Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:6779

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
C-15-210693 - HA ZA 14-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een beroepsaansprakelijkheidskwestie waarin Köster Advocaten N.V. (KA) door Carigna Investments B.V. (Carigna) aansprakelijk wordt gehouden voor het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen partijen, door haar in het kader van schikkingsonderhandelingen, onjuist te adviseren over de proceskansen in de door KA namens Carigna (te laat) ingezette verzetsprocedure. De rechtbank is van oordeel dat KA inderdaad niet heeft geadviseerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat is verwacht. Van schade is evenwel niet gebleken, nu Carigna (nog) niet heeft voldaan aan het veroordelend vonnis (dat is gevolgd nadat is voortgeprocedeerd, nu door de onjuiste advisering van KA geen schikking was bereikt) en ook aannemelijk is dat zij daaraan nog zal voldoen (vgl. HR 25 september 1991, LJN: AG 4233). In verband met de tekortkoming van KA wordt de overeenkomst van opdracht wel gedeeltelijk ontbonden. Omdat Carigna tot het moment van ontbinding echter nog declaraties van onbetaald heeft gelaten, wordt zij in reconventie veroordeeld tot voldoening van deze onbetaald gebleven declaraties

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/163
AR 2015/1702
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/210693 / HA ZA 14-50

Vonnis van 12 augustus 2015

in de zaak van

de naamloze vennootschap

CARIGNA INVESTMENTS N.V.,

gevestigd te Curaçao,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. drs. R.M.T. van den Bosch,

tegen

de naamloze vennootschap

KÖSTER ADVOCATEN N.V.,

gevestigd te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.P. Hoekstra.

Partijen zullen hierna Carigna en Köster genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 juli 2014

  • -

    de akte uitlaten van Carigna van 22 oktober 2014

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens akte houdende wijziging van eis, tevens antwoord in reconventie van 10 december 2014

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van 21 januari 2015

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating productie, tevens akte formulering eis van 4 maart 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stichting African Communications (hierna te noemen: SAC) heeft in het verleden diensten verricht voor Carigna handelend onder de naam Chequepoint Nederland.

2.2.

Carigna is op 19 maart 2008 door de rechtbank Amsterdam bij verstek veroordeeld tot betaling aan SAC van een bedrag van € 70.907,96 vermeerderd met rente en kosten. Dit verstekvonnis is bij herstelvonnis van 2 april 2008 hersteld omdat de naam van Carigna daarin onjuist was gespeld.

2.3.

SAC heeft op 5 oktober 2010 een e-mail gestuurd naar [A.], directeur van United International Trust N.V., een van de bestuurders van Carigna. Deze e-mail met als bijlage het verstekvonnis, houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“Dear mr. [A.],

(…)

We are approaching you due to an outstanding debt of a company – Carigna Investments NV – of which you are listed as a director, (see attached) and to request you to take immediate steps to settle a judgment order as ruled in the Dutch law courts.

(…)

We took a legal action thereof and the judge ruled in our favour on 19th March 2008. (see attached copy of judgment) The judgment amount is € 70.907.96 excluding interests and other auxiliary costs which will now bring the total amount to € 122,100.86.

Immediately after the judgment we made frantic efforts to talk to the following personalities connected to Carigna Investments NV/Chequepoint to settle the judgment debt:

1. Ms. [B.] (…)

2. Mr [C.] (…)

3. Mr. [D.] (…)

4. Mr. [E.]

Regrettably there has not been any fruitful outcome.

(…)

I am on behalf of Stichting African Communications making a formal request to you in your capacity as a director of Carigna Investments NV to make immediate arrangments to have the total judgment debt of € 122,100.86 remitted into our below accounts within 5 days effective today.”

2.4.

[F.], mede bestuurder van United International Trust N.V. (hierna: [F.]), heeft deze e-mail en het aangehechte verstekvonnis op 6 oktober 2010 per e-mail doorgestuurd naar (de juridische afdeling van) Chequepoint in Londen, met een kopie aan SAC. Hij heeft in dit bericht – voor zover van belang – vermeld:

“Please find below an e-mail message we received from Sankova Television in The Netherlands which we trust to be self-explanatory.

We would appreciate if you could give follow-up to this request.”

2.5.

