Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:6561

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4437
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB. Intrekking bijstand en terugvordering. Bijstand naar de norm van een alleenstaande. Gezamenlijke huishouding. Per 1 januari 2013 is bevoegdheid tot intrekking een verplichting geworden. Onredelijke gevolgenjurisprudentie geldt niet meer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-08-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/4437

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser,

[eiser 2] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: P. Koehnen).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat over de periode van 25 december 2010 tot en met 31 oktober 2013 te veel/ten onrechte bijstand op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) is uitbetaald tot een totaalbedrag van € 51.383,28 en dat dit bedrag van eisers beiden vanuit hoofdelijke aansprakelijkheid wordt teruggevorderd.

Bij afzonderlijke besluiten van 13 december 2013 (de primaire besluiten 2 en 3) is aan eisers ieder medegedeeld dat het recht op bijstand per 1 november 2013 wordt beëindigd en dat het recht op bijstand over de periode van 25 december 2010 tot en met 31 december 2012 en over de periode van 11 maart 2013 tot en met 31 oktober 2013 wordt ingetrokken omdat uit onderzoek is gebleken dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van eisers.

Bij besluit van 22 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de primaire besluiten herroepen en daarvoor een nieuw besluit in de plaats gesteld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Overwegingen

1.1.

Aan eiser is (voor zover hier van belang) met ingang van 13 oktober 2010 een WWB-uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder. Deze uitkering is per 23 mei 2012 beëindigd in verband met een verhuizing van eiser naar de gemeente Oostzaan. Met ingang van die datum wordt de uitkering verstrekt door de gemeente Oostzaan. Verweerder doet de uitvoering van de WWB voor de gemeente Oostzaan.

1.2.

Aan eiseres is met ingang van 6 november 2009 een WWB-uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder.

1.3.

Met ingang van 1 januari 2013 heeft verweerder aan eisers gezamenlijk een WWB-uitkering toegekend naar de gehuwdennorm omdat eisers zijn gaan samenwonen. Deze uitkering is per 18 februari 2013 beëindigd.

1.4.

Eiseres ontvangt per 18 februari 2013 weer een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Eiser per 22 februari 2013.

1.5.

Per 1 november 2013 ontvangen eisers wederom gezamenlijk een WWB-uitkering naar de gehuwdennorm.

2.1.

Na overdracht van een fraudeonderzoeksformulier waaruit blijkt dat er in korte tijd drie meldingen zijn ontvangen waarin is medegedeeld dat eisers een gezamenlijke huishouding voeren heeft verweerder samen met de sociale recherche een onderzoek opgestart. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in de Rapportage Uitkeringsfraude van 18 december 2013.

2.2.

Verweerder heeft vervolgens de primaire besluiten genomen omdat volgens hem uit de onderzoeksresultaten volgt dat eisers vanaf in ieder geval 25 december 2010 hun hoofdverblijf op het adres [adres 1] hadden en vanaf september 2011 op het adres [adres 2] , zorg voor elkaar dragen en er sprake is van financiële verstrengeling. Van deze gezamenlijke huishouding hebben eisers, afgezien van de periode van 1 januari 2013 tot 11 maart 2013, verweerder niet op de hoogte gesteld. Als gevolg hiervan heeft verweerder bij het primaire besluit 1 € 51.383,28 aan volgens hem ten onrechte ontvangen bijstand van eisers teruggevorderd.

2.3.

Nadat eisers bezwaar hebben gemaakt en de hoorzitting heeft plaatsgevonden hebben eisers afschriften van sms-berichten over de periode van 11 maart 2013 tot en met 5 april 2013 overgelegd en er daarbij op gewezen dat eiser pas op 5 april 2013 weer bij eiseres is ingetrokken.

2.4.

Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit de primaire besluiten herroepen en daarvoor een nieuw besluit in de plaats gesteld.

2.4.1

Ingevolge dit besluit wordt het recht op bijstand van eiseres door de gemeente Zaanstad over de periode van 25 december 2010 tot en met 31 december 2012 ingetrokken omdat zij gedurende die periode een gezamenlijke huishouding voerde met eiser. Als gevolg daarvan wordt een bedrag van € 8.799,19 teruggevorderd. Eiser is hoofdelijk aansprakelijk tot terugbetaling van dit bedrag.

2.4.2

Het recht op bijstand van eiser wordt door de gemeente Zaanstad over de periode van 25 december 2010 tot en met 22 mei 2012 ingetrokken omdat hij gedurende die periode een gezamenlijke huishouding voerde met eiseres. Als gevolg daarvan wordt een bedrag van

€ 24.191,32 teruggevorderd. Eiseres is hoofdelijk aansprakelijk tot terugbetaling van dit bedrag.

2.4.3

Het recht op bijstand van eiser wordt door de gemeente Oostzaan over de periode van 23 mei 2012 tot en met 31 december 2012 ingetrokken omdat eiser in die periode geen hoofdverblijf had in de gemeente Oostzaan. Van hem wordt als gevolg daarvan een bedrag van € 8.729,- teruggevorderd.

2.4.4.

Het recht op bijstand van zowel eiser als eiseres wordt door de gemeente Zaanstad over de periode van 5 april 2013 tot en met 30 oktober 2013 ingetrokken omdat eisers in die periode een gezamenlijke huishouding voerden. Als gevolg daarvan wordt over die periode van eiseres een bedrag van € 2.377,83 teruggevorderd en van eiser een bedrag van € 6.344,31. Eisers zijn over en weer hoofdelijk aansprakelijk tot terugbetaling van deze bedragen.

3. Verweerder heeft zijn standpunt dat in de in geding zijnde perioden sprake was van een gezamenlijke huishouding bij eisers vooral gebaseerd op de door de sociale recherche opgenomen getuigenverklaringen. Uit de verklaringen van de ouders en de broer van eiser en die van een anonieme getuige blijkt dat sinds kerst 2010 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Ook eiser heeft dat verklaard. Buren van de [straatnaam] hebben ook verklaard dat eisers samen op de [adres 2] zijn komen wonen en alleen een korte periode in 2013 uit elkaar zijn geweest. Zowel eiser als eiseres hebben verklaard dat eiser zorg draagt voor eiseres. Hij doet boodschappen, klusjes in huis en haalt en brengt het zoontje van eiseres van en naar school. Eiseres heeft verklaard dat eiser haar steun en toeverlaat is. Eiseres heeft voor eiser zorg gedragen door minnelijke regelingen te treffen met zijn schuldeisers. Eisers hebben van hun gezamenlijke huishouding geen mededeling gedaan aan verweerder.

4. Eisers erkennen dat er gedurende een aantal perioden sprake was van een gezamenlijke huishouding, namelijk:

- vanaf de verhuizing naar de [straatnaam] in september 2011 tot 23 mei 2012;

- de periode van 1 november 2012 tot 11 februari 2013 en

- vanaf begin april 2013.

Eisers stellen dat voorafgaand aan de verhuizing naar de [adres 2] geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Dat is ook verklaard door getuige [naam 1] . De broer van eiser en de moeder van eiseres kunnen onmogelijk weten dat zij al sinds kerst 2010 bij elkaar op het adres [adres 3] woonden. Eiser zelf weet niet waarom hij heeft verklaard zoals hij heeft gedaan. Waarschijnlijk komt dat door antidepressiva die hij toen slikte waardoor hij in de war was en niet helder kon denken. Eiseres heeft verklaard dat zij pas vanaf september 2011 zijn gaan samenwonen. Vanaf 23 mei 2012 is eiser bij de ouders van eiseres op het adres [adres 4] gaan wonen. Begin november 2012 is eiser weer bij eiseres gaan wonen.

Daarnaast stellen eisers dat bij de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening had moeten houden met het recht op uitkering dat zou hebben bestaan indien bekend was geweest dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. In dat geval bestond in ieder geval recht op een bijstandsnorm voor een echtpaar en in die situatie ook op bijzondere bijstand. Tot slot zou de vordering moeten worden gematigd omdat verweerder er te lang over gedaan heeft om een onderzoek te starten en af te ronden. De meldingen over een gezamenlijke huishouding zijn al in mei 2012 binnengekomen en pas in november 2013 is het onderzoek afgerond.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat de thans te beoordelen perioden die van 25 december 2010 tot begin september 2011en die van 23 mei 2012 tot 1 november 2012 betreffen. Zij ziet zich geplaatst voor de vraag of eiser en eiseres in die perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De beantwoording van die vraag voor de laatste periode is ook van belang voor de vraag of eiser van 23 mei 2012 tot 1 november 2012 zijn hoofdverblijf had in de gemeente Oostzaan. Voorts houdt eisers verdeeld de vraag of verweerder was gehouden de terugvordering te matigen.

6. Ingevolge artikel 3, tweede, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven voor elkaar zorg te dragen door middel van het leveren van een financiële bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat uit de onderzoeksresultaten van de sociale recherche genoegzaam is gebleken dat eiser en eiseres in de periode van 25 december 2010 tot de verhuizing naar de [adres 2] begin september 2011 gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het adres [adres 1] . Zij neemt daarbij in aanmerking de verklaringen die eiser op 31 oktober 2013 tijdens het verhoor heeft afgelegd. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij eerst alleen contact had met eiseres via internet, hij geleidelijk aan meer op het adres [adres 1] is gekomen en daar uiteindelijk is gaan wonen. Geconfronteerd met de stelling dat uit onderzoek is gebleken dat hij in ieder geval vanaf kerst 2010 met eiseres samenwoonde op het adres [adres 1] is zijn reactie: “Dat zou best kunnen ja. Dat zeg ik, ik weet niet exact de datum. Ik heb in 2010 een hoop voor mijn kiezen gehad.” Vervolgens wordt eiser uitgelegd dat onder een gezamenlijk huishouden wordt verstaan dat beiden hun hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres, zorg voor elkaar hebben of dat er sprake is van een financiële verstrengeling. Op de vraag hoe eiser dan zijn woonsituatie sinds december 2010 ziet antwoordt hij: “Als ik eerlijk ben, dan zeg ik hetzelfde als jullie.”

7.2.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geldt dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een Sociaal Rechercheur afgelegde verklaring mag worden uitgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde weinig betekenis kan worden toegekend. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding van deze hoofdregel af te wijken. Uit het verslag volgt niet dat eiser niet helder kon denken vanwege zijn medicatie. Dat antidepressiva een dergelijke invloed kunnen hebben op het vermogen om consistent te kunnen verklaren is daarnaast niet met medisch bewijs onderbouwd. Hierbij komt dat eisers verklaringen steun vinden in de verklaringen van eisers broer en die van de moeder van eiseres. De enkele stelling dat zij onvoldoende contact hadden met eiser om weet te hebben van de woonomstandigheden van eiser ten tijde van kerst 2010 acht de rechtbank onvoldoende om aan die verklaringen te twijfelen. Immers hebben zij kerst 2010 gezamenlijk gevierd.

7.3.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de onderzoeksresultaten van de sociale recherche evenzeer genoegzaam is gebleken dat eiser en eiseres in de periode van 23 mei 2012 tot 1 november 2012 gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het adres [adres 2] en dat eiser derhalve niet woonachtig was bij de ouders van eiseres op het adres [adres 4] . Ook hierbij neemt de rechtbank de verklaringen van eiser tijdens het verhoor van 31 oktober 2013 in aanmerking. Eiser verklaart dat hij bij zijn ouders stond ingeschreven en dat zijn vader daardoor in de problemen zou komen met zijn pensioen. Omdat eiseres niet wilde dat hij zich bij haar zou inschrijven heeft hij zich toen op het adres van haar ouders ingeschreven. Op de vraag waar hij in de periode dat hij stond ingeschreven bij de ouders van eiseres het merendeel van de week verbleef antwoordt eiser: “Bij [naam 2] . Ik kan ook gaan liegen en zo, maar dan duurt het alleen maar langer.” Ook heeft eiser verklaard: “Ik betaalde wel iets ervoor dat ik daar ingeschreven stond. Ik verbleef alleen wel het merendeel van de tijd bij [naam 2] .” Ook heeft eiser verklaard dat hij geen sleutel van de woning van de ouders van eiseres had en dat hij hooguit drie keer huur heeft betaald. Om de redenen genoemd in rechtsoverweging 7.2 ziet de rechtbank ook hier geen aanleiding om van de in die overweging genoemde hoofdregel af te wijken.

7.4.

Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de verklaringen van eisers dat sprake is van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling. Eiser helpt eiseres met klusjes en het halen en brengen van het zoontje van eiseres van en naar school en eiseres helpt eiser met het oplossen van zijn schulden. Volgens de verklaringen van eiseres wordt bij uitstapjes onderling afgesproken wie betaalt, Eiser heeft verklaard dat als hij de gezamenlijke boodschappen doet hij die ook betaalt.

7.5.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eisers in de thans te beoordelen perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Niet in geschil is dat eisers verweerder van deze gezamenlijke huishouding niet op de hoogte hebben gesteld, zodat zij daarmee de ingevolge artikel 17 van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Als gevolg hiervan is aan eisers ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verstrekt. Eisers waren immers geen zelfstandig subject van bijstand. Verweerder heeft dan ook op goede gronden besloten om de WWB-uitkering van eiseres over de periode van 25 december 2010 tot en met 31 december 2012 met toepassing van artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB te in te trekken en te herzien en die van eiser over de periode van 25 december 2010 tot 23 mei 2012.

8. Op grond van de overwegingen zoals die hiervoor onder 7.3 zijn gedaan komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser gedurende de periode van 23 mei 2012 tot en met 31 december 2012 geen hoofdverblijf had binnen de gemeente Oostzaan en dat die gemeente het recht op bijstand van eiser over die periode terecht met toepassing van artikel 40 van de WWB heeft ingetrokken.

9. Met betrekking tot de terugvordering overweegt de rechtbank als volgt.

9.1.

De bevoegdheden van verweerder om de bijstand in te trekken en de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen in geval de betrokkene zijn inlichtingenplicht schendt, zijn als gevolg van wetswijzigingen per 1 juli 2013, respectievelijk 1 januari 2013 veranderd in een verplichting.

9.2.

Wat betreft de terugvordering is op grond van het overgangsrecht, weergegeven in artikel XXV, zesde lid, van de Wet aanscherping handhaving sanctiebeleid SZW de invoering van de verplichte terugvordering niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op de dag van inwerkingtreding van deze artikelen en blijft met betrekking tot deze vordering het recht van toepassing zoals dat gold op die dag. Op grond van dit overgangsrecht is bepalend het moment van ontstaan van de vordering. Zoals volgt uit de rechtspraak (zie de uitspraak van de CRvB van 8 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7729) ontstaat een vordering door het terugvorderingsbesluit. Nu het primaire terugvorderingsbesluit dateert van 12 december 2013, moet worden vastgesteld dat de terugvordering is ontstaan na 1 januari 2013 en dat verweerder inmiddels op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB was gehouden om de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen.

9.3.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 26 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4086) mag de uitoefening van de terugvorderingsbevoegdheid in geval van inlichtingenverzuim niet tot uitkomsten leiden die voor betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met die bevoegdheid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van het inlichtingenverzuim. Deze jurisprudentie is tot stand gekomen onder het artikel 58, eerste lid, van de WWB zoals dat gold voor 1 januari 2013. Dit artikel bevatte vóór 1 januari 2013 de bevoegdheid van het college tot terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand. In het kader van deze bevoegdheid diende het college dus rekening te houden met onevenredige gevolgen van de terugvordering voor betrokkenen. Zoals hiervoor overwogen is per 1 januari 2013 de bevoegdheid tot terugvorderen een verplichting geworden voor het college. De enige ruimte die het college nog heeft om af te zien van verdere terugvordering is gelegen in de aanwezigheid van dringende redenen, genoemd in het achtste lid van artikel 58 van de WWB. Van dergelijke dringende redenen is de rechtbank niet gebleken. Het door eisers genoemde tijdverloop acht de rechtbank onvoldoende reden.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van D. Ebbink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2015.

griffier rechter

De griffier is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.