Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7377

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
C/15/230932/KG ZA 15/643
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geschil tussen maten in een maatschap die tot doel heeft de exploitatie van een klein windmolenpark. Overeengekomen is dat de windmolens vervangen zullen worden. Er is in december 2014 ook een intentieverklaring ondertekend door de maten om in zee te gaan met een bepaalde partij voor een bepaald soort molens.

Vanaf begin dit jaar wil één van de maten die weg niet meer bewandelen en heeft zijn zinnen gezet op molens van een ander type en een andere leverancier.

Daarover geschil ontstaan.

De overige maten vorderen nu medewerking. voor 1 september 2015 moet de subsidie die is verleend voor de nieuwe molens veilig gesteld worden door het geven van een koopopdracht.

Vordering maten wordt grotendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1960
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

CVZ/JB

KG nummer: C/15/230932/KG ZA 15/643

datum: 28 augustus 2015

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. de maatschap naar burgerlijk recht [eiseres],

gevestigd te [plaats], gemeente [naam]

2) [eiser 1]

wonende te [plaats],

3) [eiser 2],

wonende te [plaats]

4) [eiser 3]

wonende te [plaats],

5) [eiser 4],

wonende te [plaats],

6) [eiser 5],

wonende te [plaats],

ieder voor zich en als maat van eiseres sub 1,

EISERS IN KORT GEDING,

advocaat mr. J. Schröder te Nijmegen,

tegen:

[gedaagde]

wonende te Berkhout,

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

advocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem.

Partijen zullen verder worden genoemd “de maatschap” respectievelijk “[gedaagde]”.

1 HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 26 augustus 2015 zijn verschenen namens de maatschap de heren [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 4] vergezeld van de heer [naam] (LBP-Sight), de heer [naam] (WEA) en mevrouw [naam] (Administratiekantoor [naam]), bijgestaan mr. Schröder voornoemd en [gedaagde] vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Schram voornoemd.

De maatschap heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

[gedaagde] heeft onder overlegging van producties de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van de maatschap de originele dagvaarding en producties, en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2 DE UITGANGSPUNTEN

2.1

Naast eisers sub 2 t/m 5 is [gedaagde] maat van de maatschap. Het doel van de maatschap is het voor gezamenlijke rekening exploiteren en onderhouden van de windmolens die de maten ieder voor zich en in maatschapsverband bezitten. Iedere maat heeft één windmolen in eigendom die in exploitatie is gegeven aan de maatschap. Daarnaast hebben de zes maten gezamenlijk de eigendom van een zevende windmolen, ieder voor 1/6e deel. Ook deze windmolen wordt geëxploiteerd door de maatschap.

2.2

De maatschapsovereenkomst houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“(…)

IN AANMERKING NEMENDE

(…)

- Dat ieder der maten een windmolen zal verkrijgen die zal zijn gelegen aan de [adres] te [plaats], gemeente [naam];

- Dat de maatschap aldaar eveneens één windmolen zal verkrijgen;

- Dat de eigenaren van de windmolens het onderhoud en de exploitatie van deze, in totaal zeven windmolens voor hun gezamenlijke rekening wensen te regelen;

(…)

DOELOMSCHRIJVING

Artikel 2

1. De maatschap heeft ten doel het voor gezamenlijke rekening exploiteren en onderhouden van de windmolens die de maten ieder voor zich en in maatschapsverband bezitten en voorts het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande rechtstreeks of zijdelings in verband kan staan, alles in de meest ruime zin.

(…)

VOORTZETTINGSBEDING

Artikel 15

Bij beëindiging van de maatschap door een oorzaak gelegen aan de kant van één van de maten hebben de navolgende personen het recht om het aandeel van de uitgetreden maat voort te zetten, (…)

De eigendom van de eigen-, alsmede van de gezamenlijke windmolen en de daarbij behorende rechten op de grond, waarop de windmolen(s) staat/staan, zal vervolgens binnen zes maanden, aan de als voortzettende maat optredende persoon/personen (tezamen in mede-eigendom) worden geleverd.