Op 12 oktober 2010 heeft [F.] een herinneringsbericht gemaild aan (de juridische afdeling van) Chequepoint in Londen, waarin hij refereert aan het eerdere bericht van 6 oktober 2010. Ook van dit bericht van 12 oktober 2010 is een kopie verzonden aan SAC. Voor zover hier van belang, luidt dat bericht als volgt:

“Subject: RE: Payment of Judgment debt Carigna Investmen s NV – Sankofa Television

Dear Sirs,

This message serves as a friendly but urgent reminder to give follow-up to the request below. Failing to meet your obligations will force us to resign as managing director of the Company as we can not assume this responsibility.”

2.6.

Carigna heeft zich vervolgens tot Köster gewend met het verzoek haar als advocaat bij te staan in de kwestie tegen SAC. Deze bijstand is verleend door verschillende bij Köster werkzame advocaten (hierna ook aan te duiden als: Köster). Op 13 oktober 2010 heeft hierover tussen Carigna en Köster een bespreking plaatsgevonden, na welke bespreking Köster namens Carigna op 18 oktober 2010 een brief met de volgende inhoud aan SAC heeft gezonden:

“Dear Sir,

I have taken notice of your letter of October 5th last, addressed to United International Trust NV. In this letter you request for a payment due to an outstanding debt of Carigna Investments NV. Reference is made to a verdict of March 19th 2008.

I would like to remark that your letter of October 5th last is not addressed to Carigna Investments NV. I also would like to stress that the judgment of March 19th 2008 is not against Carigna Investments NV but instead of against Carigna Investment NV.

I have been informed that the judgment of March 19th 2008 is not the final judgement. There should be another judgment. You refer in later correspondence to notification of the final judgment around April 11th 2008. I would like to receive copy of that as soon as possible.

I would also like to see a copy of the writ of summons with documents of proof, on which the aforementioned judgment is based. My client is total unaware of any business relationship with your company and she would like to verify what this case is all about.

(…).”

2.7.

Op 18 oktober 2010 schrijft Köster voorts aan Carigna over de termijn van verzet, voor zover van belang:

“Dear [G.],

(…)

I have already informed you via my mail in which I explained that the term actually is 4 weeks as from the first act of notification that can be proved. Proof of notification will be for sure there when a bailiff made a formal announcement of the judgment by a document of the bailiff. You don’t have a copy of that. The opposing party is suggesting there has been such a notification by a bailiff on April 11th 2008. We will wait and see what will come up as a response to my letter (see copy as enclosure).

Please do note in your agenda end of the term on November 5th next. There is no reason to wait with a response since we are familiar with the judgment of March 19th 2008. I will take the proper steps coming week with a response because we can not wait further, depending on the good will of the opposing party to inform us further properly.

(…)”

2.8.

Bij emailbericht van 2 november 2010 heeft Köster Carigna aanvullende vragen gesteld en haar eerdere mededeling over de termijn van verzet bijgesteld. Voor zover van belang is in het bedoelde emailbericht het volgende opgenomen:

“The term within we have to issue this document is 8 weeks from the first act of awareness (meaning a response to African Foundation, for example: a conirmation of receipt of the letter of October 5th last). Do you have copy of any response to the letter of October 5th last, or did nobody respond?”

2.9.

Bij emailbericht van 4 november 2010 heeft Köster Carigna, in verband met de verzetstermijn, nogmaals gevraagd naar een mogelijke reactie van Carigna op het emailbericht van SAC van 5 oktober 2010. Voor zover van belang is daarin het volgende opgenomen:

“Dear mr [F.],

(…)

What I would like to know is if and when you did response to the letter of this African Communications party d.d. october 5th last. This is important for uw to know, because the legal term to issue a writ of summons is 8 weaks as of any action out of which it occurs that you are familiar with the verdict of april 2 th 2008 as director of Carigna. If you did not respond that is also godd, but we would to know what happend anyway after October 5th last.

(…)”

2.10.

In reactie op dit emailbericht heeft [F.] diezelfde dag, zonder verdere toelichting daarop, alle emailcorrespondentie doorgezonden die door Carigna was gewisseld met SAC in het vervolg op het bewuste emailbericht van 5 oktober 2010. Tussen de doorgezonden emailberichten bevonden zich (onder meer ook) de hiervoor onder 2.4 en 2.5 genoemde emailberichten van [F.]. Door Köster is niet opgemerkt dat SAC in de cc van deze emailberichten stond.

2.11.

Op 24 november 2010 stelt Köster Carigna nog een aantal inhoudelijke vragen ten behoeve van de opstelling van de verzetdagvaarding. Over de termijn merkt Köster in dat emailbericht het volgende op.

“After we receive the answers we can complete the summons and serve the summons to Stichting African Communications. I want to do this before the 6th of December, so could you please provide me the answers as soon as possible.”

2.12.

Het verzet tegen het verstekvonnis van 19 maart 2008 is door Köster namens Carigna ingesteld bij verzetdagvaarding van 7 december 2010. In die verzetdagvaarding is uitgegaan van een eerste daad van bekendheid op 18 oktober 2010 vanwege de onder 2.6 bedoelde brief van Köster namens Carigna aan SAC.

2.13.

SAC heeft vervolgens bij conclusie van antwoord in oppositie van 2 maart 2011 aangevoerd dat het verzet door Carigna te laat was ingesteld. In dit kader heeft SAC gesteld dat Carigna reeds in juni 2008 bekend was geraakt met (de hoofdinhoud van) het verstekvonnis van 19 maart 2008 en dat zij (onder meer) op 6 oktober 2010 wederom bekend was geraakt met het verstekvonnis. SAC stelde zich daarbij op het standpunt dat het verzet tardief was.

2.14.

Op 7 april 2011 heeft Köster Carigna een emailbericht gezonden waarin Köster Carigna onder meer informeert over de proceskansen in de verzetprocedure van Carigna tegen SAC. Voor zover van belang bericht Köster Carigna daarin als volgt:

“Carigna versus African Comm.

  • -

    There is already a verdict ready for execution.

  • -

    Normaly you do not have arguments to avoid execution and or payment against finale verdicts (term of appeal seemed to have passed)

  • -

    If we succeed in taken step 2, than our changes to win are good, because the itself seems rather fraudulent, also accouding to the documents we have as proof.

We referrence to point 2, I would guess that the chances a better 70%(win)/30%(loss).

I must repeat that no precentage is a quarantee on the outcome of any case, which you will understand I presume.”

2.15.

Op 24 mei 2011 heeft Köster Carigna de conclusie van antwoord in oppositie van SAC toegezonden alsmede het in te dienen antwoord daarop namens Carigna bij conclusie van repliek. Voor zover van belang bericht Köster Carigna daarbij als volgt:

“In the statement of defense the African Foundation claims that our writ of summons was to late. The main issue is the date that Carigna became familiar with the contents of the judgement by default (from March 19 and Arpil 2, 2008) and also have made known this to the other party. We believe that this was October 18, 2010 when we wrote the letter to the African Foundation.

The African Foundation claims that:

  • -

    in Juni 2008 there was contact by email and telephone with mrs [B.] and mr. [C.]. In this contact the judgement was explained and Carigna has acknowledged the judgement;

  • -

    in January till March 2009 there was contact with mr. [E.] (Chequepoint Group Limited);

  • -

    in October 6, 2010 mr. [F.] has made clear that Carigna received the judgement.

We don’t agree with the position of the African Foundation. The African Foundation presented very little evidence. In our reply we tried to explain that there was no contact in 2008 and 2009. Furthermore if there was contact, than this contact will not be enough to fulfill the requirements for the period of opposition to a judgement.”

2.16.

Op 24 augustus 2011 heeft in de verzetprocedure tussen Carigna en SAC een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Blijkens het proces-verbaal van die comparitie hebben beide partijen op die zitting standpunten ingenomen over de vraag op welke datum sprake was van een 'daad van bekendheid' aan de zijde van Carigna.

Bij emailbericht van 26 augustus 2011 heeft Köster Carigna geïnformeerd over het verloop van de zitting, nu daarbij namens Carigna geen vertegenwoordiger aanwezig was. Daarbij heeft Köster Carigna er tevens over geïnformeerd dat de procedure was aangehouden teneinde te bezien of partijen tot een minnelijke regeling zouden kunnen komen, bij gebreke waarvan SAC zou worden toegelaten nader bewijs te leveren. Köster heeft Carigna voorgesteld om de schikkingsonderhandelingen te openen met een bod van € 10.000,00, te voldoen door Carigna aan SAC tegen finale kwijting:

“Mr. [H.] told a long story about the claims. Most of the story was about the good relationship there was between Carigna and St. African. Given the close relationship a lot of agreements are not put on paper, but verbally agreed. He refered many times to mr. [D.]. Mr. [H.] knew for shore that Carigna paid the bills from St. African untill September 2005. Furthermore he told that there was a verbal agreement about paying afther the broadcasting stopped. Most of the things he told are not supported by evidence in the file. Mr. [H.] told the judge that he has many more evidence like emails and letters. The judge was critical but he had the feeling that some parts from the story from mr. could be true, but the problem for St. African is that they do not have enough evidence at this moment.

The judge told both parties that there will be a risk on both sides, when he will give a verdict. So the judge asked both parties whether there is a possibility for a settlement to close the case. The judge told St. African that in this stage they do not have to aspect that Carigna will pay the whole claim or even half. On the other side he told me that this case is not really clear, so that we have some risk.

Mr. [H.] told us that in an earlier stage Carigna already did a proposal to pay Eur 10.000,- to close the case. We where not involved at that time and St. African did not agree with it.

The court has given both parties the time till 21th September 2011 to arange a settlement (if you are willing). When there won’t be a settlement than St. African has the possibility till 19th October 2011 to show more evidence. Afterwards we have the time till 16th November 2011 to react on the documents of St. African. With al this documents the court will give a verdict.

I think for both parties it will be the best to make a settlement. If the procedure will go on Carigna must make more costs and it is not sure what kind of evidence St. African has. The claim of St. African is about Eur 120.000,-. In my opinion we start with a proposal of Eur. 10.000,-. I think we have a strong case, but the outcome is never clear.”

2.17.

Carigna heeft daarop bij emailbericht van 31 augustus 2011 gereageerd, en Köster – voor zover van belang - het volgende bericht:

“We consider the claim of St. African Communication to be entirely unwarranted and the reference to Mr [D.] is simply gratuitous.

We are prepared to make an offer, on a without prejudice basis, of 2,000 Euros.

We do not want to incur any further costs in this matter.”

2.18.

Bij emailbericht van 7 september 2011 heeft Köster Carigna aangeraden haar bod te verhogen:

“I will make the offer of Eur 2.000,- to the lawyer of St. African, but I don’t think that they will accept it. In my opinion I think your offer is too low to be taken seriously compared to there claim of more than Eur 100.000,-. I understand that Mr [D.] thinks that the claim is simply gratuitous, but we have to deal with it in the procedure. The judge was critical about the claim, but he also gives St.African the possibility to show more evidence when we don’t close the case with a deal. This means that Carigna have to make more costs in the procedure, before we have a verdict. So please consider to make a bit higher offer. I will say that Eur 10.000,- will be the maximum.”

2.19.

Carigna heeft hier niet mee ingestemd en op 17 september 2011 heeft Köster namens Carigna aan SAC het voorstel gedaan om de zaak te schikken voor een bedrag van € 2.000,00. Hierop heeft SAC op 6 oktober 2011 een tegenvoorstel gedaan van € 37.750,-. Op 11 oktober 2011 heeft Köster Carigna geïnformeerd en geadviseerd over het tegenvoorstel van SAC van € 37.750,-, voor zover van belang, als volgt:

“(…)The other party makes a counter proposal of EUR 37,500.-. In their view, there were proper arrangements made between parties. Furthermore, they stick to the good relationship there once was and that. They indicate that you have a risk in this proces. Furthermore, they do note that there is still room to come closer together.

I think the proposal of mr. [I.] is very high, but you also have to move with your own proposal. As I indicated earlier, I think it is best for you to try to close the case with a deal. If you don’t make a deal St. African has the possibility to show more evidence. This means that you have to make more costs in the procedure, before we have a verdict. Please consider to make a bit higher offer. I will say that Eur 10.000,- wil be the maximum.”

2.20.

Op 14 oktober 2011 heeft Carigna Köster verzocht om geen verdere werkzaamheden te verrichten tot 19 oktober 2011. Dit betreft de einddatum van de termijn die de rechtbank partijen in de verzetprocedure had gesteld om een schikking te bereiken en waarna SAC, wanneer geen schikking zou worden bereikt, nader bewijs zou mogen leveren.

2.21.

Op 17 oktober 2011 heeft SAC aan Carigna een nieuw tegenvoorstel gedaan. Daarbij stelde SAC voor om het geschil met Carigna te beëindigen tegen betaling van een bedrag van € 10.000,00. Dit schikkingsvoorstel is door Carigna niet geaccepteerd. Carigna heeft op 18 oktober 2011, in reactie op dit voorstel, nog een laatste tegenbod gedaan ter hoogte van € 3.250,00. Dit tegenbod is door SAC niet geaccepteerd, waarop SAC is toegelaten om op de rol van 2 november 2011 bij akte nadere bewijsstukken in het geding te brengen. Op die akte is namens Carigna gereageerd bij antwoordakte van 16 november 2011, waarna de rechtbank Amsterdam op 22 februari 2012 vonnis heeft gewezen. In dat vonnis is voor zover van belang het volgende overwogen (rechtsoverweging 4.4), en is Carigna niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde verzet:

“Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de in 2.1 en 2.2 vermelde feiten en omstandigheden geen daad worden afgeleid waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het verstekvonnis aan Carigna al voor 12 oktober 2010 bekend was. Van een zodanige daad blijkt echter wel uit de onder 2.3 en 2.4 vermelde feiten en omstandigheden. Nu [F.] bestuurder is van United International Trust N.V. en deze vennootschap weer bestuurder is van Carigna, moeten de door [F.] voor Carigna verrichte handelingen worden aangemerkt als handelingen van een bestuurder van Carigna. Uit het e-mail bericht van [F.] van 6 oktober 2010 vloeit noodzakelijk voort dat hij kennis heeft genomen van de inhoud van het verstekvonnis. Om te kunnen beoordelen of het doorgestuurde e-mailbericht en het daarbij gevoegde verstekvonnis vanzelf spreken, zoals [F.] in zijn e-mail heeft vermeld, is immers noodzakelijk dat hij kennis heeft genomen van die e-mail en het verstekvonnis. Uit de e-mail van 6 oktober 2010 volgt dus ondubbelzinnig dat [F.] met de (hoofd)inhoud van het vonnis bekend was. Dit vindt bevestiging in de e-mail van 12 oktober 2010 van [F.] aan Chequepoint (zie 2.5). Nu [F.] de e-mail van 6 oktober 2010 mede aan Sankofa heeft verstuurd, is ook voldaan aan het vereiste dat hij zijn kennis van de inhoud van het vonnis naar buiten bekend heeft gemaakt. Het standpunt van Carigna dat uit de e-mail van 6 oktober 2010 slechts blijkt van een vermoeden dat [F.] met de inhoud van het vonnis bekend was, moet, nu Carigna dit standpunt niet nader heeft toegelicht of onderbouwd, worden verworpen.”

2.22.

Carigna heeft vervolgens de aan Köster verleende opdracht ingetrokken en advocatenkantoor Van Doorne N.V. benaderd, welk kantoor namens Carigna (pro forma) hoger beroep heeft ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Dit hoger beroep is uiteindelijk niet doorgezet.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Carigna vordert (na wijziging eis) bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

a. te verklaren voor recht dat de overeenkomst van opdracht (met betrekking tot de kwestie tussen Carigna en SAC) tussen Carigna als opdrachtgever enerzijds en Köster Advocaten als opdrachtnemer anderzijds ontbonden is, althans deze te ontbinden.

En Köster Advocaten te veroordelen tot betaling van de volgende bedragen:

1. de som van het bedrag van EUR 70.907,96 uit hoofde van het verstekvonnis van 19 maart 2008, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW te berekenen vanaf de datum van opeisbaarheid van de te onderscheiden facturen tot aan de dag van algehele voldoening; en

2. het bedrag van EUR 4.320,80 aan proceskostenveroordeling in het verstekvonnis van 19 maart 2008 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf 7 februari 2008 over een bedrag van EUR 1.788 en vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf 19 maart 2008 over een bedrag van EUR 2.532,80 tot aan de dag van algehele voldoening;

3. verminderd met een bedrag van in totaal EUR 10.000,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf 18 oktober 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

een bedrag van EUR 1.815,-- aan proceskosten en deurwaarderskosten in hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 juni 2012 en tot aan de dag van algehele voldoening;

een bedrag van EUR 1.788,-- aan proceskostenveroordeling in het vonnis in verzet van 22 februari 2012, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf 22 februari 2012 tot aan de dag van algehele voldoening.

een bedrag van primair EUR 3.623,08 aan buitengerechtelijke kosten, subsidiair een bedrag van EUR 1.775,-- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf 8 januari 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

een bedrag van EUR 4.230,57 aan eiseres aan ten onrechte betaalde declaraties te vermeerderen met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf de datum van de betaling van de declaratie dan wel 1 juli 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

gedaagde te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.

3.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3.

Köster vordert veroordeling van Carigna tot betaling van € 13.994,24 te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verschijning van de facturen tot de dag der voldoening, met veroordeling van Carigna in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten.

