Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:6434

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
C-15-227213-KG ZA 15-394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 210 Rv prevaleert boven artikel 2.9 van het Landelijk Rolreglement voor rolzaken kanton.

Door gedaagde, nadat gedebatteerd was in het vrijwaringsincident, niet alsnog in de gelegenheid te stellen in de hoofdzaak van antwoord te dienen is haar de mogelijkheid om verweer te voeren in de hoofdzaak ontnomen. Om die reden wordt geoordeeld dat voldoende aannemelijk geworden is dat het vonnis van de kantonrechter klaarblijkelijk berust op een kennelijke juridische misslag en dat eiser misbruik maakt van zijn executierecht door thans de executie van dat vonnis te willen voortzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

CVZ/TR

KG nummer: C/15/227213/KG ZA 15/394

datum: 30 juni 2015

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

de naamloze vennootschap SRLEV N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

EISERES IN KORT GEDING,

advocaat mr. S. Odijk te Utrecht,

tegen:

toev.nr.4LH2335

[gedaagde],

wonende te [plaats] (NH),

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

advocaat mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn.

Partijen zullen verder worden genoemd “Reaal” respectievelijk “[gedaagde]”.

1 HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 16 juni 2015 zijn verschenen namens Reaal mr. Odijk voornoemd en [gedaagde] vergezeld van mr. Deijkers voornoemd.

SRLEV heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Hoezee heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van SRLEV de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2 DE UITGANGSPUNTEN

2.1

Tussen partijen is een procedure aanhangig geweest bij deze rechtbank, sectie Kanton onder zaak- en rolnummer 3740691/CV EXPL 15-157. In die zaak is op 13 mei 2015 door de kantonrechter een vonnis gewezen (hierna: het vonnis). Op grond van het vonnis dient SRLEV aan Hoezee een bedrag te voldoen van € 13.236,52 in hoofdsom.

2.2

Het vonnis is betekend aan Reaal en zij is gesommeerd uiterlijk 5 juni 2015 vrijwillig aan de veroordeling te voldoen. Reaal heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

2.3

Reaal is het niet eens met het vonnis en is voornemens hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof te Amsterdam. De appeldagvaarding zal op 23 juni 2015 bij het gerechtshof worden aangebracht.

2.4

[gedaagde] heeft toegezegd de executiemaatregelen uit hoofde van het vonnis op te schorten totdat het onderhavige vonnis is gewezen.

3 DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Reaal vordert – verkort weergegeven – primair dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst totdat het gerechtshof te Amsterdam eindarrest zal hebben gewezen. Subsidiair vordert zij dat [gedaagde] bevolen wordt de executie van het vonnis te staken totdat het gerechtshof te Amsterdam eindarrest heeft gewezen. Meer subsidiair vordert zij dat bepaald wordt dat de executie van het vonnis slechts tegen zekerheidstelling plaats mag vinden. Een en ander met veroordeling van Hoezee in de kosten van dit geding.

3.2

Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] misbruik maakt van recht door de executie van het vonnis voort te zetten. Zij stelt dat het vonnis berust op een juridische missslag, doordat de kantonrechter in plaats van een vonnis in het door Reaal opgeworpen incident te wijzen en de hoofdzaak voor antwoord te verwijzen naar de rol, tevens eindvonnis in de hoofdzaak heeft gewezen. Reaal stelt dat dit in strijd is met het bepaalde in artikel 209 t/m 211 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en dat het beginsel van hoor en wederhoor hierdoor is geschonden.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat Reaal geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Daarnaast heeft hij betwist dat sprake is van een kennelijke juridische misslag. In dat verband heeft hij erop gewezen dat aan Reaal reeds tweemaal uitstel was verleend om van antwoord te dienen, maar dat Reaal dit niet tijdig heeft gedaan, waarna de kantonrechter akte niet dienen heeft verleend. Voorts heeft hij aangevoerd dat zich ook geen van de andere gronden voordoen die kunnen maken dat de executie geschorst moet worden en heeft hij in grote lijnen het geschil in de bodemprocedure weergegeven.

3.4

Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna inhoudelijk worden ingegaan op de verschillende standpunten.

4 DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat Reaal geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Dit verweer faalt. De onderhavige zaak betreft een executiegeschil. Een dergelijke vordering wordt naar zijn aard spoedeisend geoordeeld.

4.2

De vordering strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de kantonrechter van 13 mei 2015. Een dergelijke schorsing kan slechts worden bevolen indien [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft om tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Dit kan het geval zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na het vonnis/de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van Reaal een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis niet kan worden aanvaard.

4.3

Door Reaal is gesteld dat het vonnis berust op een juridische misslag. Door [gedaagde] is betwist dat die situatie zich voordoet of dat hij misbruik maakt van zijn executierecht.

4.4

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De eerst dienende dag in de kantonprocedure was 14 januari 2015. Op die datum heeft mr. Odijk zich namens Reaal gesteld en vier weken gekregen om van antwoord te dienen. Zij heeft vervolgens eenmaal verzocht om uitstel voor antwoord en dit uitstel is haar verleend. Omdat partijen vervolgens in onderling overleg een minnelijke regeling wilden beproeven heeft zij, met toestemming van [gedaagde], nogmaals een uitstel van twee verzocht voor antwoord. Ook dit uitstel is verleend. Partijen hebben in onderling overleg geen regeling kunnen treffen en op 25 maart 2015 heeft Reaal niet van antwoord gediend maar een incidentele conclusie tot vrijwaring genomen. Op 22 april 2015 heeft [gedaagde] een conclusie van antwoord genomen in het incident. Vervolgens is de zaak op de rol gezet voor vonnis.

4.5

In artikel 210 eerste lid Rv is bepaald dat indien gedaagde meent gronden te hebben om iemand in vrijwaring op te roepen en hij die oproeping niet heeft gedaan vóór de dag waarop de hoofdzaak moet dienen, hij zijn daartoe strekkende, met redenen omklede conclusie neemt vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie van antwoord bepaalde roldatum.

4.6

Aan deze bepaling heeft Reaal voldaan. Zij heeft op 25 maart 2015, de datum waarop zij van antwoord moest dienen, haar incidentele conclusie strekkende tot oproeping in vrijwaring genomen.

4.7

In artikel 209 Rv is bepaald dat op incidentele vorderingen, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf wordt beslist. In de tweede volzin van dat artikel is bepaald dat voor zover de hoofdzaak niet gelijktijdig is afgedaan, de rechter bij de beslissing op het incident tevens de dag bepaalt waarop de zaak weer op de rol zal komen.

4.8

De kantonrechter heeft beslist op de incidentele vordering en Reaal verlof verleent voor oproeping in vrijwaring. Hij heeft in de hoofdzaak niet de dag bepaald waarop deze weer op de rol zal komen, maar in een afzonderlijk vonnis in de hoofdzaak een eindvonnis gewezen, overwegende dat Reaal ondanks daartoe in de gelegenheid gesteld niet van antwoord heeft gediend, zodat de vordering van [gedaagde] onweersproken is gebleven en deze vordering toegewezen.

4.9

Door [gedaagde] is het standpunt ingenomen dat deze gang van zaken juist is geweest. Hij heeft in dit verband gewezen op het bepaalde in artikel 2.9 van het Landelijk Rolreglement voor rolzaken kanton welk artikel luidt als volgt:

2.9

Termijnen voor verrichten proceshandelingen, algemeen

Voor het verrichten van een proceshandeling zal aan een in het geding verschenen partij een termijn van vier weken worden verleend, die – op verzoek van één der partijen – met één termijn van vier weken kan worden verlengd.

Verder uitstel wordt niet verleend, behoudens:

 op eenstemmig verzoek van partijen, tenzij dit zou leiden tot een onredelijke vertraging van het geding, dan wel

 op een schriftelijk, gemotiveerd verzoek van één partij op grond van klemmende redenen.

Een uitstelverzoek kan onder bijzondere omstandigheden worden toegewezen voor een kortere termijn dan verzocht.

[gedaagde] heeft verklaard dat hij geen toestemming heeft verleend voor een nader uitstel en dat door Reaal geen uitstel is verzocht op grond van klemmende redenen.

4.10

De voorzieningenrechter overweegt dat het procesreglement geen wet is maar regelgeving teneinde een eenvormige werkwijze binnen de verschillende teams kanton te bevorderen. Het staat de rolrechter echter vrij om indien hij dat op grond van een goede, eerlijke, procesgang nodig acht van bepalingen in het reglement af te wijken. Op grond van de feitelijke gang van zaken in de procedure bij de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat Reaal het voorschrift in artikel 210 Rv heeft nageleefd en haar incidentele conclusie heeft ingediend op de datum die bepaald voor het nemen van de conclusie van antwoord. Zij ging er op basis van de wet van uit dat op het incident zou worden beslist en dat haar vervolgens een termijn zou worden gegund voor het nemen van de conclusie van antwoord. De kantonrechter heeft evenwel in zijn overweging betrokken dat Reaal op 25 maart 2015 peremptoir stond voor het nemen van haar conclusie van antwoord en dat, nu zij die conclusie op die datum niet heeft genomen, zij daarmee te laat was en hij heeft aan Hoezee terzake akte niet dienen verleend.

4.11

De vraag die thans beantwoord moet worden is of Reaal, gelet op de peremptoirstelling, gehouden was haar conclusie van antwoord gelijktijdig te nemen met haar incidentele conclusie. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet die vraag ontkennend beantwoord worden. In de wet is hieromtrent niets bepaald. Door Reaal niet alsnog in de gelegenheid te stellen van antwoord te dienen is haar de mogelijkheid om verweer te voeren in de hoofdzaak ontnomen. Om die reden wordt geoordeeld dat voldoende aannemelijk geworden is dat het vonnis van de kantonrechter klaarblijkelijk berust op een kennelijke juridische misslag en dat Hoezee misbruik maakt van zijn executierecht door thans de executie van dat vonnis te willen voortzetten. Reaal heeft voldoende belang bij de gevorderde schorsing. De primair gevorderde schorsing van de executie totdat het gerechtshof eindarrest zal hebben gewezen, is toewijsbaar.

4.12

Hoezee zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- schorst de executie/tenuitvoerlegging van het tussen partijen op 13 mei 2015 onder zaak- en rolnummer 3740691\CV EXPL 15-157 gewezen vonnis totdat het gerechtshof te Amsterdam in hoger beroep eindarrest zal hebben gewezen;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Reaal begroot op € 709,06 aan verschotten en op € 816,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. Th.S. Röell, voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015 in tegenwoordigheid van

C. Vis-van Zanden, griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist