Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:6113

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
15/810133-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; deels bekennende verdachte; verweren met betrekking tot onrechtmatige binnentreding/doorzoeking en niet representatief aantal monsters die zouden zijn verzonden naar het NFI (bewijsuitsluiting) verworpen; verweer met betrekking tot onvoldoende steunbewijs voor aangifte van mishandeling en beschadiging fiets verworpen; verweer met betrekking tot ontbreken van bestanddeel letsel en/of pijn is bekomen verworpen gelet op uitspraak van de Hoge Raad van 12 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1237); vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf 240 uren; onttrekking aan het verkeer van verdovende middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810133-14

Uitspraakdatum: 30 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. Vollebregt en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.A. Bloemberg, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 25 maart 2014 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid:

- 4- hydroxyboterzuur (GHB) (te weten 460 ml en/of 1150 ml) en/of

- amfetamine (in meerdere capsules) en/of

- 3,4 methyleendioxy(meth)amfetamine (MDMA/MDA) (een zak met ongeveer 750 pillen en/of een hoeveelheid poeder en/of in meerdere capsules)

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of amfetamine en/of MD(M)A, zijnde GHB en/of amfetamine en/of MD(M)A een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

hij op of omstreeks 25 maart 2014 te Haarlem een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

hij op of omstreeks 25 maart 2014 te Bloemendaal opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (met kracht) een kopstoot heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 4:

hij op of omstreeks 23 december 2014 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te duwen waardoor deze [slachtoffer 2] ten val is gekomen

en/of

hij op of omstreeks 23 december 2014 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij verdachte die [slachtoffer 2] met zijn fiets ten val gebracht.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de mishandeling onder feit 4 heeft zij ontslag van alle rechtsvervolging en voor de beschadiging van de fiets onder hetzelfde feit heeft zij vrijspraak verzocht.

3.3. Bewijsmiddelverweer

De raadsvrouw heeft betoogd dat het doorzoeken van de woning van verdachte onrechtmatig is geweest. Verdachte heeft namelijk alleen toestemming gegeven om de taser uit de woning te halen. Hij heeft een specifieke beschrijving gegeven van de plaats waar deze zou liggen. Alle goederen die na het aantreffen van de taser zijn aangetroffen dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft gezegd dat de politie ‘mag kijken’ in zijn woning, wanneer hij wordt geconfronteerd met de informatie dat hij een vuurwapen in zijn woning zou hebben (proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 25 maart 2015, dossierpagina 10). Verdachte heeft daarmee toestemming gegeven om zijn woning te doorzoeken op vuurwapens. De politie heeft op plekken gezocht in het huis, waarvan [betrokkene] had gezegd dat zich daar mogelijk een vuurwapen zou bevinden (proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2015, dossierpagina 168). Wanneer de politie op een van de aldus aangewezen plekken een hoeveelheid pillen aantreft, wordt de doorzoeking bevroren en wordt de rechter-commissaris in kennis gesteld. Daarna wordt de doorzoeking voortgezet met machtiging van de rechter-commissaris en zijn verdovende middelen in de woning aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank is de doorzoeking rechtmatig geweest nu verdachte toestemming heeft gegeven om zijn woning op vuurwapens te doorzoeken. Alle goederen die na het aantreffen van de taser zijn aangetroffen kunnen derhalve voor het bewijs worden gebruikt.

3.4.1. Redengevende feiten en omstandigheden feit 11

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 25 maart 2014 zijn in de woning van verdachte te Haarlem verdovende middelen aangetroffen. Het betreffen twee flessen met 460 milliliter vloeistof en vijf flessen met in totaal 1150 milliliter vloeistof. Ook worden er meerdere verschillende capsules en pillen aangetroffen, een zak met 750 pillen, een amberkleurige brok en een zak met blauw poeder. Monsters van de vloeistof, capsules, pillen en het poeder worden naar het Nederlands Forensisch Instituut gestuurd.2 Uit het onderzoek van die monsters aldaar blijkt dat de vloeistof GHB bevat, meerdere capsules amfetamine bevatten, de pillen uit de zak met 750 pillen MDMA en/of MDA bevat, het brok en het blauwe poeder MDMA bevatten.3 Verdachte heeft bij zijn inverzekeringstelling verklaard dat hij de middelen die bij hem thuis zijn aangetroffen gebruikt om eigen medicijnen te maken. Hij vult de capsules met onder andere amfetamine.4

3.4.2. Redengevende feiten en omstandigheden feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van wapenexpertise d.d. 26 maart 2014 (dossierpagina’s 188-193).

3.4.3. Redengevende feiten en omstandigheden feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 25 maart 2014 (dossierpagina’s 161-162).

