Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7347

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 706
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De korpschef van de politie heeft aan eiser wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van vermindering van het salarisnummer met een jaar voor de duur van een jaar opgelegd. Eiser heeft als chef van dienst twee agenten opdracht gegeven om op afroep bijstand te verlenen aan een collega die een conflict had met de huurder van een woning waarvan zij eigenaar was. De korpschef verwijt eiser dat hij ten onrechte rechtvaardiging voor de inzet van politie aanwezig achtte, dat hij de inzet vanuit zijn eigen wijkteam heeft laten plaatsvinden hoewel de woning in een ander werkgebied lag, en dat hij niet heeft ingegrepen toen hem uit telefonische contacten bleek dat de agenten aanwezig waren bij de uitzetting van bewoners uit de woning. Volgens de korpschef is mede door eisers handelwijze het aanzien van de politie geschaad. De rechtbank is van oordeel dat eiser inschattingsfouten heeft gemaakt die tezamen moeten worden gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. Juist in een geval waarin met politie-inzet niet een burger maar een collega van de politie in een privésituatie wordt gediend, had eiser extra kritisch moeten zijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 14/706

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. W.J. Dammingh),

en

de korpschef van de politie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Fransen-Rabbering).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van vermindering van het salarisnummer met één jaar voor de duur van één jaar opgelegd. Bij besluit van 27 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser, geboren in [geboortejaar] , is op [datum 1] in dienst getreden van de politie. Ten tijde van het hierna genoemde incident had hij de functie van projectleider 8 in de rang van brigadier bij de regionale eenheid [locatie 1] , district [locatie 1] , wijkteam [locatie 2] .

1.2.

Op [datum 2] 2013 aan het eind van de middag en in het begin van de avond, toen eiser functioneerde als chef van dienst van het wijkteam, heeft een ernstig incident plaatsgevonden. Een collega van betrokkene, mevrouw [naam collega] , is eigenaar van een appartement in [plaats] . Deze woning was door haar vanaf begin december 2012 verhuurd aan de heer [naam 1] . Omdat deze volgens [naam collega] zijn financiële verplichtingen niet nakwam, is zij op [datum 2] 2013 met haar partner, de heer [naam 2] , eveneens een politieambtenaar, naar die woning gegaan. Beiden hadden op dat moment geen dienst en waren niet geüniformeerd. Zij zijn daar binnengetreden en hebben de daar aanwezige personen de woning uitgezet. Bij dit incident waren ook twee geüniformeerde collega’s van eiser, een hoofdagent en een aspirant, aanwezig. Eiser had in zijn hoedanigheid als chef van dienst deze collega’s opdracht gegeven op afroep bijstand te verlenen aan [naam collega] en [naam 2] . Mevrouw [naam 3] , de collega van wie betrokkene de dienst had overgenomen, had hem in hoofdlijnen geïnformeerd over de situatie en gezegd dat een dergelijke vorm van bijstand haar nuttig voorkwam.

Het binnentreden van de woning en het uitzetten van de bewoners was onrechtmatig.

1.3.

Naar dit incident is strafrechtelijk onderzoek ingesteld waarbij de betrokken politiemedewerkers als verdachten zijn aangemerkt. Het Openbaar Ministerie heeft besloten eiser niet te vervolgen.

2. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp hoort tot de straffen die kunnen worden opgelegd, vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

3.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de hoor- en bezwaarcommissie als motivering ten grondslag gelegd. Zoals daaruit blijkt zijn het primaire en het bestreden besluit gebaseerd op de hierna genoemde drie verwijten aan eiser.

3.2.

In de eerste plaats verwijt verweerder eiser dat hij rechtvaardiging voor de inzet van politie aanwezig achtte. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser, volgens zijn eigen verklaring, twijfels had over de juistheid van dit verzoek, maar ondanks zijn ervaring als beslisser van dienst en genoemde twijfel verzuimd heeft na te gaan of er voldoende noodzaak bestond voor de aanwezigheid van politie ter plaatse. Eiser is aldus met name nalatig geweest in de wijze waarop hij met het verzoek tot inzet is omgegaan. Hij is een ervaren chef van dienst en in die hoedanigheid wordt van hem verwacht dat hij consciëntieus omgaat met verzoeken tot inzet die hem voorgelegd worden. Eiser wordt verweten dat hij is afgegaan op de enkele mededeling van [naam 3] dat inzet aan de orde was, en dat hij daarmee heeft verzuimd het verzoek op waarde te schatten en hier onvoldoende kritisch naar heeft gekeken. Dit had te meer in de rede gelegen nu het ging om een (directe) collega van het wijkteam en er sprake was van inzet in een ander werkgebied. Volgens verweerder miskent eiser zijn eigen verantwoordelijkheid met de aanname dat de wijkteamchef akkoord was, omdat dit zou blijken uit wat hij van [naam 3] had gehoord. Volgens verweerder kon de inzet van de politie slechts tot doel hebben [naam collega] en [naam 2] bij de behartiging van hun privébelangen bij te staan zonder dat uitoefening van de politietaak daar grond voor bood. De wijze waarop de politie bij de zaak betrokken is geweest, is in strijd met alles waarvoor de politie behoort te staan.

Dat eiser dit niet heeft onderkend is volgens verweerder een zodanig ernstige inschattingsfout dat die als plichtsverzuim moet worden aangemerkt.

3.3.

Het tweede verwijt aan eiser is dat hij de inzet vanuit zijn eigen wijkteam heeft laten plaatsvinden, terwijl dit, omdat het appartement in het werkgebied van het wijkteam [plaats] ligt, vanuit het wijkteam aldaar had moeten plaatsvinden. In dit bijzondere geval was het optreden buiten het eigen werkgebied extra onwenselijk omdat het ging om een zaak waar een collega van het eigen wijkteam privé bij betrokken was. Eiser heeft voorts nagelaten bij zijn wijkteamchef of diens plaatsvervanger te verifiëren of deze akkoord was met de gepleegde inzet van personeel, hetgeen wel van hem verwacht had mogen worden. Het een en ander moet volgens verweerder als plichtsverzuim worden aangemerkt.

3.4

Het derde verwijt is dat eiser in de twee telefonische contacten die hij gedurende het incident heeft gehad met de daar aanwezige geüniformeerde collega’s onvoldoende heeft doorgevraagd en niet heeft ingegrepen. Ook de nalatigheid van eiser in deze fase moet volgens verweerder als plichtsverzuim worden aangemerkt.

3.5

Het geheel overziend is verweerder van mening dat het plichtsverzuim van eiser in zijn totaliteit als ernstig plichtsverzuim moet worden aangemerkt. Bij het bepalen van de hoogte van de disciplinaire straf heeft verweerder laten meewegen dat eiser heeft laten blijken spijt te hebben over de gang van zaken. In het primaire besluit heeft verweerder afgezien van het aanvankelijke voornemen om eiser gedurende twee jaar niet te laten optreden als chef van dienst, omdat inmiddels was gebleken dat eiser na zijn terugkeer op de werkvloer nadat hij geschorst was geweest die dienst al weer enige tijd had verricht.

4.1.

In beroep onderschrijft eiser, met verwijzing naar de door hem ingediende zienswijze en zijn bezwaarschrift, verweerders standpunt dat het incident niet had mogen gebeuren.

Eiser erkent dat de rechten van de huurders zijn geschonden en dat het imago van de politie is geschaad. Achteraf bezien beseft eiser dat de inzet van de politie niet gerechtvaardigd was. Eiser heeft daarvan geleerd. Hij is echter van mening dat geen sprake is van strafwaardig plichtsverzuim maar van een – ernstige – inschattingsfout die in een functioneringsgesprek aan de orde kan komen.

4.2.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft tijdens de uitoefening van zijn dienst als chef van dienst inschattingsfouten gemaakt die tezamen moeten worden gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. Daartoe is van belang dat eiser niet alleen een onjuiste beoordeling heeft gemaakt ten aanzien van de inzet van de geüniformeerde collega’s en de dienstauto, maar ook, zoals verweerder heeft vastgesteld, op verschillende momenten niet heeft gehandeld zoals van hem in zijn functie van chef van dienst en leidinggevende verwacht had mogen worden. Er zijn verschillende beslismomenten aangegeven waarop eiser een onjuiste keuze heeft gemaakt.

4.3.

Eiser heeft in beroep zijn stelling herhaald, dat er wel situaties denkbaar zijn waarin, vanwege de openbare orde, politie op de achtergrond beschikbaar wordt gehouden. Eiser blijft erbij dat hij mocht afgaan op wat zijn collega [naam 3] hem vertelde en dat hij heeft mogen begrijpen dat de inzet al was toegezegd en door de leidinggevende akkoord was bevonden. Volgens eiser is ten onrechte geoordeeld dat hij het initiatief in handen van [naam collega] heeft gelegd.

4.4.

De rechtbank verwerpt deze beroepsgronden. Niet is gebleken van een situatie waarin zich een probleem met de openbare orde voordeed waarin de inzet van politie vanuit een ander district noodzakelijk was. Juist in een geval waarin met de inzet niet een burger maar een collega van de politie in een privésituatie wordt gediend, had eiser extra kritisch moeten zijn op de mededelingen van zijn collega. Dat eiser tegen de betrokken collega’s gezegd zou hebben dat ze niet anders moesten handelen dan bij een gewone burger doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank mag van een politieambtenaar met eisers kennis en ervaring een kritischer houding verwacht worden. Eiser kan zich met de verwijzing naar de inlichtingen van zijn collega niet disculperen.

5.1.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit plichtsverzuim eiser niet valt toe te rekenen.

6.1.

Ter zitting heeft verweerder, tot verrassing van de rechtbank, meegedeeld dat de disciplinaire straf als gevolg van een interne communicatiestoornis niet ten uitvoer is gelegd en dat verweerder heeft besloten dit niet alsnog te doen. Dit neemt niet weg dat verweerder de straf van vermindering van één salarisnummer voor de duur van één jaar juist acht.

6.2.

Eiser meent dat de disciplinaire straf onevenredig is en niet in verhouding staat tot het gepleegde verzuim. Hij wijst erop dat de salariskorting in het Barp als een van de zwaarste straffen is vermeld. Ter zitting heeft eiser ingeschat dat de korting ongeveer € 66,- bruto per maand, over een jaar ongeveer € 500,- netto zou zijn geweest. Hij meent dat in het geheel geen straf opgelegd zou moeten worden en heeft de rechtbank verzocht om, ondanks dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, een oordeel over de evenredigheid van de opgelegde straf te geven.

6.3.

De rechtbank ziet, gezien de aard en ernst van het plichtsverzuim, in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de opgelegde straf onevenredig is. Dat eiser, indien de straf wel ten uitvoer was gelegd, daardoor onevenredig zou zijn getroffen is niet gebleken. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat, reeds bij het primaire besluit, eisers spijt van het gebeurde tot strafvermindering heeft geleid.

7. De conclusie is dan ook dat de beroepsgronden niet slagen en dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffiegeld bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Beijen, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. W.B. Klaus, leden, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.