(…)

UITTREDING

Artikel 16

1. Wanneer een maat ophoudt maat te zijn, wordt naast de balans en de winst- en verliesrekening, (…) een tweede balans en winst- en verliesrekening opgemaakt, waarop de activa (waaronder begrepen de eigen zowel als de gezamenlijke windmolen) en passiva worden opgevoerd naar de waarde in het economisch verkeer.

(…)

8. De maten die de activa van de maatschap ingevolge het bepaalde in artikel 15 overnemen zijn verplicht aan de maat die ophield lid van de maatschap te zijn (…) uit te keren diens kapitaal, volgens de balans opgemaakt overeenkomst artikel 10 lid 2, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de weerwaarde of minderwaarde, berekend (…) De uitbetaling vindt plaats met inachtneming van artikel 18.

LIQUIDATIE

Artikel 17

1. Wanneer de maatschap eindigt door opzegging als bedoeld in artikel 4 en geen voortzetting door een van de maten plaatsvindt, zal de maatschap worden geliquideerd en wel door de maten tezamen.

(…)

UITBETALING

Artikel 18

1. Wanneer de maatschap eindigt en de andere maten of een van hen de exploitatie van de maatschap al dan niet met derden voortzet, dan zal het restant van de lopende financieringsverplichtingen worden overgenomen door de maatschap en zullen de voortzettende maten de tegenwaarde van het aandeel van de uittredende maat, na aftrek van de door de maatschap over te nemen financieringsverplichting, aan hem (…) worden uitbetaald in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn opeisbaar is twaalf maanden na de dag van beëindiging van de maatschap (…)”

2.3

In het intern reglement van de maatschap is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

3. Voor het nemen van rechtsgeldige besluiten door de maatschap is een eenvoudige meerderheid van stemmen voldoende (…)

2.4

Op 1 september 2014 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten name van de maatschap een beschikking tot subsidieverlening afgegeven. Deze beschikking houdt onder meer het volgende in:

(…) Ik heb besloten voor uw project subsidie te verlenen tot een maximum van

€ 11.805.750,00.

De subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een vergoeding per geproduceerde MWh (…)

Ik wijs u erop dat de in de bijlage van de beschikking onder ‘verplichtingen’ genoemde termijnen voor opdrachtverstrekking en ingebruikname zijn gekoppeld aan de datum waarop de beschikking aan u is verzonden.

Het kan zijn dat de startdatum van de subsidie die u in uw aanvraag heeft vermeld en die in deze beschikking is overgenomen binnenkort verstrijkt. Indien gewenst kunt u uitstel aanvragen. Dit uitstel dient u voorafgaand aan het verstrijken van de startdatum aan te vragen.

(…)

2. Subsidieperiode

De subsidie wordt verleend over de periode:

De subsidieperiode start op 1 juli 2015

(…)

In de bijlage bij de subsidiebeschikking is voor zover van belang het volgende vermeld:

(…)

Verplichtingen

Er zijn een aantal verplichtingen waaraan u moet voldoen om subsidie te krijgen.

 U verstrekt binnen een jaar na verzending van deze brief opdrachten voor de levering van onderdelen voor de productie-installatie en opdrachten voor de bouw van productie-installatie en zendt Rijksdienst voor Ondernemend Nederland hiervan een afschrift (…)

 Voor wijzigingen in bijvoorbeeld locatie, tenaamstelling, vermogen, datum ingebruikname, startdatum subsidie en andere wijzigingen moet u vooraf toestemming vragen aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (…)

2.5

Naar aanleiding van een aanvraag van de maatschap om 7 bestaande windturbines van het type Vestas V52 te vervangen door 7 windturbines van het type Gamesa G52 heeft de gemeente Koggenland op 1 juli 2014 een omgevingsvergunning afgegeven aan de maatschap voor het vervangen van de 7 bestaande windturbines. Voor het verkrijgen van deze vergunning is door de maatschap een leges betaald van € 86.625,00.

2.6

In december 2014 heeft de maatschap een door alle maten ondertekende intentieverklaring opgesteld die onder meer het volgende inhoudt:

Overwegende dat:

1. LT (vzr.: de maatschap) en WB (vzr. Wind Brokers) in onderhandeling zijn over de koop, respectievelijk verkoop van 7 nieuwe G52-850-T49 windturbines van de fabrikant Gamesa alsmede over de verkoop, respectievelijk koop van de bestaande 7 Vestas V-62/850-49 windturbines in eigendom bij LT;

2. De onderhandelingen tussen LT en WB hebben geresulteerd in een concept overeenkomst met bijlagen dienaangaande;

3. Op het moment van ondertekening van deze intentieverklaring door LT, LT nog enkele aanpassingen in de laatste concept overeenkomst en/of bijlagen verlangt waaronder, maar mogelijk niet beperkt tot, aanpassingen die betrekking hebben op details van de omschrijving van het financieringsvoorbehoud en de mogelijkheid tot, onder voorwaarden, de verkoop van de bestaande 7 Vestas V-52/850-49 windturbines aan een andere partij dan WB;

(…)
5. LT zekerheid wil over het feit dat Gamesa als fabrikant, ook na 31 december 2014 de levering van de 7 nieuwe G52-850-T49 windturbines aan WB garandeert;

(…)

Verklaart LT:

Mits aan bovenstaande voorbehouden (…) genoegzaam tegemoet zal worden gekomen c.q. deze zullen worden verwerkt in de uiteindelijke overeenkomst en/of bijlagen, de intentie te hebben een definitieve overeenkomst met WB te sluiten, door middel van ondertekening van de aan te reiken overeenkomst met bijlagen (…)

2.7

Tussen de maten die als eisers optreden en [gedaagde] is begin 2015 verschil van mening ontstaan over de voortgang van de voorgenomen vervanging van het windmolenpark dat in de maatschap wordt geëxploiteerd. Dit geschil ziet voornamelijk op de keuze voor Gamesa turbines en voor Wind Brokers als contractspartij bij de koopovereenkomst.

2.8

Bij brief van 3 juni 2015 heeft de advocaat van de maatschap het volgende meegedeeld aan [gedaagde]:

Namens de overige maten van de maatschap (…) vraag ik dringend uw aandacht voor het volgende.

Zoals u weet, is de maatschap al geruime tijd bezig zich te oriënteren op de aanschaf van nieuwe windmolens. Uiteindelijk is maar een type windmolen dat in aanmerking komt om de oude windmolens te vervangen. Vanwege het feit dat deze windmolens binnenkort uit productie worden genomen en de maatschap de toegezegde subsidie kwijtraakt indien geen nieuwe windmolens worden aangeschaft, is de maatschap genoodzaakt op zeer korte termijn knopen door te hakken over de aanschaf van de nieuwe windmolens.. (…)

De maatschap kan derhalve niet langer met u in discussie blijven. (…)

Niettemin willen de overige maten een en ander zo mogelijk voor u op een passende wijze oplossen. Namens hen leg ik u dan ook de volgende twee opties voor:

(…)

Indien u niet binnen de hierna gestelde termijn voor één van beide opties kiest en binnen redelijke termijn de daarna op te stellen vaststellingsovereenkomst tekent, zien de overige maten geen andere mogelijkheid dan de samenwerking met u in de maatschap te beëindigen. De overige maten zullen dan de zes windmolens vervangen (…) Vanwege de duurzaam ontwrichte verhouding tussen u en de overige maten, zien zij geen andere oplossing dan dat u zelfstandig verder gaat met de exploitatie van uw eigen windmolen en dit niet meer in maatschapsverband plaatsvindt. (…)

2.9

Groen heeft bij mail van 12 juni 2015 zijn standpunt nogmaals duidelijk gemaakt aan de overige maten. Hij besluit deze e-mail met de tekst:

Ik hoop dat jullie door bovenstaande nog voor september wakker geschud worden en dat het eindelijk tot jullie doordringt dat of het gehele park wordt vervangen door een EWT/Enercon of helemaal niets. Een andere optie is er niet! Indien jullie halsstarrig de doodlopende Gamesa-weg blijven volgen, dan is het einde verhaal maar helaas geldt dit dan ook voor jullie zelf.

