Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7297

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
1581007112
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; witwassen (uitvoer van een groot geldbedrag te luchthaven Schiphol).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810071-12 (P)

Uitspraakdatum: 21 augustus 2015

Tegenspraak (artikel 279 Sv)

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] [verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. Vollebregt en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam, naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 februari 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid bankbiljetten (ter waarde van ca. 24.495 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemde hoeveelheid bankbiljetten, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden, dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 22 februari 2012 voeren verbalisanten op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een controle uit op het vervoer van liquide middelen die de Europese Unie verlaten. Een voor hen onbekende mannelijke passagier geeft desgevraagd aan dat hij 20.000 euro bij zich heeft en dat hij hiervan geen aangifte heeft gedaan. Het blijkt te gaan om [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: verdachte).

De verbalisanten zien dat verdachte zenuwachtig is terwijl hij vertelt samen te reizen met zijn vrouw en dat de helft van het geld, 10.000 euro, van haar is. Verdachte toont het geld op verzoek van een verbalisant en haalt een stapel biljetten van 500 euro uit de binnenzak van een jack dat hij uit zijn handbagage haalt. Bij nader onderzoek voelt de verbalisant in diezelfde binnenzak een verdikking. Daar blijkt zich nog een stapel met biljetten van 500 euro te bevinden. In totaal betreft het geld dat uit de binnenzak van het jack komt een bedrag van 23.500 euro, bestaande uit 43 biljetten van 500 euro en 20 biljetten van 100 euro. Nadat verdachte eerst nogmaals verklaart met zijn vrouw te reizen, antwoordt hij dienaangaande op een vraag van verbalisanten, dat hij met zijn tante reist. Daarop besluiten verbalisanten de betreffende vrouw aan te spreken. Zij verklaart dat ze verdachte wel kent vanuit Marokko, maar dat zij niet zijn tante is en dat zij ook niet met hem samen reist. Daarmee geconfronteerd, bevestigt verdachte dat hij inderdaad niet met de vrouw reist en dat ze ook geen familie is.

Bij de fouillering wordt in de rechter achterbroekzak van verdachte nog eens een bedrag van 950 euro aangetroffen, bestaande uit 19 biljetten van 50 euro. Tenslotte wordt in zijn portemonnee een bedrag van 45 euro aangetroffen, bestaande uit een biljet van 20 euro, 2 biljetten van 10 euro en een biljet van 5 euro.2 Verdachte wist dat hij een aanzienlijk hoger bedrag, te weten 24.500 euro bij zich droeg dan de 20.000 euro die hij desgevraagd heeft opgegeven aan de douane. 1.000 euro bevond zich immers in zijn portemonnee en zijn achterzak. Het restant, 23.500 euro, bevond zich in de binnenzak van zijn jas. Desgevraagd verklaart hij bij de douane dat het slechts een bedrag van 20.000 euro betrof.3

3.3.

Bewijsoverweging

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de desbetreffende voorwerpen (in dit geval: een geldbedrag) middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

Verdachte heeft verklaard dat het geld dat hij bij zich had afkomstig is uit illegale gokpraktijken. In eerste instantie verklaart verdachte dat hij het geld heeft gewonnen in een illegaal casino in Gouda. Later geeft verdachte aan dat hij pokert en op uitslagen van voetbalwedstrijden wedt in illegale gokhuizen in [geboorteplaats] , Den Haag en Gouda en dat hij, in de twee à drie voorbije maanden, daarbij het geld heeft gewonnen. Naar aanleiding van die verklaring heeft de raadsvrouw van verdachte zich op het standpunt gesteld dat daarmee vaststaat dat het geld van enig misdrijf afkomstig is, namelijk het eigen misdrijf van verdachte in de vorm van deelname aan illegale gokpraktijken. Deze stelling van verdachte heeft hij echter, behalve door zijn eigen verklaring, op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Evenmin is hiervan gebleken uit het onderzoek dat door het Openbaar Ministerie is verricht naar de financiën van verdachte.

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank voorop dat er geen (direct) bewijs aanwezig is dat het onder verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is van deelname aan illegale gokpraktijken noch van enig ander misdrijf dat door hemzelf is gepleegd.

De rechtbank is vervolgens op grond van de volgende feiten en omstandigheden van oordeel dat er ten aanzien van verdachte desondanks sprake is van een vermoeden van witwassen.

Verdachte voldeed bij vertrek op Schiphol aan een aantal van de zogenaamde ‘typologieën inzake witwassen’. Zo heeft hij de verplichting tot aangifte van liquide middelen boven een bedrag van 10.000 bij vertrek van de luchthaven Schiphol, genegeerd. Toen aan verdachte werd gevraagd hoeveel contant geld hij met zich voerde, verklaarde hij dat het een bedrag van 20.000 euro betrof, terwijl hij wist dat het in feite om 24.495 euro ging. Bovendien verklaarde hij met zijn vrouw samen te reizen en dat zij de eigenaar was van de helft van het bedrag. Dit is des te opvallender omdat de aangifteplicht slechts geldt indien men per persoon 10.000 euro of meer bij zich heeft. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte kennelijk de meldgrens heeft willen ontduiken.

Vervolgens heeft verdachte, bij het tonen van het geld aan de douane, niet al het geld dat zich in de binnenzak van zijn jack bevond getoond, maar slechts een gedeelte daarvan. Als verbalisanten het jack verder controleren en verdachte daarna ook fouilleren, wordt een tweede geldbedrag in de binnenzak van het jack ontdekt en daarnaast nog een aanzienlijk geldbedrag in zijn broekzak.

Niet zelden worden via Schiphol grote bedragen in contanten, die middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig zijn, in- of uitgevoerd. Het fysieke vervoer van een dergelijk groot bedrag in contanten via de internationale luchtvaart door een particulier is hoogst ongebruikelijk vanwege het risico op diefstal daarvan. Dat risico wordt in het algemeen slechts genomen wanneer er sprake is van het verbergen van crimineel geld. Daarbij valt verder nog op dat verdachte een groot gedeelte van dit geldbedrag met zich meedroeg in biljetten van 500 euro. Het is een feit van algemene bekendheid dat biljetten van 500 euro vrijwel uitsluitend worden gebruikt in het criminele circuit. Tevens heeft verdachte wisselend verklaard omtrent de vrouw met wie hij zou samen reizen. Aanvankelijk stelt hij dat zij zijn echtgenote was en later betreft het zijn tante. Ook heeft hij verklaard dat de helft van het geldbedrag, te weten 10.000 euro aan haar zou toebehoren. Desgevraagd heeft de vrouw aan de verbalisanten verklaard helemaal niet met verdachte samen te reizen en dat hij haar slechts geholpen heeft met haar tas. Ook op deze wijze heeft verdachte kennelijk willen verhullen dat hij een groot geldbedrag met zich mee voerde.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze feiten en omstandigheden van dien aard dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Onder deze omstandigheden mag van verdachte verlangd worden dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld geeft.

Zoals eerder opgemerkt, heeft verdachte omtrent de herkomst van het geld slechts verklaard dat het geld afkomstig is uit illegale gokpraktijken, zonder dit standpunt te onderbouwen dan wel enigszins aannemelijk te maken. Deze verklaringen van verdachte vinden tevens geen steun in het dossier. Er is dan ook geen sprake van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld.

Gelet op het voorgaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen van het bij hem aangetroffen geld onvoldoende ontzenuwd. De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geld middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf is verkregen en dat verdachte dat wist. Verdachte heeft zich derhalve opzettelijk schuldig gemaakt aan het witwassen van het bij hem aangetroffen geldbedrag.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 22 februari 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een hoeveelheid bankbiljetten ter waarde van 24.495 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

4.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van een geldbedrag dat afkomstig is uit eigen misdrijf van verdachte, namelijk het deelnemen aan illegale gokpraktijken. Wanneer er sprake is van voorwerpen die afkomstig zijn uit eigen misdrijf is voor de kwalificatie ‘witwassen’ vereist dat er sprake is van verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen, in dit geval het aangetroffen geldbedrag. In het geval van verdachte hebben er geen verbergings- of verhullingshandelingen plaatsgevonden, nu het geld zich in verdachtes jack en broekzak bevond en hij het desgevraagd heeft getoond. Het feit kan derhalve niet worden gekwalificeerd als witwassen waardoor verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wel degelijk verbergings- en verhullingshandelingen heeft gepleegd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte wisselend heeft verklaard en dat hij niet onmiddellijk alle zich in zijn kledingzakken bevindende bankbiljetten heeft getoond, maar slechts een gedeelte ervan. Verder heeft de officier van justitie erop gewezen dat verdachte zonder aangifte een groot contant geldbedrag over de grenzen van Nederland en de Europese Unie uit wilde voeren. Het feit kan derhalve als witwassen worden gekwalificeerd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst mede naar hetgeen hiervoor, onder 3.3., is overwogen, waaruit volgt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte zijn verklaring omtrent de herkomst van het geld niet met stukken heeft onderbouwd noch op andere wijze enigszins aannemelijk heeft gemaakt. Derhalve is niet zonder meer vast komen te staan dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf. Om deze reden gaat het verweer van de raadsvrouw niet op.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het bewezenverklaarde oplevert:

witwassen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden met een proeftijd van drie (3) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft zij gevorderd dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedrag van 24.450 euro verbeurd verklaard dient te worden.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van 24.495 euro. Door dit handelen heeft verdachte getracht directe of indirecte opbrengsten van misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus, hetgeen een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel betekent. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want zonder personen als verdachte, die criminele gelden vervoeren zodat het geld vervolgens een (schijnbaar) legale herkomst wordt verschaft, is het genereren van illegale winsten beduidend minder lucratief. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 juli 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van een vermogensdelict is veroordeeld.

Tenslotte overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM, heeft iedere verdachte recht op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn teneinde te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging leeft. Deze redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In onderhavige zaak moet als aanvang van de termijn worden gerekend 22 februari 2012, nu verdachte op die dag is aangehouden en in verzekering is gesteld en het onder hem aangetroffen geldbedrag in beslag is genomen.

De rechtbank constateert dat de ingewikkeldheid van de zaak, noch verdachte en/of zijn raadsvrouw van invloed zijn geweest op het feit dat de inhoudelijke behandeling van deze zaak pas ruim drie (3) jaar later plaatsvindt. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het recht van verdachte op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met voornoemde overschrijding van de redelijke termijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

6.3.

Bijkomende straf (verbeurdverklaring)

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een geldbedrag van 24.450 euro, bestaande uit 43 biljetten van 500 euro, 20 biljetten van 100 euro en 19 biljetten van 50 euro, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4.3. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd:

  • -

    Geld Euro - 19 x 50 euro;

  • -

    Geld Euro - 20 x 100 euro;

  • -

    Geld Euro - 43 x 500 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.M. Jansen, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 22 februari 2012, proces-verbaalnummer 2012-0203-01457 (AH-001).

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 februari 2012, dossiernummer V1-01 (pagina 2-onder en 3).