestart en mislukt mag worden beschouwd.

Veroordeelde dient desondanks nog een laatste kans te krijgen de resterende uren werkstraf ten uitvoer te kunnen leggen, nu het zitten in een jeugdgevangenis niet in zijn belang is. Het bezwaar dient derhalve gegrond te worden verklaard.

De kinderrechter is van oordeel dat –hoewel de wet hierover niet expliciet iets bepaalt- aangenomen moet worden dat de omzetting van een taakstraf door de officier van justitie eerst aan de orde is, wanneer het een door de rechter opgelegde en voorts als mislukt te beschouwen taakstraf betreft, waarbij het vonnis kracht van gewijsde heeft. Naar het oordeel van de kinderrechter valt dit uit de systematiek van de wetgeving in deze op te maken. Zo spreekt art. 77q van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bijvoorbeeld expliciet van het feit dat het Openbaar Ministerie slechts een bevel kan geven krachtens artikel 77p, eerste lid (Sr) binnen drie maanden na afloop van de termijn, waarbinnen de arbeid moet zijn verricht. Daarmee wordt aannemelijk dat sprake moet zijn van een bij onherroepelijk vonnis dwingend opgelegde –en niet zoals in casu min of meer vrijwillige- start van de taakstraf.

Daarmee kan de taakstraf, bestaande uit een werkstraf, formeel nog niet als aangevangen en mislukt worden beschouwd. In onderhavig geval liep op het moment van de negatieve terugmelding door de Raad voor de Kinderbescherming op 17 juni j.l. nog een door verdachte ingesteld hoger beroep, dat eerst op 18 juni j.l. is ingetrokken. Veroordeelde mag derhalve (opnieuw) beginnen met het uitvoeren van zijn volledige werkstraf van 20 uur.

Uit het vorenstaande volgt dat het bezwaarschrift gegrond zal worden verklaard.

3 Beslissing

De kinderrechter:

Verklaart het bezwaarschrift gegrond.

Wijzigt het bevel van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie als volgt:

bepaalt dat veroordeelde de volledige taakstraf van 20 uren alsnog kan aanvangen en dat deze straf tot 27 maart 2016 kan worden afgerond;

bepaalt dat – indien de taakstraf op 27 maart 2016 niet zal zijn afgerond – het opgeschorte bevel tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie weer volledige rechtskracht krijgt;

bepaalt dat – indien de taakstraf op 27 maart 2016 zal zijn afgerond – het opgeschorte bevel tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie komt te vervallen.

Deze beslissing is gegeven door

mr. F.A. Egter van Wissekerke, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. I. Hermans, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2015.