2.10

Bij brief van haar advocaat van 30 juni 2015 heeft de advocaat van de maatschap aan [gedaagde] meegedeeld dat de overige maten geen andere mogelijkheid rest dan het maatschapscontract met [gedaagde] op te zeggen waardoor dit maatschapscontract zal eindigen tegen het einde van het boekjaar, te weten 31 december 2015.

2.11

Op 19 februari 2015 heeft Wind Brokers aan [gedaagde] een brief gezonden waarin zij hem heeft meegedeeld dat zij geen overeenkomst met hem wilde sluiten voor de aanschaf van een Gamesa turbine. In een brief van 13 augustus 2015 heeft zij [gedaagde] meegedeeld dat hij de eerdere brief als niet verzonden kan beschouwen en dat hij bij Wind Brokers een overeenkomst voor de aanschaf van een nieuwe Gamesa turbine kan afsluiten.

3 DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

De maatschap vordert dat [gedaagde] bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld om

1. binnen twee dagen na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00 aan de overige maten ter beschikking te stellen:

a) de gehele administratie van de maatschap;

b) de bankpassen van de bankrekening die de maatschap aanhoudt bij de ING Bank, alsmede de inlogcodes voor het internetbankieren;

c) archief van de maatschap;

a. binnen twee dagen na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00 aan de ING Bank kenbaar te maken dat hij niet meer betalingsbevoegd is om betalingen voor en namens de maatschap te doen en zich tevens van het doen van dergelijke betalingen te onthouden;

b. binnen twee dagen na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1 .000,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00 het formulier voor de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, zoals dat als productie 26 in het geding is gebracht, te ondertekenen en ter beschikking te stellen aan de overige maten;

c. op verzoek van de overige maten mee te werken aan de financieringsaanvraag ten behoeve van de maatschap voor de vervanging van het windmolenpark en zich te onthouden van opmerkingen jegens de financiers die het verkrijgen van de financiering in gevaar zouden brengen, beide vorderingen op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding;

d. de koopovereenkomst zoals de overige maten die voornemens zijn te sluiten met Wind Brokers op eerste verzoek van de overige maten onmiddellijk te tekenen en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking tot het ondertekenen van voornoemde koopovereenkomst, indien [gedaagde] zijn medewerking weigert, althans, voor zover niet wordt bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking tot het ondertekenen van de koopovereenkomst, indien [gedaagde] zijn medewerking weigert, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00 voor elke dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.000000,00;

e. een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, die recht doet aan de belangen van de maatschap;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2

De maatschap legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] misbruik maakt van zijn bevoegdheid als maat in de maatschap dan wel in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid die de maten jegens elkaar in acht dienen te nemen. Zij stelt dat [gedaagde] ten onrechte weigert zijn medewerking te verlenen aan de voortgang van de voorgenomen vervanging van het windmolenpark in de maatschap. Zij voert aan dat [gedaagde] wel de intentieverklaring ondertekend heeft in december 2014 om met Wind Brokers in zee te gaan voor de aanschaf van Gamesa turbines ter vervanging van de bestaande, maar dat hij thans bezwaren stelt te hebben zowel tegen Gamesa als tegen Wind Brokers. Volgens de maatschap weigert [gedaagde] mee te werken met geen ander doel dan de overige maten te schaden. Hij is enkel bezig de zaak te traineren. De maatschap voert aan dat voor 1 september a.s. de koopovereenkomst met Wind Brokers moet worden gesloten omdat de maatschap anders de verleende subsidie kwijt raakt.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. In de eerste plaats heeft hij aangevoerd dat de maatschap onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat voor zover sprake zou zijn van tijdsdruk dit door de maatschap zelf in het leven is geroepen door gedurende acht maanden geen, dan wel onvoldoende actie te ondernemen. Voorts heeft hij betoogd dat in verband met de subsidie uitstel kan worden gevraagd zodat de deadline van 1 september 2015 feitelijk geen deadline behoeft te zijn.

