Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:6183

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
C-15-228827 - KG ZA 15-514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval staat ter beoordeling of grond bestaat voor opheffing van een gelegd conservatoir beslag op een perceel. De voorzieningenrechter heeft destijds het verlof verleend op basis van de stelling dat de man jegens de vrouw schadeplichtig was. Na het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst heeft de vrouw haar eis in de hoofdzaak gewijzigd, in die zin dat zij in plaats van schadevergoeding, nakoming vordert van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst.

Door het wijzigen van de eis in de hoofdzaak is de vordering waarvoor het beslag is gelegd, niet langer onderwerp van geschil in de hoofdzaak. Dit brengt met zich dat het beslag moet worden geacht te zijn gelegd voor een niet bestaande vordering. Beslag opgeheven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/143

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/228827 / KG ZA 15-514

Vonnis in kort geding van 10 juli 2015

in de zaak van

[eiser/verweerder] ,

wonende te [adres],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L.W. Castelijns,

tegen

[gedaagde/eiseres] ,

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.N. Hermes.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de voorwaardelijke eis in reconventie;

  • -

    de brief van de vrouw van 7 juli 2015 met producties;

  • -

    het faxbericht van de zijde van de man d.d. 9 juli 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van de man;

  • -

    de pleitnota van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 28 augustus 2004 in de gemeente Velsen op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

2.2.

Bij echtscheidingsbeschikking van 16 oktober 2012 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.3.

De man heeft hoger beroep aangetekend tegen de echtscheidingsbeschikking, welke procedure thans nog aanhangig is.

2.4.

Ter zekerheid van betalingen in het kader van de echtscheiding heeft de vrouw

conservatoir beslag gelegd bij de man op zijn vermogensbestanddelen, waaronder:

- de woning en het bijbehorende perceel aan de [adres]. Op de woning en de percelen rust een hypothecaire geldlening waarvoor de man hoofdelijk aansprakelijk is. De woning staat op last van Staalbankiers in de verkoop, alsmede de percelen [adres];

- het pand en het bijbehorende perceel aan de [adres];

- horecapanden waarvan de man 1/3 eigenaar is aan de [adres], de [adres] en de [adres]. Op deze panden rust een hypothecaire geldlening waarvoor de man samen met twee mede-eigenaren hoofdelijk aansprakelijk is.

2.5.

In het beslagrekest van 12 februari 2013 heeft de vrouw aangevoerd:

“(…) 4. De vrouw was van oordeel dat de onderhandelingen tussen partijen in een zodanig vergevorderd stadium verkeren dat de man hier niet meer eenzijdig op kan terugkomen zonder schadeplichtig te zijn jegens de vrouw. De vrouw heeft derhalve diverse conservatoire beslagen laten leggen onder de man en een dagvaardingsprocedure gestart. Deze procedure is bij uw rechtbank bekend onder nummer [nummer].

5. Na de echtscheidingsbeschikking hebben partijen overeenstemming bereikt over een nieuwe financiële afwikkeling. Dit document is door beide partijen ondertekend.

6. Thans weigert de man ook die overeenkomst na te komen, hoewel uw rechtbank inmiddels bij beschikking heeft vastgesteld dat er een overeenkomst is gesloten (…). De vrouw zal in de bodemprocedure die reeds aanhangig is, haar eis wijzigen.

7. De vrouw begroot de schade die zij lijdt doordat de man thans niet langer de overeenkomst wenst na te komen op € 300.000,-, zo blijkt uit de overeenkomst als overgelegd in productie 3. Vermeerderd met kosten en rente is dit zo’n € 330.000,-. (…)”

2.6.

Op 24 mei 2013 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Voor zover van belang, bevat deze vaststellingsovereenkomst de volgende bepalingen:

“(…)

4. Partijen zijn overeengekomen de alimentatie die de man met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk van partijen aan de vrouw verschuldigd zal zijn af foor betaling van een naar bedoeling van partijen netto afkoopsom ter waarde van € 300.000,-. De betaling vindt plaats als volgt:

A. De man zal een bedrag van € 180.000,- aan de vrouw voldoen door middel van zijn aandeel in een aantal onroerende zaken, dan wel door verrekening met de vordering van de man op de vrouw ter zake van verdeling van een beperkte huwelijksgemeenschap. (…) De man zal zijn aandeel in de onroerende zaken, welke partijen op een bedrag van € 180.000,- stellen, na inbreng van deze panden in een beperkte gemeenschap, toedelen aan de vrouw.

(…)

Voorts zal de man een bedrag van € 120.000,- aan de vrouw voldoen.

(…)

B. In het geval het 1/3e aandeel van de man in de horecapanden niet kan worden overgedragen aan de vrouw, omdat hiervoor toestemming van de mede-eigenaren nodig is en deze niet wordt verleend, zal de man een bedrag van € 18.000,- aan de vrouw voldoen door ervoor zorg te dragen dat de eigendomsverdeling van de onroerende zaken als volgt zal worden gewijzigd. (…)

Voorts zal de man een bedrag van € 120.000,- aan de vrouw voldoen.

(…)

C. In het geval het onder B gestelde niet kan worden uitgevoerd omdat hetzij de bank geen akkoord geeft (voor zover dit nodig is) dan wel in het geval de vrouw de op de panden rustende hypothecaire leningen zoals genoemd onder A, niet op haar naam kan stellen, zal de door de man te verkrijgen woning aan de [adres] vrij ban hypotheek en vrij van verpanding aan de vrouw worden overgedragen, eveneens na vestiging van een beperkte gemeenschap.

(…)

G. De man is een bedrag aan voorlopige partneralimentatie achterstallig van

€ 14.500,-. Te dien aanzien komen partijen het volgende overeen. De man zal voor 1 juni 2013 een bedrag van € 5.000,- aan de vrouw betaalbaar stellen, voor 1 september 2013 wederom een bedrag van € 5.000 en voor 31 december wederom een bedrag van € 4.500,-.

H. Vanaf 1 juni 2013 is de man geen partneralimentatie meer verschuldigd, doch zal de vrouw gerechtigd zijn tot de netto huurpenningen op de horecapanden als bedoeld onder A. De man zal ervoor zorg dragen dat deze huurpenningen vrij zijn van verpanding dan wel van aanspraken van derden hierop. De man zal aan de beheerder opdracht geven 1/3e deel van de netto huurinkomsten met ingang van 1 juni 2013 over te maken aan de vrouw. (…)”

2.7.

In de bodemprocedure met nummer [nummer] heeft de vrouw haar eis gewijzigd in die zin dat zij in plaats van schadevergoeding nakoming vordert van de vaststellingsovereenkomst van 24 mei 2013. Bij vonnis van 7 mei 2014 van deze rechtbank heeft de rechtbank op de gewijzigde eis de man veroordeeld om mee te werken aan het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden van partijen met dien verstande dat er een beperkte huwelijksgemeenschap wordt aangegaan met betrekking tot de woning aan de [adres] en de daarop rustende hypothecaire lening, alsmede mee te werken aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw, vrij van hypotheek en verpanding. Het hoger beroep in deze zaak is aanhangig bij het gerechtshof te Amsterdam.

2.8.

Blijkens een koopovereenkomst van 5 december 2014 heeft de man een gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [adres] verkocht. In de koopovereenkomst is bepaald dat de feitelijke levering en aanvaarding plaatsvindt op 30 juni 2015 of zoveel eerder als mogelijk.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“ Primair

I. gedaagde te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis het ten laste van eiser op 14 februari 2013 gelegde conservatoir beslag onder het perceel kadastraal bekend met aanduiding [adres], [adres] op te heffen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat zij met de volledige naleving van deze veroordeling in gebreke blijft;

Subsidiair

II. het door gedaagde ten laste van eiser op 14 februari 2013 gelegde conservatoir beslag onder het perceel kadastraal bekend met aanduiding [adres] op te heffen;

Primair en subsidiair

III. gedaagde te veroordelen in alle kosten en/of claim van de koper van de percelen, kadastraal aangeduid als [adres], op de man, vanwege het niet tijdig op heffen van het beslag;

IV. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de onder de kostenveroordeling vallende bedragen, indien en voor zover deze niet binnen veertien dagen na vonniswijzing zijn voldaan.”

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De vrouw vordert, in het geval dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het beslag opgeheven dient te worden, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

“1. het afgesplitste deel (het slootje), kadastraal bekend als [adres], vrij van beslag mag worden geleverd aan [A.] onder de voorwaarden dat een reële verkoopprijs wordt betaald en dat deze koopprijs geheel en onvoorwaardelijk wordt aangewend ter aflossing van de hypothecaire lening rustend op het genoemd perceel bouwland/weiland, kadastraal bekend als gemeente Beemster deel Gnummer 1085, ingeschreven d.d. 21 maart 2011 in deel [nummer];

2. bij de splitsing van het kadastraal object bekend als Gemeente [adres], het aan de familie [B.] verkochte nog af te splitsen gedeelte van voornoemd perceel bouwland/weiland, vrij van beslag mag worden geleverd aan genoemde familie [B.] onder de voorwaarde dat a) de koopprijs ad € 210.000,00 reëel is voor het verkochte en te leveren gedeelte van voornoemd perceel/weiland en b) deze koopprijs geheel en onvoorwaardelijke wordt aangewend ter aflossing van de hypothecaire lening rustend op voornoemd perceel bouwland / weiland, ingeschreven d.d. 21 maart 2011 in deel [nummer].

4.2.

De man voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Ingevolge artikel 705 lid 1 Rv kan de voorzieningenrechter die verlof tot beslag heeft gegeven rechtdoende in kortgeding het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. Alleen al hierom treft het betoog van de vrouw dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering geen doel.

5.2.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481).

5.3.

In het onderhavige geval staat ter beoordeling of grond bestaat voor opheffing van het op 14 februari 2013 gelegde conservatoir beslag op het perceel kadastraal bekend met aanduiding [adres], [adres]. De voorzieningenrechter heeft destijds het verlof verleend op basis van de stelling van de vrouw dat de man jegens haar schadeplichtig was. Na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst van 24 mei 2013 heeft de vrouw haar eis in de hoofdzaak gewijzigd in die zin dat zij in plaats van schadevergoeding, nakoming vordert van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst.

5.4.

Door het wijzigen van de eis in de hoofdzaak, is de vordering waarvoor beslag is gelegd – zijnde een vordering tot betaling van schadevergoeding – niet langer onderwerp van geschil in de hoofdzaak. Deze vordering is immers ten gevolge van de vaststellingsovereenkomst van 24 mei 2013 komen te vervallen. Dit brengt met zich dat het beslag thans moet worden geacht te zijn gelegd voor een niet bestaande vordering. Het beslag zal daarom moeten worden opgeheven. De vrouw zal daartoe op na te melden wijze worden veroordeeld, waarbij de voorzieningenrechter in aanmerking neemt dat de man ter zitting heeft verklaard zijn vordering niet te handhaven voor wat betreft de woning op het kadastrale perceel gemeente [adres].

5.5.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als na te melden.

5.6.

De vordering van de man om de vrouw te veroordelen in alle kosten en/of claims van de koper van de percelen is te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen.

5.7.

Gelet op de familierechtelijke verhouding tussen partijen zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Nu de vordering in conventie zal worden toegewezen is aan de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld voldaan. Aangezien in conventie is bepaald dat de vrouw het beslag onvoorwaardelijk zal moeten opheffen, zal haar vordering bij gebrek aan een deugdelijke grondslag worden afgewezen.

6.2.

Gelet op de familierechtelijke verhouding tussen partijen zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt de vrouw om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het ten laste van eiser op 14 februari 2013 gelegde conservatoir beslag op de percelen kadastraal bekend gemeente [adres] op te heffen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat zij met de volledige naleving van deze veroordeling in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,-;

7.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

7.3.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

7.5.

wijst de vorderingen af;

7.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.C.M. Martens op 10 juli 2015.1

1 Conc.: 702