Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:635

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
C-14-151888 - FA RK 14-209
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

limitering partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

RvD

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/14/151888 / FA RK 14-209

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 4 februari 2015 (bij vervroeging)

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E. van Meeteren, kantoorhoudende te Schagen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. V.E. de Haas, kantoorhoudende te Schagen.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 29 januari 2014;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 26 maart 2014;

- het bericht van 23 december 2014, met bijlagen, van de man;

- het bericht van 29 december 2014, met bijlagen, van de vrouw.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 januari 2015 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. Van Meeteren en de vrouw, bijgestaan door mr. De Haas.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 9 november 2011 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Alkmaar van 11 augustus 2011.

2.2

Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

2.3

Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) zal betalen van € 1.080,00 per maand.

2.4

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2014 € 1.122,65 per maand.

2.5

De man is op [huwelijksdatum] gehuwd met [echtgenote]. Zijn echtgenote heeft twee minderjarige kinderen uit eerdere relaties.

3 Verzoek en verweer

3.1

De man verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de echtscheidingsbeschikking van 11 augustus 2011 te wijzigen in die zin dat de man aan de vrouw:

  1. geen partnerbijdrage meer zal behoeven te betalen,

  2. de partnerbijdrage op nihil te stellen dan wel,

  3. de partnerbijdrage op een veel lager bedrag te bepalen dan het bedrag waarop de bijdrage thans is bepaald,

al het voorgaande met ingang van 1 januari 2013, zijnde de datum waarop de aan de vrouw kenbaar gemaakte wijziging van inkomen is ingegaan, althans met ingang van de datum waartegen de man de partnerbijdrage daadwerkelijk heeft moeten staken (te weten 1 april 2013), dan wel met ingang van de datum waartegen de vrouw (bewijsbaar) contact heeft opgenomen met haar eigen advocaat mr. V.E. de Haas, namelijk op 20 november 2013 en zij (eindelijk) afschriften beschikbaar heeft gesteld van haar eigen jaarrekeningen 2011 en 2012 en/of ingaande de datum waarop onderhavig verzoekschrift is ingediend, dan wel met ingang van een datum die de rechtbank juist acht en voorts te bepalen:

Dat ingeval de man nog geacht wordt in staat te zijn een bijdrage te betalen, deze toe te kennen/vast te stellen voor een bepaalde kortst mogelijke termijn die de rechtbank juist acht.

In het onverhoopte geval dat wijziging van de bijdrage eerst ingaat per datum van indiening van het verzoekschrift, dan wenst de man te verzoeken dat de rechtbank vaststelt dat hij niet gehouden zal zijn het (volledige) bedrag van de thans bestaande achterstand te voldoen.

3.2

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel zijn verzoeken te ontzeggen.

4 Beoordeling

4.1

De man woont in Brazilië. Omdat de vrouw, verweerster en onderhoudsgerechtigde, in Nederland woonachtig is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en is het Nederlandse recht van toepassing.

Artikel 1:160 BW

4.2

Ter zitting heeft de man de grondslag van zijn primaire verzoek aangevuld met hetgeen is bepaald in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man betoogt dat hij ten tijde van het indienen van het verzoekschrift reeds sterk de indruk had dat de vrouw een nieuwe vaste partner heeft. Omdat hij van derden vernomen heeft dat de vrouw inmiddels zwanger is van haar partner, stelt de man zich op het standpunt dat deze relatie zeer wel te vergelijken is met een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, zodat zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw op grond daarvan is geëindigd.

4.3

De vrouw meent dat de man beëindiging van de onderhoudsplicht op grond van artikel 1:160 BW eerst ter zitting en derhalve te laat, aan de orde heeft gesteld. Los daarvan is volgens de vrouw niet voldaan aan de criteria als vermeld in voornoemd artikel, reeds omdat zij niet samenwoont met haar partner. De vrouw stelt dat zij - ook na de geboorte van het kind - bewust kiest voor een latrelatie, omdat zij op eigen benen wil staan.

4.4

Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat de rechtbank de aanvulling door de man van de grondslag van zijn verzoek met artikel 1:160 BW wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te laten, volgt de rechtbank de vrouw daarin niet. De vrouw heeft ter zitting voldoende gelegenheid gehad om daarop te reageren en niet gebleken is dat zij in haar procesbelangen is geschaad. Desalniettemin heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld om zijn beroep op voornoemd artikel te doen slagen. De man heeft nagelaten om te stellen en te onderbouwen dat voldaan is aan de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria voor het samenleven als ware zij gehuwd, terwijl dit op zijn weg lag.

Limitering

4.5

In het geval de rechtbank geen aanleiding ziet tot beëindiging van de onderhoudsplicht van de man op grond van artikel 1:160 BW, legt de man aan zijn primaire verzoek ten grondslag dat de uit het huwelijk voortvloeiende lotsverbondenheid van partijen als grond voor de onderhoudsplicht is komen te vervallen. Ook om die reden meent de man dat er een einde moet komen aan zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw. Dat de vrouw een kind verwacht met haar huidige partner geeft impliciet aan dat zij geen lotsverbondenheid meer jegens de man voelt. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid acht de man het dan ook onaanvaardbaar en bovendien grievend dat de vrouw nog altijd een bijdrage van hem verlangt. In dat verband voert de man nog als relevante omstandigheden aan dat vanaf het uiteengaan van partijen inmiddels meer dan drie jaren zijn verstreken, dat uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren, dat de vrouw nog jong is, dat zij diploma’s heeft behaald en dat zij nog altijd zelfstandig ondernemer is. De vrouw heeft laten zien dat zij verder wil als zelfstandig onderneemster en dat zij met succes bouwt aan haar onderneming, aldus de man.