3.4

Voor zover hij in dit betoog niet zal worden gevolgd heeft hij inhoudelijk verweer gevoerd. In dat verband heeft hij verklaard dat er feitelijk geen conflict is binnen de maatschap omdat het doel van de maatschap is om de windmolens te exploiteren en het vervangen van de windmolens niet onder de exploitatie valt. Hij heeft verder verklaard dat hij niet gehouden kan worden als privépersoon voor zijn eigen windmolen dan wel zijn eigendomsdeel in de gezamenlijke windmolen een koopovereenkomst en/of een financiering aan te gaan die hij niet wil en zeker niet met een partij in wie hij geen vertrouwen heeft. Hij heeft aangevoerd dat er geen noodzaak bestaat om de gezamenlijke windmolen te slopen en te vervangen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij overigens wel bereid is om mee te werken aan vervanging van de gezamenlijke molen, maar niet door een molen van Gamesa. Er zijn betere leveranciers die molens kunnen leveren die meer rendement zullen opleveren, maar de overige maten zijn niet bereid serieus naar zijn voorstellen te luisteren, aldus Groen. Tot slot heeft hij aangevoerd dat de toegekende subsidie en de verkregen vergunning ook voor andere molens gebruikt kunnen worden of dat de vergunning hooguit een kleine revisie behoeft.

3.5

Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna inhoudelijk worden ingegaan op de verschillende standpunten.

4 DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4.1

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de maatschap onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Ter zitting is door de maatschap gemotiveerd uiteengezet dat het niet mogelijk is zonder enig risico uitstel te vragen van de datum waarvoor de maatschap verplichtingen aan moet gaan teneinde de subsidie veilig te stellen. Weliswaar is dit door [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap betwist, maar hieraan wordt voorbij gegaan. Ook het betoog van [gedaagde] dat de maatschap de tijdsdruk zelf heeft gecreëerd door lange tijd niets te ondernemen faalt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat men meerdere pogingen heeft ondernomen de afgelopen maanden om met [gedaagde] overeenstemming te bereiken of anderszins tot een oplossing te komen, helaas zonder resultaat. Dat tijdsverloop kan de maatschap niet worden tegengeworpen. Om die reden wordt geoordeeld dat de maatschap voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar actie jegens [gedaagde].

Ten aanzien van de afgifte van administratie, bankpassen en dergelijke en archief

4.2

Door de maatschap is onder meer gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot afgifte van de administratie, bankpassen en inlogcodes en het archief van de maatschap.

4.3

Door [gedaagde] is ter zake van de administratie verklaard dat hij geen administratie van de maatschap onder zich heeft. Aangezien de maatschap niet nader heeft gespecificeerd welke administratie [gedaagde] onder zich zou hebben, wordt dit deel van de vordering afgewezen.

4.4

Met betrekking tot de bankpassen heeft [gedaagde] erkend dat hij deze onder zich heeft en dat hij als enige betalingsbevoegd is voor de maatschap. Hij heeft betoogd dat hij bereid is de bankpassen over te dragen als de maatschap daadwerkelijk eindigt tegen 31 december 2015, maar dat er geen enkele grond bestaat om reeds thans over te gaan tot afgifte van de bankpassen, omdat ingediende facturen die betrekking hebben op de maatschap tot op heden gewoon worden voldaan. Ook heeft hij betwist dat er een geldig maatschapsbesluit is genomen waarin hem de betalingsbevoegdheid is afgenomen.

4.5

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De maatschap heeft gesteld dat er op 16 juli 2015 door de maatschap is besloten dat [gedaagde] niet langer namens de maatschap betalingsbevoegd is. Ofschoon de maatschap een besprekingsverslag van een vergadering van 16 juli 2015 heeft overgelegd, valt daaruit voorshands niet het gestelde besluit af te leiden. Wel worden er actiepunten genoemd waaronder een machtiging aan [medewerker administratiekantoor] om de betalingsbevoegdheid om te zetten bij de ING bank. Wat daarvan zij, de tussen maten geldende redelijkheid en billijkheid brengt mee dat een dergelijk besluit wordt aangekondigd zodat [gedaagde] zich daarover zou kunnen uitlaten. Ofschoon in het intern reglement niets wordt gezegd over de wijze van besluitvorming kan dit besluit gelet de wijze waarop het kennelijk is genomen niet zonder meer tegen [gedaagde] worden tegengeworpen. Daarbij geldt dat in het licht van de betwisting door [gedaagde] door de maatschap haar belang bij onmiddellijke afgifte van de bankpassen onvoldoende nader is onderbouwd. Niet is gebleken dat [gedaagde] bij hem ingediende facturen van de maatschap onbetaald laat. Om voormelde redenen wordt geoordeeld dat de maatschap haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd en ook geen spoedeisend belang heeft bij dit deel van haar vordering zodat het om die reden zal worden afgewezen.

4.6

Ten aanzien van het archief heeft [gedaagde] erkend dat hij dit in zijn bezit heeft. Hij heeft onvoorwaardelijk toegezegd het archief direct te zullen afgeven. Gelet op deze toezegging, die door de maatschap niet in twijfel is getrokken, wordt geoordeeld dat de maatschap geen belang meer heeft bij toewijzing van dit deel van zijn vordering.

Ten aanzien van de mededeling aan de ING Bank

4.7

De vordering om [gedaagde] te veroordelen aan de ING Bank kenbaar te maken dat hij niet langer betalingsbevoegd is namens de maatschap wordt afgewezen, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen en beslist.

Ten aanzien van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel

4.8

Ter zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard bereid te zijn medewerking te verlenen aan de gevorderde inschrijving van de maatschap bij de Kamer van Koophandel. Hij heeft toegezegd het formulier dat bij de dagvaarding is overgelegd te ondertekenen en dit persoonlijk naar de Kamer van Koophandel te brengen. Gelet op deze toezegging heeft de maatschap ook geen belang meer bij toewijzing van dit deel van haar vordering.

Ten aanzien van de medewerking aan de financieringsaanvraag

4.9

Gelet op het hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, ziet deze vordering uitsluitend op de benodigde medewerking van [gedaagde] aan de financieringsaanvraag voor de vervanging van de molen die gezamenlijk eigendom is van [gedaagde] en de overige maten. Door de maatschap is immers onweersproken gesteld dat de overige windmolens door de maten afzonderlijk worden aangeschaft en dat de “zevende” windmolen door de maatschap wordt aangeschaft.

4.10

Door [gedaagde] is verklaard dat hij niet bereid is en niet gehouden kan worden de financieringsaanvraag mede te ondertekenen, nu hij niet gedwongen kan worden verplichtingen aan te gaan voor de komende 15 jaar waar hij niet achter staat. Hij heeft benadrukt dat de aanschaf van een nieuwe molen door de maatschap niet behoort tot het exploitatiedoel binnen de maatschap.

4.11

In dit betoog wordt hij niet gevolgd. In artikel 2 van de maatschapsovereenkomst is opgenomen dat de maatschap ten doel heeft het voor gezamenlijke rekening exploiteren en onderhouden van de windmolens die de maten ieder voor zich en in maatschapsverband bezitten en voorts het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande rechtstreeks of zijdelings in verband kan staan, alles in de meest ruime zin. Gelet op deze omschrijving is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook het vervangen van een oude molen door een nieuwe molen teneinde beter rendement te behalen behoort tot de exploitatie en het onderhoud van een windmolen. Bovendien is door [gedaagde] de noodzaak van vervanging van de molen om een beter rendement te verkrijgen niet, althans onvoldoende, weersproken, integendeel. Ook hij is voor vervanging, alleen door een ander type dan zijn overige maten voorstaan.

4.12

Nu [gedaagde] voor 1/6e deel mede-eigenaar is van de gezamenlijke molen en de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de maatschapsovereenkomst tot eind december 2015 nog bestaat (nu deze op regelmatige wijze is opgezegd), is hij als maat in de maatschap gehouden zijn medewerking te verlenen aan de financieringsaanvraag voor de vervanging van de gezamenlijke molen. Daarbij is door de maatschap onvoldoende weersproken gesteld dat [gedaagde] geen investeringen hoeft te doen en er per 31 december 2015 met hem zal worden afgerekend, zodat hij ook om die reden geen langlopende verplichtingen zal hebben.

4.13

Ten aanzien van de vordering om [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van het maken van opmerkingen die de financiering van de gezamenlijke molen in gevaar zouden kunnen brengen tegenover de beoogde financiers, wordt het volgende overwogen. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] zijn eigen bezwaren ten opzichte van de aanschaf van Gamesa turbines via Wind Brokers ook kenbaar heeft gemaakt aan de beoogde financiers, als gevolg waarvan deze financiers ‘kopschuw’ geworden zijn. Desgevraagd heeft [gedaagde] ter zitting geen toezegging willen doen om zich ten aanzien van de gezamenlijke molen van dergelijke opmerkingen tegenover de beoogde financiers te onthouden. Hij heeft benadrukt dat hij het een kwalijke zaak vindt en dat hij de vrijheid wil houden hierover te praten met de bank als hij bijvoorbeeld daar komt praten over de financiering van zijn eigen windmolen. Onder die omstandigheden wordt geoordeeld dat de maatschap voldoende belang heeft bij toewijzing van ook dit deel van zijn vordering.

4.14

De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming is eveneens toewijsbaar, zij het dat deze zal worden gematigd en er een maximum zal worden verbonden aan de te verbeuren dwangsommen, op de wijze als hierna onder ‘de beslissing’ te vermelden.

Ten aanzien van de koopovereenkomst met Wind Brokers

4.15

Tot slot heeft de maatschap gevorderd dat [gedaagde] veroordeeld wordt de koopovereenkomst mede te ondertekenen. Uit het debat ter zitting is gebleken dat het de koopovereenkomst betreft die de maatschap met Wind Brokers wil sluiten ten aanzien van de vervanging van de “zevende molen” die de maten in gezamenlijke eigendom hebben.

4.16

Ook in dit verband is door [gedaagde] betoogd dat hij niet gehouden kan worden een koopovereenkomst mede te ondertekenen met een partij die hij niet vertrouwt en op grond van welke overeenkomst hij verschillende verplichtingen aan zal gaan voor de langere termijn. Daarbij heeft hij nog betoogd dat het concept van de koopovereenkomst zoals deze thans voorligt te risicovol is voor de kopers, terwijl het zeer de vraag is of Wind Brokers verhaal zal bieden als er iets mis gaat. Voorts heeft hij aangevoerd dat er geen noodzaak bestaat om de gezamenlijke molen te vervangen.

4.17

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In de maatschapsovereenkomst is in aanmerking genomen dat de maatschap ook een windmolen zal verkrijgen aan de [adres] te [plaats]. Ofschoon de bestaande gezamenlijke molen nog het gemeenschappelijk eigendom is van de maten, is het kennelijk de bedoeling dat de nieuwe molen door de maatschap wordt aangeschaft. Nu voor besluitvorming in de maatschap een meerderheid van stemmen voldoende is en geen unanimiteit overeengekomen is, gebiedt de redelijkheid en billijkheid dat [gedaagde] als maat in de maatschap, ondanks zijn afwijkende mening, zijn medewerking aan vervanging van deze molen door de maatschap dient te verlenen. Gebleken is dat er twee typen windmolens in aanmerking komen om de oude molens te vervangen, het gaat dan om een Gamesa dan wel een Enercon. (Ter zitting is door [gedaagde] verklaard dat het aanvankelijk ook door hem geopperde EWT type niet geschikt is). Nu voorshands gebleken is dat beide typen zouden kunnen voldoen, maar dat Gamesa een vaste inruilprijs voor de oude molen garandeert, is het standpunt van de overige maten om te opteren voor de Gamesa niet op voorhand onredelijk of onbegrijpelijk. Als enige kan [gedaagde] dit besluit tot aanschaf van een Gamesa door de maatschap dan ook niet “vetoën”. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat [gedaagde] de intentieverklaring tot aankoop van een Gamesa heeft mede ondertekend en zich aldus ook heeft gecommitteerd om dit traject in te slaan voor zover het de maatschap betreft. Ter zitting is ook gebleken dat het een en ander onverlet laat dat hij zijn eigen molen kan vervangen door een type dat hij zelf wil. Dat [gedaagde] als maat moet meewerken klemt temeer nu niet kan worden uitgesloten dat de aanschaf van deze molen door de maatschap van belang kan zijn voor het veilig stellen van de subsidie die immers op naam van de maatschap is verstrekt. Zo wordt, naast de individueel door de vijf als eisers optredende maten aan te schaffen molens, tenminste één molen aangeschaft door de maatschap en wordt daarmee in ieder geval strikt genomen aan de subsidievoorwaarden voldaan. [gedaagde] dient derhalve zijn medewerking te verlenen aan het sluiten van een koopovereenkomst door de maatschap. Het standpunt van [gedaagde] dat hij daarmee voor jaren verbonden zal zijn aan allerlei verplichtingen ten aanzien van de molen gaat, zoals reeds overwogen, niet op. De maatschapsovereenkomst is op regelmatige wijze opgezegd aan [gedaagde] tegen 31 december 2015. Na beëindiging dient een afwikkeling plaats te vinden van het aandeel van Groen in de maatschap, zowel ten aanzien van zijn rechten als van zijn verplichtingen.


Algemeen

4.18

Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van de maatschap zoals deze bij dagvaarding zijn ingesteld grotendeels toegewezen kunnen worden. Voor zover de maatschap zijn vorderingen in zijn pleitnota heeft willen vermeerderen met een vordering de opzegging van de maatschap reeds te laten ingaan per 1 september 2015, wordt geoordeeld dat de enkele vermelding daarvan in de pleitnota zonder aankondiging van vermeerdering van eis vooraf, te laat en in strijd met de goede procesorde is zodat daaraan voorbij gegaan zal worden.

4.19

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt [gedaagde] op verzoek van de overige maten mee te werken aan de financieringsaanvraag ten behoeve van de maatschap voor de vervanging van de gezamenlijke molen in het windmolenpark en zich te onthouden van opmerkingen jegens de financiers die het verkrijgen van die financiering in gevaar zouden brengen, beiden na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom van

€ 5.000,-- per overtreding met een maximum van € 50.000,--;

- veroordeelt [gedaagde] de koopovereenkomst zoals de maatschap die voornemens is te sluiten ten aanzien van de vervanging van de gezamenlijke molen met Wind Brokers op eerste verzoek van de overige maten onmiddellijk te tekenen en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] aan het ondertekenen van die koopovereenkomst indien [gedaagde] niet binnen één dag na het eerste verzoek van de overige maten daaraan gevolg heeft gegeven of indien Groen zijn medewerking weigert;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de maatschap begroot op € 692,47 aan verschotten en op € 816,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. J. Blokland, voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2015 in tegenwoordigheid van

C. Vis-van Zanden, griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist