Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:7066

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
15/800608-14 en 14/701115-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld wegens afpersing in vereniging gepleegd, medeplegen van diefstal met geweldpleging en/of afpersing in vereniging gepleegd, opzetheling, schuldheling en handelen in strijd met artikel 26 lid, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie tot 42 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/800608-14 en 14/701115-12 (P)

Uitspraakdatum: 5 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 mei 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.F. van Kooij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 27 november 2014 te Hoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op/of aan de [straat 1] , in elk geval op de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een postpakket ter waarde van 1866 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] te Opmeer en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- naar de omgeving van de [straat 1] is/zijn gereden in een (gestolen) Mini Cooper en/of

- een van de mededader(s) in de Mini Cooper is blijven wachten en/of

- een van de mededader(s) zich in de buurt van de [straat 1] [huisnummer 1] in de bosjes heeft verstopt en/of

- ( vervolgens) onverhoeds uit die bosjes is gesprongen en/of

- ( hierna) is afgerend op de naderende [slachtoffer 1] met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand en/of

- hierna het pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [slachtoffer 1] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of hem daarbij (dreigend) heeft toegevoegd: "geeft hier dat pakketje";

Feit 2:

hij op of omstreeks 26 november 2014 te Hoorn althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld van een postbezorger (komend naar het adres [straat 2] [huisnummer 2] te Hoorn en in het bezit van 3 Apple MacBooks) in vereniging gepleegd (artikel 312 lid 2 onder 2 SR) en/of afpersing van voornoemde persoon in vereniging gepleegd (artikel 317 lid 1 SR), opzettelijk een voertuig en/of een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

Primair

hij op of omstreeks 22 november 2014 te Hoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 3] [huisnummer 3] te Zwaag heeft weggenomen een kluis (met inhoud) en/of een portemonnee met inhoud en/of een digitale fotocamera en/of een of meer andere goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of een [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2014

tot en met 2 december 2014 te Hoogwoud, althans in Nederland, 2 iphones 5s en/of een iphone 4s en/of 3 paspoorten (op naam van [achternaam slachtoffer 2] en/of [achternaam slachtoffers 3 en 4] ) en/of een autosleutel en/of een fotocamera (Canon) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 4:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 2 december 2014 te Emmen en/of Heerhugowaard en/of Hoogwoud, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (witte) Mini Cooper (met de gestolen kentekenplaten [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die Mini Cooper wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 5:

hij op of omstreeks 02 december 2014 te Hoogwoud, gemeente Opmeer, een of meer

wapens van categorie III, te weten een Walther P22( merk Umarex) en/of

een of meer wapens van categorie I onder 7, te weten een Airsoft electric Gun (nabootsing Kalashnikov), en/of munitie van categorie III, te weten 43 knalpatronen (kaliber 9mm P.A.K.), voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van de ten laste gelegde feiten

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 2, 3 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

3.3.

De feiten, afzonderlijk beoordeeld

Feit 1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 27 november 2014, dossierpagina 32;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf 2] d.d. 18 december 2014, dossierpagina’s 52 en 53.

Bewijsoverweging

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat medeplegen niet kan worden bewezen, omdat het aandeel van verdachte in de totstandkoming van het feit gering was, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een vooropgezet plan bestond om de postbezorger te overvallen. Ook is komen vast te staan dat verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de uitvoering van dit feit. Verdachte heeft de medeverdachte naar de plaats delict gebracht, daar op de medeverdachte, die de overval zou uitvoeren, gewacht, en vervolgens de vluchtauto bestuurd. Daarnaast is komen vast te staan dat verdachte gedeeld heeft in de buit. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt deze werkwijze van een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking, dat sprake is van medeplegen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat verdachte heeft bekend dat hij samen met de medeverdachte de dag voor de onderhavige overval een soortgelijke overval, met nagenoeg dezelfde werkwijze had gepland, die echter door omstandigheden buiten verdachten gelegen, niet tot uitvoering is gekomen (zie hierna onder feit 2).

Feit 2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 december 2014, dossierpagina’s 1032 en 1033;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2015, dossierpagina’s 247 en 248.

Feit 3

Primair vrijspraak

[Slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van diefstal van diverse goederen uit haar woning aan de [straat 3] [huisnummer 4] te Zwaag, gepleegd tussen 21 november 2014 omstreeks 16:00 uur en 22 november 2014 omstreeks 13:30 uur. Uit het procesdossier komt weliswaar naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] zeer belastend jegens verdachte heeft verklaard met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij deze diefstal, maar deze verklaring vindt geen steun in de overige dossierstukken. Bovendien past het gegeven dat in de woning van verdachte goederen zijn aangetroffen die uit de woning van [slachtoffer 2] zijn weggenomen bij de verklaring van verdachte dat hij weliswaar op de hoogte was van de illegale herkomst van deze goederen die hij zou verkopen, maar dat hij niet betrokken was bij de diefstal zelf. Verdachte zal daarom van de primair ten laste gelegde diefstal worden vrijgesproken.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 december 2014, dossierpagina 1031;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 23 november 2014 met bijbehorende bijlage goederen, dossierpagina’s 58, 59 en 62;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 26 december 2014 met bijbehorende bijlage goederen, dossierpagina’s 65 en 67;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2014 met bijbehorende fotobijlage, dossierpagina’s 675, 676, 681 en 686;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2014 met bijbehorende fotobijlage, dossierpagina 134;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2015, dossierpagina 413;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 4 februari 2015, met bijbehorende fotobijlage, dossierpagina’s 83, 86 en 87.

Feit 4 1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

[Aangever] heeft op 4 augustus 2014 namens [slachtoffer 5] aangifte gedaan van diefstal van zijn auto van het merk Mini Cooper. De diefstal heeft plaatsgevonden tussen 31 juli 2014 16.00 uur en 1 augustus 2014 16.00 uur in Emmen. Het chassisnummer van de auto is [chassisnummer 1] .2 Het kenteken is [kenteken 2] .

Op 2 december 2014 zat verdachte in Hoogwoud en Heerhugowaard als passagier in een Mini Cooper,3 waarvan het chassisnummer van die Mini Cooper [chassisnummer 1] bleek.4 Verdachte heeft verklaard dat hij die Mini Cooper van een kennis [kennis] geheten, had gehuurd5 en dat hij deze auto enkele dagen voor 9 augustus 2014 in zijn bezit kreeg.6 Verdachte reed sindsdien regelmatig in de Mini Cooper. Bij de huur van de Mini Cooper waren aan verdachte geen bijbehorende autopapieren overhandigd.7

Verdachte wist dat [kennis] zich met criminele activiteiten bezighield. Ook was hij op de hoogte van het feit dat [kennis] een uitkering ontving.8 [Kennis] verhuurde regelmatig auto’s van een gelijk kaliber als de Mini Cooper9 en hij zou de betreffende Mini Cooper voor € 6000,- aan verdachte te koop hebben aangeboden.10 De werkelijke waarde van het voertuig zou € 20.000,- bedragen.11

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de wisselende verklaringen die hij gedurende het onderzoek over de herkomst van de Mini Cooper heeft afgelegd (verdachte verklaarde aanvankelijk dat hij de auto gekregen had van een derde waarover hij later zelf heeft verklaard dat dit een verzonnen naam was), in samenhang bezien met de hiervoor genoemde omstandigheden rondom de persoon van [kennis] en de manier waarop hij de auto van deze [kennis] heeft verkregen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze Mini Cooper gestolen was. Dit wordt niet anders nu verdachte heeft verklaard dat hij het kenteken heeft gecontroleerd via de website van de Rijksdienst voor het wegverkeer omdat, belangrijker nog, verdachte de bij de auto horende kentekenpapieren niet heeft ontvangen van [kennis] . De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.

Feit 5

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 5 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2014, dossierpagina’s 675 en 676;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2014, dossierpagina’s 136, 137 en 138;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2014, dossierpagina 139;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2015, dossierpagina’s 433 en 434;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2015, dossierpagina’s 441 en 442;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2015, dossierpagina 446.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij op 27 november 2014 te Hoorn tezamen en in vereniging met een ander op of aan de [straat 1] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een postpakket ter waarde van 1866 euro, toebehorende aan [bedrijf 2] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader

- naar de omgeving van de [straat 1] zijn gereden in een gestolen Mini Cooper en

- in de Mini Cooper is blijven wachten en de mededader zich in de buurt van de [straat 1] [huisnummer 1] in de bosjes heeft verstopt en vervolgens onverhoeds uit die bosjes is gesprongen en hierna is afgerend op de naderende [slachtoffer 1] met een pistool in zijn hand en het pistool op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of gericht gehouden en hem daarbij dreigend heeft toegevoegd: "geeft hier dat pakketje";

Feit 2

hij op 26 november 2014 te Hoorn tezamen en in vereniging met een ander ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld van een postbezorger (komend naar het adres [straat 2] [huisnummer 2] te Hoorn en in het bezit van 3 Apple MacBooks) in vereniging gepleegd (artikel 312 lid 2 onder 2 SR) of afpersing van voornoemde persoon in vereniging gepleegd (artikel 317 lid 1 SR), opzettelijk een voertuig en een vuurwapen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

Feit 3 subsidiair

hij in de periode van 22 november 2014 tot en met 2 december 2014 te Hoogwoud, althans in Nederland, 2 iPhones 5s en een iPhone 4s en 3 paspoorten (op naam van [achternaam slachtoffer 2] en/of [achternaam slachtoffers 3 en 4] ) en een autosleutel en een fotocamera (Canon) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

Feit 4

hij in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 2 december 2014 te Emmen en/of Heerhugowaard en/of Hoogwoud, althans in Nederland, een (witte) Mini Cooper heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die Mini Cooper redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Feit 5

hij op 2 december 2014 te Hoogwoud, gemeente Opmeer, een wapen van categorie III, te weten een Walther P22, merk Umarex, een wapen van categorie I onder 7, te weten een Airsoft Electric Gun (nabootsing Kalashnikov), en munitie van categorie III, te weten 43 knalpatronen (kaliber 9mm P.A.K.), voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft met betrekking tot feit 2 het verweer gevoerd dat sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu poging niet ten laste is gelegd, kan dit verweer niet slagen. De rechtbank zal daarom het verweer verwerpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezen verklaarde feiten zou ontbreken. De bewezen verklaarde feiten zijn derhalve strafbaar.

5 Kwalificatie van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van voorbereiding van diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

opzetheling;

ten aanzien van feit 4:

schuldheling;

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen. Voor wat betreft de mate van vermindering refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachtes voorgenomen vertrek naar Spanje geen negatief effect op de strafmaat moet hebben.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken reclasseringsrapport van GGZ Reclassering Palier van 28 april 2015 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele dagen schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewelddadige overval op een postbezorger en de voorbereiding van een gewelddadige overval op een andere postbezorger. Bij de gewelddadige overval heeft de medeverdachte van verdachte aan de postbezorger een vuurwapen getoond om de postbezorger angst aan te jagen en te dwingen tot afgifte van het pakket. De ervaring leert dat de slachtoffers van gewapende overvallen hier heel lang last van kunnen blijven houden, in de zin dat het hun leven daadwerkelijk verandert. In dit geval weegt dit nog zwaarder, omdat het slachtoffer tijdens zijn werk werd overvallen, zodat voor de hand ligt dat als hij weer aan het werk is, hij last van gevoelens van angst en onveiligheid zal blijven hebben.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte slechts een gering aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de gewapende overval. Met dit geringe aandeel zou bij het bepalen van de op te leggen straf rekening moeten worden gehouden, aldus de raadsman.

De rechtbank deelt, gezien de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte en de rol die verdachte daarbij in alle fasen van planning, uitvoering en vlucht speelde, deze opvatting niet. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer .

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van telefoons, paspoorten en een fotocamera en aan schuldheling van een auto. Verdachte heeft door zijn handelwijze een afzetmarkt voor onrechtmatig verkregen goederen mee in stand gehouden, en aldus bijgedragen aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit in het algemeen.

Verdachte heeft voornoemde feiten - naar moet worden aangenomen - enkel gepleegd ten behoeve van zijn eigen financiële gewin, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerden.

Tot slot is in de auto van verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen en lag er in de woning van verdachte een namaak Kalashnikov en een doos met munitie. De rechtbank acht dit zeer kwalijke feiten. Verboden wapenbezit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen met zich mee. Tegen ongecontroleerd wapenbezit wordt daarom streng opgetreden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op

het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 21 april 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op

voornoemd rapport van GGZ Reclassering Palier, waarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geadviseerd. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven zich in dat advies te kunnen vinden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De hoogte van de vrijheidsbenemende straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte van één van de vijf ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vordering benadeelde partij [bedrijf 2]

De gemachtigde van de benadeelde partij [bedrijf 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1846,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De gestelde schade bestaat uit:

  • -

    Nikon camera D3300 + 18-55 à € 499,-;

  • -

    Nikon camera D3300 + 18-55 à € 499,-;

  • -

    Nikon camera D3300 + 18-55 à € 499,-;

  • -

    Canon eos camera rood + 18-55 à € 349.

8.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, toe te wijzen, en daaraan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

8.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman het zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet in de aard van het bewezenverklaarde, tezamen en in vereniging plegen van afpersing, aanleiding om met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 21.953,80 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De gestelde schade bestaat uit:

  • -

    sieraden à € 16.331,62;

  • -

    kentekenbewijzen à € 63,-;

  • -

    paspoorten à € 200,88;

  • -

    paspoorten van huisdieren à € 50,-;

  • -

    boete gemeente vanwege het niet inleveren van oude paspoorten à € 120,-;

  • -

    cadeaubonnen/tegoedbonnen à € 354,95,-;

  • -

    geldbedrag à € 6.705,-;

  • -

    iPhone 5S à € 465,85;

  • -

    iPhone 5S à € 465,85;

  • -

    Acer laptop à € 699,-;

  • -

    overige elektronische apparaten à € 3.070,93;

  • -

    meubelkluis à € 70,18;

  • -

    hoofdtelefoon à € 255,-;

  • -

    portemonnee à € 60,-;

  • -

    tassen à € 825,-;

  • -

    fietssleutels à € 25,-;

  • -

    vervanging sloten à € 250,-.

Een bedrag van € 7.733,46 is hiervan door de verzekering vergoed.

9.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente, toe te wijzen, en daaraan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

9.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het gedeelte dat louter betrekking heeft op de ten laste gelegde diefstal, af te wijzen. Verdachte dient immers van dit feit te worden vrijgesproken. Voorts acht de raadsman de schadeposten onvoldoende onderbouwd, zodat de behandeling van de vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade, een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

9.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering slechts tot een bedrag van € 931,70 (twee iPhones 5S) rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde feit (opzetheling). Echter, dit leidt niet tot toewijzing van dit deel van de vordering, omdat uit de toelichting op de vordering niet blijkt welke schadeposten door de verzekering zijn vergoed en welke niet. In het bijzonder wordt niet duidelijk of de twee iPhones 5S al dan niet vergoed zijn. De vordering zal daarom in zoverre niet toegewezen kunnen worden.

Het overige deel van de vordering komt ook niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de gestelde schadeposten niet als het rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde opzetheling aangemerkt kunnen worden; de daarin genoemde goederen (waaronder sieraden) zijn immers noch in de tenlastelegging noch in de daarmee corresponderende bewezenverklaring genoemd.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet in haar vordering ontvangen.

10 Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]

10.1.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 107,99 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij zou hebben geleden.

De gestelde schade bestaat uit:

 aanschaf nieuwe kentekenplaten à € 107,99.

10.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

10.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat, nu de diefstal/heling van de kentekenplaten niet aan verdachte is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

11 Vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14/701115-12

Bij vonnis van 22 maart 2013 in de zaak met parketnummer 14/701115-12 heeft de meervoudige strafkamer te Noord-Holland verdachte ter zake van diefstal en overtreding van de Opiumwet, meermalen gepleegd, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1000,-. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 11 februari 2013 aan de verdachte betekend.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 6 april 2013 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert nu dat de rechtbank zal bevelen dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 46, 47, 57, 312, 317, 416, 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

13 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 3 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [bedrijf 2] geleden schade tot een bedrag van € 1846,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [bedrijf 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [bedrijf 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1846,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14/701115-12 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1000,-, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Noord-Holland d.d. 22 maart 2013.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C.M. Swinkels, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Wagenaar,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2015.

mr. G.D.M. Hoedemaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens de benadeelde [slachtoffer 5] d.d. 9 augustus 2014 met bijbehorende bijlage goederen, dossierpagina’s 40, 41 en 44.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2014, dossierpagina’s 137 en 138.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2014, dossierpagina’s 137 en 138; proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2014, dossierpagina 139.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 mei 2015 afgelegd.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2015, dossierpagina 306; proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 3 februari 2015, dossierpagina 609.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 mei 2015 afgelegd.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 december 2014, dossierpagina 1042.

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 mei 2015 afgelegd.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 december 2014, dossierpagina 1042.

11 Bijlage goederen bij proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens de benadeelde [slachtoffer 5] d.d. 9 augustus 2014, dossierpagina 44.