4.6

De vrouw betwist dat uit de argumenten van de man kan worden afgeleid dat een bijdrage op grond van de redelijkheid en billijkheid niet langer van hem kan worden gevergd.

4.7

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:157 lid 1 BW bepaalt dat de rechtbank bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. Ingevolge het vierde lid van dat artikel eindigt deze verplichting van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren. Het derde lid van voornoemd artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn kan vaststellen.

Bij de bepaling van de onderhoudsbijdrage dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. Dat zijn niet alleen financiële omstandigheden, die de behoeftigheid en de draagkracht bepalen, maar ook niet-financiële omstandigheden. De vraag die daarbij een belangrijke rol speelt, is of van de onderhoudsplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. In dat kader dient in de overweging de lotsverbondenheid meegenomen te worden, een van de voornaamste gronden van de onderhoudsplicht.

Naar het oordeel van de rechtbank staat, anders dan de vrouw stelt, de afwijzing van het eerdere verzoek van de man tot limitering bij de echtscheidingsbeschikking, niet aan een verzoek tot limitering in de onderhavige procedure in de weg. Op grond van wijziging van omstandigheden kan immers gedurende de lopende termijn wijziging in de hoogte dan wel verkorting van de termijn worden verzocht. Dat sprake is van relevant gewijzigde omstandigheden in de situatie van beide partijen sinds de echtscheidingsbeschikking, staat naar het oordeel van de rechtbank vast, reeds omdat de man zich inmiddels definitief in Brazilië heeft gevestigd en daar een gezin vormt met zijn echtgenote en haar kinderen. Dit betekent dat de rechtbank zal beoordelen of thans grond bestaat tot beperking van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw in duur.

4.8

De rechtbank stelt voorop dat het huwelijk van partijen de verdiencapaciteit van de vrouw niet heeft beperkt. Daartoe wordt overwogen dat de opleidingsmogelijkheden van de vrouw en haar kansen op de arbeidsmarkt niet negatief zijn beïnvloed door de zorg voor kinderen. Op het moment van de echtscheiding was de vrouw relatief jong, namelijk 33 jaar oud, en thans is zij 36 jaar oud, zodat zij nog voldoende carrièreperspectief heeft. Zowel de man als de vrouw was tijdens het huwelijk zelfstandig ondernemer. Tot 1 juli 2009 had de vrouw haar eigen onderneming “Sieraden & Gifts – Nagelstudio”. Ten tijde van de echtscheiding was de vrouw wederom bezig om een beautysalon op te richten. Daarnaast heeft zij de verkoop van de door haar uit het buitenland geïmporteerde sierraden voortgezet. Blijkens de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank destijds bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw rekening gehouden met het feit dat haar bedrijf zich in de opstartende fase bevond en dat de vrouw daarmee nog een beperkt inkomen van € 924,00 per maand kon genereren. Sindsdien is er 3,5 jaar verstreken. De vrouw is inmiddels gediplomeerd schoonheidsspecialiste en werkt nog steeds in haar eigen beautysalon.

Daarnaast acht de rechtbank van belang dat beide partijen reeds langere tijd een bestendige relatie met hun huidige partner hebben. De man is op 1 augustus 2012 getrouwd met zijn echtgenote. Hij vormt met zijn echtgenote en haar minderjarige kinderen in Brazilië een gezin. De vrouw heeft sinds drie jaar een relatie met haar partner.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde feitelijke omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de lotsverbondenheid van partijen reeds ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in zodanige mate was komen te vervallen dat in redelijkheid niet langer van de man kan worden gevergd dat hij een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voldoet. Daar komt thans nog bij dat de vrouw en haar partner in maart 2015 de geboorte van hun kind verwachten.

Van de vrouw mag worden verlangd dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, ook wanneer dit betekent dat zij op zoek moet naar een betrekking in loondienst. Dat de vrouw niet samenwoont met haar partner, leidt onder de gegeven omstandigheden niet tot een ander oordeel, nu dit een bewuste keuze van de vrouw is, waarvan de gevolgen voor haar eigen rekening komen.

4.9

Op grond van het vorenoverwogene bestaat aanleiding om de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw verder in duur te beperken dan de termijn die van rechtswege voortvloeit uit artikel 1:157 lid 4 BW. De rechtbank zal de onderhoudsplicht van de man beëindigen met ingang van 29 januari 2014, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift, aangezien de vrouw vanaf die datum daadwerkelijk rekening kon houden met het wegvallen van de partnerbijdrage.

4.10

Gelet op deze beslissing behoeven de stellingen van partijen over de behoeftigheid en de behoefte van de vrouw, alsmede de draagkracht van de man, geen bespreking.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1

beëindigt de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 29 januari 2014;

5.2

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.

”Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden”.