Köster legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat Carigna de door Köster verzonden facturen voor de verrichte werkzaamheden, in het kader van de door Carigna aan Köster verleende opdracht om haar bij te staan in de verzetsprocedure tegen SAC, ten onrechte onbetaald heeft gelaten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Carigna legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat Köster tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met Carigna. Carigna verwijt Köster dat zij Carigna onjuist heeft geadviseerd met betrekking tot de proceskansen van de verzetprocedure die was ingesteld nadat de verzettermijn was verstreken. Indien zij had geweten dat haar proceskansen nihil waren, had Carigna de kwestie met SAC kunnen schikken voor € 10.000,00, zo stelt Carigna (vgl. conclusie van repliek onder 67 tot en met 72). Zij had de vordering van SAC dan afgedaan voor € 10.000,00. Nu is zij evenwel het volle bedrag uit hoofde van het vonnis van 19 maart 2008, inclusief wettelijke rente en proceskosten, verschuldigd. Als schademoment gaat Carigna daarbij uit van het moment waarop zij het schikkingsvoorstel van SAC, om de zaak de regelen tegen betaling van een bedrag van € 10.000,00 afwees, derhalve 18 oktober 2011. De tekortkoming van Köster is volgens Carigna dusdanig ernstig van aard, dat Carigna de bevoegdheid heeft de overeenkomst met Köster geheel te ontbinden. Als onderdeel van de ongedaanmakingsverbintenissen ex artikel 6:271 BW dient Köster de door haar van Carigna ontvangen betalingen op haar facturen terug te betalen. De rechtsgrond voor de nog openstaande facturen is met de ontbinding van de overeenkomst komen te vervallen, aldus Carigna.

4.2.

Köster betwist dat zij tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens Carigna. Daartoe voert Köster – voor zover van belang – onder meer aan dat zij in haar advies van 7 april 2011 niet onvoorwaardelijk heeft geadviseerd dat de kans op succes in de procedure tegen SAC 70% was, maar daarbij heeft gewezen op de hobbel van de ontvankelijkheid die eerst nog moest worden genomen. In het emailbericht van 24 mei 2011 heeft Köster Carigna er bovendien op gewezen dat SAC bij conclusie van antwoord in oppositie het standpunt innam dat het verzet te laat was ingesteld. Carigna heeft het uitdrukkelijke advies van Köster om te schikken voor een bedrag van € 10.000,00 echter in de wind geslagen, zo stelt Köster.

Tekortkoming

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of Köster tekort is geschoten in de op haar rustende verplichtingen jegens Carigna tot uitgangspunt dient dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt de hiervoor genoemde zorgvuldigheidsplicht mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn.

4.4.

Niet in geschil is dat in de contacten tussen partijen aan de orde is geweest dat SAC zich in de verzetprocedure op het standpunt stelde dat het verzet te laat was ingediend. De vraag die beantwoord dient te worden is evenwel of Köster de mogelijkheid dat Carigna ten gevolge daarvan in die procedure niet-ontvankelijk zou worden verklaard, heeft gebagatelliseerd, anders gezegd of Köster de risico’s van het (mogelijk) te laat indienen van het verzet voldoende over het voetlicht heeft gebracht om Carigna in staat te stellen in het kader van de schikkingsonderhandelingen een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De rechtbank is van oordeel dat Köster hierin tekort is geschoten. Hierbij acht de rechtbank van belang dat Köster Carigna weliswaar op de hoogte heeft gesteld van het feit dat SAC als verweer voerde dat de verzetdagvaarding te laat zou zijn uitgebracht, maar dat zij heeft nagelaten Carigna duidelijk te adviseren over de kans van slagen van dit verweer en wat daarvan de consequentie zou zijn, namelijk dat het vonnis van 19 maart 2008 in stand zou blijven zonder inhoudelijke toetsing van de vordering van SAC. Köster heeft Carigna hierover slechts minimaal geïnformeerd. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag echter worden verwacht dat hij, met name in het kader van schikkingsonderhandelingen, alle goede en kwade kansen met zijn cliënt uitdrukkelijk bespreekt. Nu Köster heeft nagelaten de risico’s verbonden aan een mogelijke overschrijding van de verzettermijn in het kader van de schikkingsonderhandelingen in haar advisering te betrekken, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank Carigna onvoldoende in staat gesteld goed geïnformeerd op het schikkingsvoorstel van SAC te beslissen. Köster is aldus jegens Carigna toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst tot opdracht voortvloeiende verplichtingen (beroepsfout). Dat Köster Carigna heeft geadviseerd het schikkingsvoorstel van SAC te accepteren, maakt dit niet anders. Dit advies was immers op andere gronden gestoeld. De rechtbank acht het aannemelijk dat Carigna dit advies anders zou hebben gewogen indien zij zich bewust was geweest van het feit dat vanwege een mogelijke overschrijding van de verzettermijn de (reële) kans bestond dat niet aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van Carigna zou worden toegekomen.

Köster is dan ook in beginsel aansprakelijk voor de schade die Carigna als gevolg van die beroepsfout heeft geleden.

Schade

4.5.

Wat betreft de geleden schade stelt Carigna zich op het standpunt dat zij door de ondeugdelijke advisering door Köster, het volledige bedrag uit hoofde van het vonnis van 19 maart 2008 (vermeerderd met rente en kosten) aan SAC verschuldigd is, in plaats van het schikkingsbedrag van € 10.000,00. Het verschil tussen beide bedragen merkt Carigna aan als de door toedoen van Köster veroorzaakte schade.

Daarnaast vordert Carigna vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten, alsmede van de door haar gemaakte kosten in verband met het zekerheidshalve ingestelde (pro forma) hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2012.

4.6.

Köster betwist dat Carigna schade heeft geleden of zal lijden. In dit kader voert Köster gemotiveerd aan dat niet is gebleken dat Carigna aan het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2012 heeft voldaan en dat het ook niet aannemelijk is dat zij daaraan nog zal gaan voldoen, nu SAC haar verhaalspogingen al lang heeft gestaakt en ook niet langer actief is, zodat het ook niet aannemelijk is dat SAC nog verhaal zal (kunnen) halen. De gestelde schade (3.1 onder b en d) heeft zich dan ook niet verwezenlijkt en zal zich ook niet verwezenlijken. Dit betoog slaagt.

De rechtbank overweegt daartoe dat eventuele schade niet reeds wordt geleden door de toewijzing van een vordering, maar pas door de voldoening aan dat vonnis (HR 25 september 1991, LJN: AG4233). Dat geldt temeer in het geval er een reële kans bestaat dat aan het vonnis niet of niet volledig zal worden voldaan. Die situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval voor. Gesteld noch gebleken is dat Carigna aan het vonnis van de rechtbank van 22 februari 2012 heeft voldaan, noch dat zij enige betaling op grond hiervan zal (kunnen) verrichten. Carigna heeft evenmin weersproken dat SAC ook geen pogingen onderneemt om de vordering te verhalen. De vorderingen van Carigna zoals in het voorgaande geformuleerd onder 3.1 onder b en d zullen daarom worden afgewezen.

4.7.

Ten aanzien van de door Carigna gevorderde buitengerechtelijke kosten oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat Carigna aan het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2012 heeft voldaan en het ook niet aannemelijk is geworden dat zij hieraan nog zal voldoen of dat daartoe bij Carigna zelfs ook maar de intentie bestaat. De buitengerechtelijke kosten die Carigna zou hebben gemaakt om de (niet geleden) schade op Köster te verhalen staan dan ook niet in een zodanig verband met de tekortkoming van Köster, dat deze in redelijkheid aan Köster kunnen worden toegerekend. Aan de vereisten (causaliteit, toerekening en de dubbele redelijkheidstoets) voor toekenning van buitengerechtelijke kosten wordt daarom naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan, zodat ook dit deel van de vordering (3.1 onder e.) van Carigna zal worden afgewezen.

4.8.

Carigna heeft ten slotte vergoeding gevorderd van de kosten van het ingestelde hoger beroep (3.1 onder c.). Ten aanzien van deze kosten stelt de rechtbank vast dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een causaal verband tussen deze kosten en het aan Köster gemaakte verwijt, te weten de onjuiste advisering over de proceskansen in het kader van de schikkingsonderhandelingen. Voor zover Carigna ook ander tekortschieten van Köster aan deze schadevordering ten grondslag heeft willen leggen, is hiervoor onvoldoende gesteld. Nu Carigna niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht is ook deze vordering van Carigna niet voor toewijzing vatbaar.

Ontbinding en ten onrechte betaalde declaraties

4.9.

