Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7298

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
RC 15/1972
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking op een verzoek van een verdachte in het kader van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/199

Uitspraak

Rechtbank NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht

Sectie Straf

Rechter-commissaris

RC-nummer : 15/1972

Parketnummer : (nog niet bekend)

Beschikking op een verzoek van een verdachte in het kader van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering

De rechter-commissaris heeft bij faxbericht van 14 augustus 2015 een verzoek ontvangen van mr. T.H. Kapinga, raadsman van de volgende verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

volgens eigen opgave zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Het verzoek houdt het volgende in:

“Op donderdag 13 augustus 2015 om 18.38 uur is cliënt, de heer [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in verzekering gesteld wegens verdenking van schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd (artikel 239, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). In de media wordt deze strafzaak ook wel aangeduid als de zaak van ‘de rennende rukker’.

Uit navraag bij het Arrondissementsparket Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling ZSM, blijkt dat momenteel nog geen vervolgingsbeslissing is genomen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Alkmaar van 9 februari 1995, NJ 1995, 487 (…), verzoek ik u onverwijld tijd en plaats van het verhoor van cliënt te bepalen teneinde de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling van cliënt te toetsen.

Cliënt meent dat hij apert onrechtmatig in verzekering is gesteld, nu zijn aanhouding onrechtmatig is geweest. (…)

(…)

Namens cliënt verzoek ik u dan ook de inverzekeringstelling van cliënt onrechtmatig te oordelen en zijn onmiddellijke invrijheidstelling te bevelen.”

De rechter-commissaris heeft naar aanleiding van de ontvangst van dit faxbericht met spoed telefonisch contact opgenomen met de zogenoemde weekdienst van het Openbaar Ministerie en gesproken met de parketsecretaris [parketsecretaris] . De rechter-commissaris heeft hem in het kort de aard en de strekking van het verzoek van de raadsman medegedeeld en hem verzocht om een officier van justitie zo spoedig mogelijk een reactie op het verzoek te laten geven. Een afschrift van het verzoek is aan de weekdienst toegezonden.

Kort hierop heeft de zaaksofficier van justitie mr. A. van Eck telefonisch contact opgenomen met de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de tekst van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), op het standpunt gesteld dat het verzoek van de raadsman niet voor inwilliging vatbaar is. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de wet expliciet vermeldt dat de rechter-commissaris bedoelde tijd en plaats van het verhoor bepaalt, na daartoe van de officier van justitie een verzoek te hebben ontvangen. Niet is in de wet vermeld dat de verdachte, of diens raadsman, ook een dergelijk verzoek kan indienen. Gelet hierop en nu de door de raadsman aangehaalde uitspraak op zichzelf lijkt te staan, dient het verzoek te worden afgewezen, aldus de officier van justitie.

Vanwege de vereiste spoed heeft de rechter-commissaris afgezien van het (nader) horen van verdachte en/of diens raadsman op het onderhavige verzoek.

Beoordeling

Artikel 59a Sv luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

1. Uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord voor de rechter-commissaris geleid.

2. De rechter-commissaris bepaalt, na daartoe van de officier van justitie een verzoek te hebben ontvangen, onverwijld tijd en plaats van het verhoor en geeft hiervan kennis aan de officier van justitie, de verdachte en de raadsman.

3. (…)

4. De verdachte kan bij zijn verhoor de rechter-commissaris zijn invrijheidstelling verzoeken.

5. Indien de rechter-commissaris de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. In het andere geval tekent de rechter-commissaris zijn beslissing in het proces-verbaal van het verhoor aan of, ingeval de verdachte een verzoek tot invrijheidstelling heeft gedaan, wijst de rechter-commissaris het verzoek af. De aantekening wordt door de rechter-commissaris gewaarmerkt.

6. (…)

De rechter-commissaris stelt met de officier van justitie vast dat in het tweede lid van artikel 59a Sv is vermeld dat de rechter-commissaris de tijd en plaats van het verhoor bepaalt, na daartoe van de officier van justitie een verzoek te hebben ontvangen. In dit artikellid is niet vermeld dat (ook) de verdachte, of diens raadsman, een dergelijk verzoek kan indienen. Voorts wordt ingevolge het eerste lid van artikel 59a Sv de verdachte “uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding” voor de rechter-commissaris geleid. In dat artikellid is niet vermeld dat dit “onverwijld na de aanhouding” dient te gebeuren.

Gelet hierop dient naar het oordeel van de rechter-commissaris uitgangspunt te zijn dat de rechter-commissaris pas over gaat tot een verhoor (“toets”) in de zin van artikel 59a Sv, nadat hij van de officier van justitie daartoe een verzoek (vordering) heeft ontvangen.

Een aangehouden en in verzekering gestelde verdachte wordt echter wel vastgehouden. Daarmee wordt ernstig inbreuk gemaakt op wezenlijke grondrechten als (kort gezegd) “vrijheid” en “persoonlijke levenssfeer”. Bescherming van deze grondrechten is onder meer te vinden in de artikelen 10 en 15 van de Grondwet en de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop is de rechter-commissaris van oordeel dat een aangehouden en in verzekering gestelde verdachte die meent dat hij “apert onrechtmatig” wordt vastgehouden, zich tot een rechter moet kunnen wenden en dat die rechter in een situatie als de onderhavige, de rechter-commissaris behoort te zijn in plaats van de (rest) kort gedingrechter.

Het voorgaande leidt ertoe dat, in afwijking van eerder vermelde uitgangspunt, de rechter-commissaris ook over zal kunnen gaan tot een toets in de zin van artikel 59a Sv, indien hij van de verdachte, of diens raadsman, daartoe een verzoek heeft ontvangen mits in dat verzoek voldoende concreet en nauwkeurig is gesteld dat en waarom verdachte apert onrechtmatig wordt vastgehouden.

De rechter-commissaris is van oordeel dat het onderhavige verzoek van de raadsman niet aan deze laatste voorwaarde voldoet. Daarbij heeft de rechter-commissaris het volgende in aanmerking genomen.

De raadsman heeft gesteld dat zijn cliënt onrechtmatig is aangehouden, nu op het moment dat de officier van justitie het bevel heeft gegeven om verdachte (buiten heterdaad) aan te houden ter zake van artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), bij de officier van justitie niet bekend kon zijn dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Derhalve heeft de officier van justitie de aanhouding buiten heterdaad bevolen ter zake van een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten (artikel 239 Sr is als zodanig geen VH-feit). Dit maakt dat de aanhouding onrechtmatig is en ook de daaropvolgende inverzekeringstelling, aldus de raadsman.

De rechter-commissaris overweegt dat het bij een toets in de zin van artikel 59a Sv gaat om een toets van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling in plaats van de rechtmatigheid van de aanhouding. Het vijfde lid van deze bepaling houdt ook in dat indien de rechter-commissaris de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte beveelt. Weliswaar gaat het bij de aanhouding en de inverzekeringstelling vaak om grotendeels dezelfde feiten en omstandigheden, maar net als bij bevelen inzake de voorlopige hechtenis (de zogenoemde schottentheorie), is de rechter-commissaris van oordeel dat eventuele gebreken aan de aanhouding niet automatisch en zonder meer doorwerken in de inverzekeringstelling.

Verdachte is in verzekering gesteld ter zake van artikel 239 Sr. Voorts is niet in geding dat verdachte in Nederland geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, hetgeen in elk geval op het moment van de inverzekeringstelling bij de hulpofficier van justitie bekend was. Gelet hierop en gezien artikel 67, tweede lid, Sv is verdachte in verzekering gesteld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Onvoldoende gesteld en gebleken is dat deze inverzekeringstelling apert onrechtmatig is.

De rechter-commissaris ziet geen reden om van eerder vermeld uitgangspunt af te wijken. Derhalve dient het verzoek van de raadsman niet ontvankelijk te worden verklaard.

Beslissing

De rechter-commissaris verklaart het verzoek niet ontvankelijk.

Deze beslissing is mondeling genomen op 14 augustus 2015 en wordt in deze beschikking schriftelijk vastgelegd.

Deze beschikking is gegeven op 21 augustus 2015 door mr. S. Jongeling, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland.