Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7166

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4399
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De fiscale woonplaats van erflater lag in 2011 in Nederland en niet in Spanje nu erflater geruime tijd in Nederland verbleef. Het feit dat erflater het voornemen had om naar Spanje terug te keren zodra dit mogelijk zou zijn, is niet onverenigbaar met het oordeel van de rechtbank omdat, om aan te nemen dat iemand in Nederland woont, het geenszins noodzakelijk is dat het verblijf in Nederland een permanent karakter heeft. Dat erflater voorafgaand aan zijn komst naar Nederland sinds 1989 met zijn echtgenote in Spanje verbleef, doet niet af aan dat oordeel nu dat verblijf onvoldoende zegt over de woonplaatsbepaling ten tijde van het overlijden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2385
V-N 2015/63.2.2
Vp-bulletin 2016/5
FutD 2015-2709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/4399

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2015 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan (de erven van) de heer [A] (hierna: erflater) voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.704 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.979. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van € 134 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 226.

Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de verzuimboete vernietigd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2015 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.C. van der Wel.

Overwegingen

Feiten

1. Erflater is geboren op [geboortedatum 1] en overleden op 30 november 2011. Erflater was gehuwd met mevrouw [C] (hierna: echtgenote). Zij is geboren op [geboortedatum 2] en overleden op 27 februari 2011. Eiser is geboren op [geboortedatum 3] en is geboren uit het huwelijk van erflater en diens echtgenote.

2. In 1989 zijn erflater en zijn echtgenote verhuisd naar Spanje.

3. In de loop der jaren kregen erflater en zijn echtgenote steeds meer gezondheidsproblemen. Medio 2010 werd erflater getroffen door een longontsteking. Erflater en zijn echtgenote hebben ervoor gekozen om naar Nederland te komen en daar te herstellen. Met ingang van 1 augustus 2010 hebben erflater en zijn echtgenote een woning gehuurd in Wassenaar. Erflater is na het overlijden van zijn echtgenote (27 februari 2011) in mei 2011 eenmalig teruggekeerd naar Spanje met één van de kinderen. Erflater was van plan om in juli 2011 nogmaals af te reizen naar Spanje met één van de kinderen, maar dat is door ziekte niet mogelijk gebleken.

4. Erflater heeft omstreeks 10 maart 2011 een aangiftebiljet voor het jaar 2010 ingediend. In het aangiftebiljet is onderscheid gemaakt tussen de periode dat de belastingplichtige in het buitenland woonde en de periode dat de belastingplichtige in Nederland woonde. In het aangiftebiljet is opgenomen dat erflater van 1 januari 2010 tot en met 6 augustus 2010 in Spanje woonachtig was.

5. De (toenmalige) belastingadviseur heeft, na te zijn herinnerd en aangemaand, het door verweerder uitgereikte aangiftebiljet ib/pvv 2011 bij brief van 31 oktober 2013 oningevuld geretourneerd.

6. Met dagtekening 4 december 2013 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2011 opgelegd.

7. De (toenmalige) belastingadviseur heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag ib/pvv 2011. Er heeft een hoorgesprek plaatsgevonden tussen eiser en verweerder en er is over en weer correspondentie verzonden ter zake het ingestelde bezwaar tegen de aanslag ib/pvv 2011.

Geschil
8. In geschil is of erflater in 2011 als binnenlands belastingplichtige aangemerkt moet worden, meer specifiek of de woonplaats van erflater in Nederland of Spanje was.

9. Eiser neemt het standpunt in dat erflater niet als binnenlands belastingplichtige aangemerkt kan worden, omdat erflater woonachtig was in Spanje. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat erflater als binnenlands belastingplichtige aangemerkt moet worden, dan verzoekt eiser om rekening te houden met een verrekening ter voorkoming van dubbele belastingheffing (Verdrag Spanje – Nederland). Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag.

10. Verweerder neemt daarentegen het standpunt in dat erflater binnenlands belastingplichtige was, omdat erflater in Nederland woonachtig was. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

11. Binnenlands belastingplichtige is degene die in Nederland woont (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)). Waar iemand woont en waar een lichaam is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld (artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Een natuurlijk persoon heeft zijn woonplaats in Nederland, indien hij een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland heeft. Bepalend daarbij is of uit omstandigheden blijkt dat de banden van de belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

12. Verweerder, die erflater als binnenlands belastingplichtig aanmerkt, dient feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat erflater in Nederland woonde. Verweerder heeft hiervoor gewezen op: de inschrijving van erflater in de basisregistratie personen vanaf 13 augustus 2010, de door erflater afgesloten zorgverzekering in Nederland, duurzame huisvesting in Nederland, en de omstandigheden dat de inkomsten van erflater uitsluitend afkomstig waren uit Nederland, dat het merendeel van de gelden was ondergebracht bij Nederlandse banken en dat over het jaar 2010 een migratie-aangiftebiljet is ingediend waarin melding is gemaakt van verblijf in Spanje tot en met 6 augustus 2010.

13. Eiser heeft het navolgende aangedragen: erflater en zijn echtgenote hebben nimmer willen remigreren naar Nederland, erflater heeft zich weliswaar (verplicht) ingeschreven in Nederland maar heeft zich nooit uitgeschreven in Spanje, erflater en zijn echtgenote onderhielden in Spanje nagenoeg alle sociale contacten, naast de zorgverzekering in Nederland had erflater ook een ziektekostenverzekering in Spanje, erflater kreeg automatisch een huisarts in Nederland toegewezen maar beschikte in Spanje ook nog over een huisarts, het adres in Spanje wordt veelvuldig gebruikt voor het verzenden van post door diverse Nederlandse instanties, de urn van de echtgenote van erflater is naar de woning in Spanje gebracht en in 2011 is in Spanje gezocht naar een instelling waar erflater kon verblijven.

14. Tussen partijen is niet in geschil dat erflater de intentie had om terug te keren naar Spanje. Echter, de wil om terug te keren naar, in dit geval, Spanje kan voor de woonplaatsbepaling van belang zijn, maar vormt op zichzelf niet een afdoende omstandigheid (vgl. Hoge Raad 18 juni 1952, B.9247). De wil heeft alleen betekenis voor zover deze uit de waarneembare feiten blijkt of daaruit kan worden afgeleid.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de fiscale woonplaats van erflater in 2011 in Nederland lag, nu erflater geruime tijd in Nederland verbleef. Erflater heeft, behoudens een korte terugkeer naar Spanje, vanaf augustus 2010 tot en met zijn overlijden in Nederland verbleven. Erflater en zijn echtgenote hadden een huurovereenkomst gesloten voor een woning van één jaar, met een optie tot verlening, bij het [adres] in Wassenaar. Daar woonden zij zelfstandig met beschikbaarheid van zorg, hetgeen noodzakelijk was in verband met de gezondheidssituatie van erflater. Het was geenszins mogelijk voor erflater om zelfstandig te wonen zonder de beschikbaarheid van zorg in de nabijheid. Het was niet mogelijk gebleken om in Spanje een soortgelijke woonruimte te bemachtigen, hetgeen ertoe leidde dat erflater geruime tijd in Nederland verbleef. Het feit dat erflater het voornemen had om naar Spanje terug te keren zodra dit mogelijk zou zijn, is niet onverenigbaar met het oordeel van de rechtbank omdat, om aan te nemen dat iemand in Nederland woont, het geenszins noodzakelijk is dat het verblijf in Nederland een permanent karakter heeft (vgl. Hoge Raad 24 februari 1954, nr. 11656, BNB 1954/112). Aan het oordeel van de rechtbank doet evenmin af dat erflater voorafgaand aan zijn komst naar Nederland sinds 1989 met zijn echtgenote in Spanje verbleef, nu dat verblijf onvoldoende zegt over de woonplaatsbepaling ten tijde van het overlijden.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder erflater terecht als binnenlands belastingplichtige aangemerkt. Dit brengt mee dat erflater in Nederland in de heffing wordt betrokken naar zijn wereldinkomen. Eiser heeft de rechtbank verzocht om, indien geoordeeld zou worden dat de woonplaats ten tijde van het overlijden van erflater in Nederland gelegen was, rekening te houden met een verrekening ter voorkoming van dubbele belastingheffing gelet op het Verdrag tussen Spanje en Nederland. De rechtbank oordeelt dat, onder verwijzing naar de brief van verweerder van 25 juni 2014, welke deel uitmaakt van op de zaak betrekking hebbende stukken, verweerder reeds rekening heeft gehouden met voorkoming dubbele belastingheffing.

17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.