Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5965

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
15/700189-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stichting vrijgesproken van discriminatie van persoon met HIV-infectie

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 429quater, geldigheid: 2015-07-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/207
NJFS 2015/189

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Kantonrechter

Locatie Alkmaar

Parketnummer: 15/700189-15 (P)

Uitspraakdatum: 16 juli 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 juli 2015 in de zaak tegen:

Stichting Respijtzorg Alkmaar ,

vestigingsnaam: Het Respijthuis,

gevestigd op het adres (1816 PZ) Alkmaar, Van de Veldelaan 972,

(ter zitting) vertegenwoordigd door [de heer A] en [de heer B].

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.C. Storm en van wat de vertegenwoordigers van verdachte en hun raadsman, mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlaste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 29 augustus 2011 tot en met 5 september 2011 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van haar ambt, beroep en/of bedrijf te weten als verantwoordelijke voor / werkgever van de coördinator(en) [mevrouw C] en/of J. [mevrouw D], beiden werkzaam bij Het Respijthuis, zonder redelijke grond, een persoon met een lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, te weten [aangever] (zijnde een persoon met een hiv-infectie) heeft afgewezen voor de functie van vrijwilliger, tengevolge waarvan de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van

gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, voor die [aangever] is teniet gedaan of aangetast.

2 Voorvragen

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Chronologisch verloop sedert de pleegdatum

  1. 9 september 2011 doet aangever aangifte ter zake van discriminatie bij de politie. Als sollicitant zou hij als zorgvrijwilliger door verdachte zijn afgewezen omdat hij een HIV-infectie heeft.

  2. Op 18 januari 2012 seponeert het openbaar ministerie met de code: feit niet strafbaar.

  3. De Commissie Gelijke Behandeling (thans: College voor de Rechten van de Mens) stelt op 31 januari 2012 klager in het gelijk.

  4. Na de eerdere sepotbeslissing blijft de hoofdofficier van justitie bij deze beslissing en adviseert de advocaat-generaal bij het Gerechtshof Amsterdam dienovereenkomstig. Bij beslissing ex artikel 12 beslist het hof op 10 januari 2014 evenwel anders. Het hof overweegt onder meer: “Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat het begrip “handicap” zoals vermeld in artikel 429quater Sr., in het wetgevingsproces welbewust niet nader is omschreven. De inkleuring van dit begrip hangt mede af van de uitleg van artikel 2 Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Bij toetsing aan deze bepaling is de Commissie Gelijke Behandeling tot de conclusie gekomen dat in dit geval sprake was van het maken van een verboden onderscheid door beklaagde.

Het Hof is gelet op vorenstaande, van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de strafrechter, indien de zaak aan hem zou worden voorgelegd, tot het oordeel komt dat het begrip “handicap” in artikel 429quater Sr. tevens betrekking heeft op een chronische ziekte zoals HIV. Mede in het licht van de maatschappelijke relevantie van de onderhavige zaak, acht het hof vervolging dan ook aangewezen. De omstandigheid dat namens beklaagde is aangevoerd dat klager niet vanwege zijn HIV-besmetting is afgewezen, maar vanwege zijn gedrag, doet hier niet aan af, nu die stelling geen bevestiging vindt in de eerdergenoemde, door klager overgelegde transcriptie van een gesprek dat tussen hem en vertegenwoordigers van beklaagde zou hebben plaatsgevonden. De precieze toedracht van één en ander kan ter terechtzitting worden onderzocht.

Het hof zal de klacht daarom toewijzen.”

5. In maart 2014 vinden verhoren door de politie plaats. Het bestuur van de stichting en de coördinatoren daarvan worden door de politie ondervraagd.

6. Op verzoek van de advocaat van verdachte worden kort voor het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2015 de door aangever zonder medeweten van zijn gesprekspartners opgenomen geluidsopnamen van het gesprek op 5 september 2011 aan het strafdossier toegevoegd.

7. Bij aanvullend proces-verbaal d.d. 27 juni 2015 wordt aangever nogmaals gehoord, waarbij is gevoegd diens verslag inzake zijn conditie in de loop der jaren.

Uit het voorgaande volgt dat noch de Commissie Gelijke Behandeling noch het Gerechtshof kennis hebben gehad van het onder de nummers 5 tot en met 7 vermelde.

