Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:6896

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
15/075630-15, 05/045581-14, 05/840742-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toepassing ASR; mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Politierechter

Parketnummers: 15/075630-15, 05/045581-14 (tul) en 05/840742-14 (tul)

Uitspraakdatum: 19 juni 2015

Tegenspraak

Schriftelijk vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 juni 2015 in de zaak tegen:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres]

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. mr. L.B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Woud, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2015 te Enkhuizen, een ambtenaar, [slachtoffer] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door deze in het gezicht te stompen/slaan.

2 Voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, het verlengen van de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging voor de duur van één jaar en toewijzing van de vordering benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de politierechter de vordering benadeelde partij af te wijzen.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De politierechter komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de politierechter – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie d.d. 18 april 2015, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 28-31);

  • -

    de verklaring van deskundige [getuige 1] ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 18 april 2015 (dossierpagina’s 13-15).

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 23 april 2015 (dossierpagina’s 16-17).

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 18 april 2015 (dossierpagina’s 18-19).

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 18 april 2015 (dossierpagina’s 20-21).

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 18 april 2015 (dossierpagina’s 22-23).

3.4.

Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 18 april 2015 te Enkhuizen, een ambtenaar, [slachtoffer] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door deze in het gezicht te slaan.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 4 weken.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de politierechter een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.

6.3.

Oordeel van de politierechter

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de politierechter het volgende in aanmerking genomen.

6.4.

Hoofdstraffen

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een conducteur van de Nederlandse Spoorwegen. Door zijn handelen heeft verdachte de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. De politierechter rekent het verdachte zwaar aan dat deze mishandeling werd verricht in het openbaar vervoer, terwijl het slachtoffer zijn werk deed en verdachte aansprak, omdat hij geen kaartje had gekocht. Ook voor de overige reizigers in de trein en op het perron brengt dit soort gedrag gevoelens van onrust en onveiligheid met zich mee.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de politierechter in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 april 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van een geweldsdelict onherroepelijk tot jeugddetentie is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

Ten aanzien van de vraag of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast, overweegt de politierechter als volgt. Verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit 18 jaar oud. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige daders het volwassenenstrafrecht toegepast. Ter terechtzitting heeft een reclasseringsmedewerker genaamd [getuige 1] als getuige geadviseerd verdachte te berechten volgens het sanctierecht voor jeugdigen. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben aangegeven toepassing van het sanctierecht voor jeugdigen op zijn plaats te vinden.

De politierechter kan op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het sanctierecht voor jeugdigen toepassen bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar, zoals verdachte. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte ODD en mogelijk ook ADHD heeft. Daarnaast volgt verdachte een agressieregulatietraining. De rechtbank ziet op basis van de verklaring van de getuige in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om voornoemd artikel toe te passen, inhoudende dat ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht moet worden toegepast.

Alles afwegende is de politierechter van oordeel dat jeugddetentie van na te noemen duur moet worden opgelegd. De politierechter zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Alles afwegende is de politierechter van oordeel dat eveneens een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 350,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 18 december 2014 in de zaak met parketnummer 05/840742-14 heeft de kinderrechter te Arnhem verdachte ter zake van poging tot zware mishandeling veroordeeld tot onder meer voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis telefonisch dient aan te melden bij Reclassering Nederland te Zaandam en zich gedurende de proeftijd zo frequent te melden als Reclassering Nederland dit nodig acht en dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook wanneer dit inhoudt het ondergaan van een ambulante behandeling. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 18 december 2014 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 3 januari 2015 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de politierechter de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd zal verlengen met één jaar.

De politierechter heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De politierechter is van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met één jaar, aangezien verdachte op dit moment redelijk contact heeft met Reclassering Nederland, en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf dit contact zou doorkruisen.

Bij vonnis van 18 juli 2014 in de zaak met parketnummer 05/045581-14 heeft de kinderrechter te Arnhem verdachte ter zake van bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uur. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De politierechter is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, aangezien deze vordering tot tenuitvoerlegging reeds ten uitvoer is gelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 14d, 36f, 77c, 77l, 77m, 77x, 77y, 77z, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De politierechter:

 Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

 Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

 Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 weken, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

 Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

 Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt het voltooien van een agressieregulatietraining.

- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht).

 Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 40 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 350,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 350,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 7 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Verlengt de bij vonnis van de kinderrechter in de zaak met parketnummer 05/840742-14 opgelegde proeftijd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie voor de duur van 1 maand, met één jaar.

 Wijst af de vordering van officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de zaak met parketnummer 05/045581-14 opgelegde voorwaardelijke straf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. van Leeuwen, politierechter,

in tegenwoordigheid van de griffier D.A.C. Sinnige,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juni 2015.