Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:6014

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
15/820383-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bekennende verdachte; bewezenverklaring invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol/in Nederland; verweren met betrekking tot een onherstelbaar vormverzuim (inverzekeringstelling onrechtmatig) in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot strafvermindering verworpen; strafmaatverweer met betrekking tot opzet op 1 kilogram en niet het meerdere eveneens verworpen; oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820383-15 (P)

Uitspraakdatum : 8 juli 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting

van 24 juni 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Burundi),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, locatie Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.C.M. Wildemors en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H. van der Valk, advocaat te Heemstede, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 april 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een

(ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden, nu verdachte het feit heeft bekend.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevinding en overdracht d.d. 17 april 2015 (dossierpagina’s 1 t/m 3);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 17 april 2015 (dossierpagina’s 7 en 8);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 20 april 2015 (dossierpagina 9);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 17 april 2015 (dossierpagina’s 45 t/m 47);

- een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 1 juni 2015 (zaaknummer 2015.05.12.007).

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 17 april 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee en twintig (22) maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er in het onderhavige geval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig was, hetgeen ook is geconstateerd door de rechter-commissaris in zijn proces-verbaal verhoor verdachte rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling d.d. 20 april 2015. Hierdoor is verdachte in zijn (verdedigings-) belang geschaad, aldus de raadsvrouw. Eigenlijk had de rechter-commissaris op dat moment verdachte onmiddellijk in vrijheid moeten stellen, hetgeen hij echter heeft nagelaten.

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening te houden met het voorgaande en strafvermindering toe te passen.

Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die in het dossier en tijdens het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1,97 kilogram heroïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel.

De verspreiding van en handel in heroïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank verwerpt het verweer van verdachte, zoals hierboven onder 6.2 weergegeven, te weten dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan de rechtbank strafvermindering zou moeten toepassen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat een bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling is gegeven, terwijl verdachte wel in detentie is gehouden na afloop van de termijn van inverzekeringstelling en hij vervolgens op 20 april 2015 door de rechter-commissaris in bewaring is gesteld. Gelet hierop is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv dat niet kan worden hersteld. Echter, niet is gesteld dan wel gebleken dat verdachte nadeel heeft geleden als gevolg van dit vormverzuim, zodat het compenseren daarvan door middel van strafvermindering derhalve niet aan de orde is. Voor zover de raadsvrouw nog heeft willen betogen dat de rechter-commissaris verdachte ten onrechte niet in vrijheid heeft gesteld, overweegt de rechtbank nog dat gebreken in de inverzekeringstelling in beginsel niet leiden tot afwijzing van de bewaring en voorts niet is gebleken dat aan de vereisten tot het geven van een bevel tot bewaring niet was voldaan.

Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ervan uit is gegaan dat het om 1 kilogram drugs ging, zodat de rechtbank daar bij de strafmaat rekening mee dient te houden.

Het opzet van verdachte was, in ieder geval in voorwaardelijke zin, gericht op het binnen Nederland brengen van heroïne met een totale hoeveelheid van 1,97 kilogram, zodat verdachte verantwoordelijk wordt gehouden voor de invoer van de aangetroffen hoeveelheid heroïne in zijn bagage. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om bij het bepalen van de strafmaat uit te gaan van een andere hoeveelheid.

Een en ander betekent dat de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting zoekt bij de straf die volgens de LOVS oriëntatiepunten behoort bij de invoer van 1,97 kilogram heroïne.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE EN TWINTIG (22) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. T. Fuchs, voorzitter,

mr. J.C. van den Bos en mr. I.A.M. Tel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. F.A. Rive,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 juli 2015.

Mr. T. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.