3.4.4. Redengevende feiten en omstandigheden feit 4 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 4 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 23 december 2014 rijdt verdachte met zijn scooter door Haarlem. Op een gegeven moment haalt hij een fietser, [slachtoffer 2], in. De inhaalmanoeuvre gaat niet helemaal soepel en er is contact tussen beiden. Verdachte rijdt door maar blijft verderop stilstaan. [slachtoffer 2] passeert verdachte weer, waarna verdachte achter hem aanrijdt. Wanneer verdachte [slachtoffer 2] weer inhaalt en naast hem rijdt, geeft hij [slachtoffer 2] een duw.6 [slachtoffer 2] valt met zijn fiets op de grond.7 De jas en de fiets van [slachtoffer 2] hebben schade opgelopen door de val.8

3.5. Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft bepleit dat bij feit 1 slechts van de door het NFI geteste monsters bewezen kan worden verklaard dat zij de tenlastegelegde verdovende middelen bevatten. Van de overige tenlastegelegde hoeveelheid verdovende middelen dient vrijspraak te volgen. Dit omdat de hoeveelheid monsters die naar het NFI is gestuurd niet representatief is, nu dit niet volgens de FT-normen heeft plaatsgevonden. Bij de zeven flessen met vloeistof die GHB zouden bevatten zijn deze normen evenmin in acht genomen. Bovendien is er alleen een monster gehaald uit één van de twee flessen die samen 460 milliliter bevatten. Op de overige vijf flessen met in totaal 1150 milliliter vloeistof, die elders in de woning zijn aangetroffen, is alleen een indicatieve test gedaan. Nu er geen ander bewijs is, kan van die laatste hoeveelheid niet worden gezegd dat deze GHB bevat. Ook ten aanzien van de aangetroffen tabletten en capsules geldt dat de genomen monsters te weinig tabletten/capsules bevatten, zodat die monsters niet representatief zijn. Derhalve kan alleen van de hoeveelheid die door het NFI is getest bewezen worden verklaard dat deze drugs bevatten, voor het overige dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsvrouw.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de mishandeling en de beschadiging, zoals onder feit 4 ten laste zijn gelegd, niet bewezen kunnen worden verklaard. Het opzet van verdachte was niet gericht op de val van [slachtoffer 2] en op het toebrengen van pijn of letsel. Voorts is er geen steunbewijs dat de fiets van [slachtoffer 2] is beschadigd. Derhalve dient vrijspraak voor feit 4 te volgen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar verweren en overweegt hieromtrent als volgt. Uit het dossier blijkt van de verschillende aangetroffen hoeveelheden pillen, uit welke hoeveelheden telkens een monster is genomen en dat die pillen uiterlijk telkens identiek zijn aan elkaar. De rechtbank is van oordeel dat gelet daarop en gelet op de omstandigheid dat van een aantal pillen bovendien de MMC-test, welke een indicatie geeft, wees op de aanwezigheid van MDMA, de beschreven monsters voldoende representatief zijn geweest om de stof te testen en om van de uitslag van die test uit te kunnen gaan. Hetzelfde geldt voor de aangetroffen capsules, waarvan verdachte zelf bovendien heeft verklaard dat het om amfetamine zou gaan. Dit geldt ook ten aanzien van de aangetroffen flessen met vloeistof, waarbij de rechtbank nog het volgende overweegt. Op de foto’s op dossierpagina’s 37 en 84 is te zien dat de zeven flessen met vloeistof sterk op elkaar lijken. Voorts staat op dossierpagina 221 dat de 1150 milliliter vloeistof uit de vijf flessen visueel en verpakkingsgewijs exact overeenkomen met de twee flessen waar in totaal 460 milliliter vloeistof in zat en waarvan (uit één fles) een monster is genomen dat naar het NFI is verzonden. Daarbij komt dat de 1150 milliliter positief is getest met de MMC GHB-GBL test, zodat ook daaruit een indicatie bestaat dat deze 1150 milliliter GHB bevat. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat de gehele aangetroffen hoeveelheid vloeistof GHB bevat. Derhalve kan naar oordeel van de rechtbank de gehele hoeveelheid aangetroffen en ten laste gelegde verdovende middelen bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het verweer dat betrekking heeft op feit 4 overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte is met zijn scooter op de bewuste dag [slachtoffer 2] op het fietspad gepasseerd en is aangesproken door [slachtoffer 2] over de manier waarop dat gebeurde. Verdachte is toen doorgereden en even verderop stil gaan staan om [slachtoffer 2] op te wachten. Toen deze weer langs verdachte fietste, is hij achter hem aangereden. Wanneer verdachte en [slachtoffer 2] op gelijke hoogte rijden, geeft verdachte [slachtoffer 2] een duw, waardoor [slachtoffer 2] met zijn fiets ten val is gekomen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm duidt het geven van een duw aan een fietser door iemand die op de scooter passeert, op vol opzet op het toebrengen van pijn en/of letsel bij die fietser. De rechtbank acht de mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen. Bovendien geldt dat bij dat duwen van die fietser de aanmerkelijke kans bestaat dat die fietser op de grond valt en zodoende zijn fiets beschadigt, zoals ook is gebeurd. Verdachte heeft die kans bewust genomen. De beschadiging blijkt uit de aangifte en wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] waaruit blijkt dat [slachtoffer 2] met zijn fiets op de grond viel. Derhalve is aan de wettelijke bewijsminima voldaan. Voorwaardelijk opzet op de beschadiging van de fiets is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij op 25 maart 2014 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid:

- GHB, te weten 460 ml en 1150 ml en

- amfetamine (in meerdere capsules) en

- MDMA/MDA (een zak met ongeveer 750 pillen en een hoeveelheid poeder en in meerdere capsules) zijnde GHB en amfetamine en MD(M)A een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 2

hij op 25 maart 2014 te Haarlem een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad;

Feit 3

hij op 25 maart 2014 te Bloemendaal opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (met kracht) een kopstoot heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 4

hij op 23 december 2014 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te duwen waardoor deze [slachtoffer 2] ten val is gekomen

en

hij op 23 december 2014 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 2] heeft beschadigd, immers heeft hij verdachte die [slachtoffer 2] met zijn fiets ten val gebracht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

De raadsvrouw heeft betoogd dat het onder feit 4 bewezenverklaarde niet als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd, omdat het bestandsdeel dat letsel en/of pijn is bekomen, ontbreekt. Verdachte dient derhalve van alle rechtsgevolg te worden ontslagen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog en overweegt daartoe als volgt. Bewezen is verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te duwen. De term mishandeling houdt (onder andere) in het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn(Hoge Raad 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1237). Dit brengt mee dat de bewezenverklaring niet (nogmaals) behoeft te omvatten dat pijn en/of letsel is bekomen teneinde het bewezenverklaarde te kunnen kwalificeren als ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen en feit 4 kan worden gekwalificeerd als mishandeling.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod meermalen gepleegd;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

Feit 3: mishandeling;

Feit 4: mishandeling én opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest en de onttrekking aan het verkeer van het beslag.

6.2. Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt verzoekt de raadsvrouw om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat de feiten 1 tot en met 3 al 15 maanden oud zijn en het feit dat verdachte first offender is. Een gevangenisstraf is buiten proportioneel, omdat dit de door verdachte ingezette behandeling doorkruist en de omgang met zijn kinderen frustreert. De raadsvrouw verzoekt een taakstraf op te leggen. Ten aanzien van het beslag refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het rapport van Reclassering Nederland d.d. 16 maart 2015 en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.4. Hoofdstraffen

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid amfetamine, MDMA, MDA en GHB. Dit zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De aangetroffen hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Deze handel gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen.

Ook heeft verdachte een stroomstootwapen in zijn woning aanwezig gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot onveiligheid in de maatschappij. De omstandigheid dat het wapen (tijdelijk) buiten werking zou zijn geweest, doet daar niet aan af.

Tevens heeft verdachte twee personen mishandeld waar hij bij één mishandeling ook een fiets heeft beschadigd. Dit zijn ernstige en nare feiten, waarbij niet alleen de slachtoffers last en hinder ondervinden. Ook zorgen deze feiten voor gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de behandeling die hij thans volgt en de tijd die verstreken is sinds de feiten 1 tot en met 3 zijn gepleegd ziet de rechtbank aanleiding enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7. Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een zak met verdovende middelen, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder feit 1 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat voorwerp is begaan en het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp is in strijd met de wet of het algemeen belang.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 485,59,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder feit 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 85,59,- materiële schade, namelijk € 12,- aan stomerijkosten voor zijn jas en € 73,59 aan betaald eigen risico ten aanzien van het bezoek aan de oogarts. Ook wordt € 400,- aan immateriële schade gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 4 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij is namelijk door de duw van verdachte ten val gekomen, waarbij zijn jas vuil is geworden, zodat de kosten van het schoonmaken van de jas voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 73,59 aan eigen risico het volgende. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting weergegeven dat hij een bedrag van € 73,59 aan eigen risico dient te betalen voor onderzoek door de oogarts, tot wie hij zich heeft gewend naar aanleiding van de val van zijn fiets op 23 december 2014. Ter onderbouwing van de vordering is een declaratieoverzicht overgelegd. Dit overzicht betreft weliswaar onderzoek door de Afdeling Oogheelkunde in de periode van 22 juli 2014 tot en met 19 oktober 2014, welke periode voorafgaat aan de datum van het bewezenverklaarde feit, echter de rechtbank schat de kosten van het eigen risico dat de benadeelde partij met betrekking tot het nieuwe oogonderzoek dat hij heeft ondergaan naar aanleiding van de val van de fiets op 23 december 2014 op ditzelfde bedrag, nu per 1 januari 2015 een nieuwe termijn voor het eigen risico is gaan lopen en de benadeelde partij ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij in 2015 naar de oogarts is geweest. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 250,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling en beschadiging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36f, 57, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 2, 10 van de Opiumwet.

artikel 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Onttrekt aan het verkeer:

9) 1 zak verdovende middelen.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 335,59, bestaande uit € 85,59,- voor de materiële en
€ 250,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 335,59, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. G.D. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 2 april 2014, dossierpagina’s 214-227.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 15 mei 2014, zaaknummer 2014.04.09.008 (aanvraag 001), dossierpagina’s 228-230.

4 Proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 26 maart 2015, dossierpagina 14.

5 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 16 juni 2015 en proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 23 december 2014.

7 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 23 december 2014 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 23 december 2014.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 23 december 2014 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 december 2014 met bijlage, los opgenomen in het strafdossier.