In het voorgaande is onder 4.4 reeds vastgesteld dat Köster jegens Carigna toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst tot opdracht voortvloeiende verplichtingen (beroepsfout). Aldus ligt thans de vraag voor of die tekortkoming (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst van opdracht tussen Carigna en Köster rechtvaardigt. Dat hangt samen met de aard van de tekortkoming en de vraag in hoeverre de belangen van Carigna door de fout zijn geschaad. Nu het door Carigna aan Köster gemaakte verwijt zich specifiek toespitst op de advisering door Köster over de proceskansen in het kader van de schikkingsonderhandelingen na de comparitie van partijen van 24 augustus 2011, is de rechtbank van oordeel dat slechts gedeeltelijke ontbinding en wel vanaf het moment dat aansluit bij het moment waarop de beroepsfout een aanvang nam, te weten per 25 augustus 2011, op zijn plaats is. De rechtbank zal de vordering in 3.1 onder a dan ook toewijzen in die zin en de overeenkomst van opdracht gedeeltelijk ontbonden verklaren, met ingang van 25 augustus 2011. Niet in geschil is immers dat de door Köster daaraan voorafgaand verrichte werkzaamheden tot die schikkingsonderhandelingen hebben geleid. Door Carigna is ook overigens niet gesteld dat deze eerdere werkzaamheden van nul en generlei waarde zijn gebleken. Ook hier geldt dat voor zover Carigna ook ander tekortschieten van Köster aan deze vordering ten grondslag heeft willen leggen, daarvoor onvoldoende is gesteld. Dat betekent dat Carigna de facturen die betrekking hebben op de tot en met 24 augustus 2011 verrichte werkzaamheden zal moeten voldoen en - nu vast staat dat Carigna geen facturen heeft voldaan die zien op na 25 augustus 2011 door Köster verrichte werkzaamheden - geen aanspraak kan maken op terugbetaling van het door haar gevorderde bedrag van € 4.239,57 aan reeds betaalde declaraties. Ook de vordering van Carigna zoals geformuleerd in 3.1 onder f zal worden afgewezen.

in reconventie

4.10.

Nu in conventie reeds is geoordeeld dat gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst van opdracht tussen Carigna en Köster, te weten per 25 augustus 2011, gerechtvaardigd is, zal Carigna de declaraties van Köster die betrekking hebben op tot die datum verrichte werkzaamheden, voor zover dat nog niet is geschied, alsnog moeten voldoen.

4.11.

Köster heeft bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie haar (door Carigna onbetaald gelaten) declaraties overgelegd. De rechtbank stelt vast dat deze declaraties, voor zover deze zien op haar werkzaamheden in de kwestie tussen Carigna en SAC, tot 25 augustus 2011, in totaal € 13.206,99 inclusief btw bedragen:

  • -

    declaratienr. 20106815 30 december 2010 € 6.104,21

  • -

    declaratienr. 20111183 25 maart 2011 € 279,09

  • -

    declaratienr. 20112398 23 mei 2011 € 224,45

  • -

    declaratienr. 20113613 28 juli 2011 € 4.524,24

  • -

    declaratienr. 20114383 23 september 2011 € 2.075,00

(werkzaamheden tot 25 augustus 2011)

-------------

€ 13.206,99

De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als hierna bepaald.

in conventie en in reconventie

4.12.

Aangezien in conventie elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. In reconventie zal Carigna als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Köster worden begroot op € 894,00 aan advocaatsalaris. Ook de in reconventie gevorderde nakosten zullen worden toegewezen, nu Köster deze nakosten zal moeten maken wanneer Carigna niet aan het vonnis voldoet.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart de overeenkomst van opdracht (met betrekking tot de kwestie tussen Carigna en SAC) tussen Carigna als opdrachtgever enerzijds en Köster als opdrachtgever anderzijds ontbonden per 25 augustus 2011,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.4.

veroordeelt Carigna om aan Köster te betalen een bedrag van € 13.206,99 (dertienduizendtweehonderdzes euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW, telkens vanaf 14 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de Carigna de respectieve factuur heeft ontvangen, tot de dag van volledige betaling van de respectieve (factuur)bedragen zoals vastgesteld onder 4.11,

5.5.

veroordeelt Carigna in de proceskosten, aan de zijde van Köster tot op heden begroot op € 894,00, vermeerderd met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Carigna niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede, mr. E. Jochem en mr. E.C.M. van Mierlo en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015.1

1 Conc.: 1289