4 Korte weergave van de inhoud van het strafdossier.

  1. Op 9 september 2011 doet aangever aangifte ter zake van discriminatie. Tijdens het positief verlopen sollicitatiegesprek op 26 augustus 2011, wordt hem namens verdachte het aanbod gedaan een dagdeel als mantelzorger mee te lopen op 28 augustus. Na afloop van dit gesprek doet hij mededeling dat hij seropositief is. Op 29 augustus belt de coördinator [mevrouw C] van de stichting met de mededeling, dat het meelopen gedurende een dagdeel niet doorgaat omdat hij seropositief is. Daarop vindt een gesprek op het kantoor van verdachte plaats, waarbij ook de tweede coördinator [mevrouw D] en de partner van aangever aanwezig zijn. Volgens aangever wordt tijdens het gesprek naar voren gebracht, dat verdachte niets voor een samenwerking voelt. Waarop aangever mededeelt aangifte te zullen doen. Een vervolggesprek vindt 5 september 2011 plaats. Een gesprek dat aangever in het geheim opneemt. De twee coördinatoren en de partner van aangever zijn daarbij wederom aanwezig. Toen is aangever medegedeeld, dat na overleg met het bestuur van de stichting er op dat moment geen samenwerking kan zijn met iemand die seropositief is. Op dit punt zou nog geen beleid zijn geformuleerd. Desgevraagd, deelden de coördinatoren mede, dat zij nog geen tijd hadden gevonden om contact op te nemen met door aangever genoemde HIV-consulent in het MCA (Medisch Centrum Alkmaar). Op 5 september heeft aangever de heer [de heer A] ( vice-voorzitter/secretaris van verdachte) gebeld, die niet voelde voor een gesprek. Aangever eindigt zijn verklaring met onder andere de opmerking, dat hij zich door verdachte gekleineerd voelt.

  2. Genoemde [de heer A] heeft op 3 maart 2014 bij de politie verklaard, dat het bestuur van de stichting in de richting van de coördinatoren heeft aangegeven bij MCA te informeren. Dit is niet gebeurd door tijdsdruk, waarna het geschil met aangever is geëscaleerd. De stichting wilde zich over het seropositief zijn en de consequenties daarvan door de behandelaar laten informeren. De stichting had nog geen enkele conclusie getrokken in de richting van aangever. Na de uitspraak van Commissie Gelijke Behandeling heeft het bestuur van de stichting excuses aan aangever aangeboden. Deze werden niet aanvaard. Aangever wilde dat coördinator [mevrouw C] zou worden ontslagen. Dit is geweigerd. De stichting heeft zich niet schuldig gemaakt aan discriminatie.

  3. Tijdens haar verhoor bij de politie (d.d. 31 maart 2014) geeft coördinator [mevrouw D] een hele andere tekening van de sfeer van de gesprekken met aangever, en zegt zich niet schuldig te hebben gemaakt aan discriminatie. Zij eindigt haar verhoor met: “Als (aangever) nog wat meer geduld had gehad en ons de tijd had gegeven om het een en ander uit te zoeken was het zeker anders gelopen”.

  4. Coördinator [mevrouw C] verklaart op 31 maart 2014 overeenkomstig de verklaring van [mevrouw D]. Volgens haar gaf aangever geen ruimte in het gesprek. Hij stuurde het gesprek constant in de richting van discriminatie. Het is, aldus [mevrouw C], allemaal eerlijk gegaan en uit goede bedoeling hem een vrijwilligersplek aan te bieden. Maar, nog steeds volgens [mevrouw C], gedurende het proces werd de verstandhouding zodanig verstoord door zijn opdringerige houding, dat dit niet meer mogelijk was. Zij sluit af met: “Het heeft met discriminatie niets te maken”.

  5. Het door aangever zelf gemaakte verslag van het opgenomen gesprek van 5 september 2011.

  6. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie inzake het opgenomen gesprek van 5 september 2011, waarin wordt gerelateerd, dat het verslag van aangever van genoemd verslag geheel of nagenoeg geheel overeenkomt met het gesprokene.

Voorts wordt gerelateerd dat het gesprek nog verder gaat dan uitgewerkt in het verslag van aangever. Door aangever wordt onder meer nog gezegd dat hij het gesprek heeft opgenomen als ondersteuning voor het ministerie van justitie en dat ze discrimineren.

5 De bandopnamen van het gesprek van 5 september 2011.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting hebben de officier van justitie en de raadsman opgemerkt dat zij grotendeels respectievelijk geheel de bandopnamen hebben beluisterd. De kantonrechter heeft medegedeeld, dat hij dit integraal heeft gedaan en wel op de dag voorafgaand aan de zitting.

De kantonrechter overweegt dat bij het beluisteren is opgevallen de dominante opstelling van aangever (en zijn partner) - bestaande uit interrumperen en erg sturend zijn in het gesprek - waardoor het voor de twee coördinatoren van de stichting nagenoeg onmogelijk werd gemaakt hun zinnen af te maken.

Voorts is het opmerkelijk dat in het verslag van aangever geen melding is gemaakt van het einde van het gesprek. De afloop bestond - zakelijk samengevat - hieruit, dat na mededeling dat het gesprek was opgenomen, de coördinatoren meedeelden dat aangever en zijn partner de gespreksruimte moesten verlaten omdat het vertrouwen in een toekomstige samenwerking was ontvallen.

6 Standpunten van de procespartijen en de beoordeling daarvan

De officier van justitie heeft aan de hand van haar schriftelijk requisitoir geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, en heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijk geldboete ter hoogte van 500 euro, met daarbij een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde de storting door de stichting van 500 euro ten gunste van het Aidsfonds dan wel een vergelijkbaar fonds, zoals van het Bureau discriminatiezaken Noord-Holland.

De verdediging heeft gepleit tot vrijspraak, waartoe de raadsman zijn pleitnota heeft overgelegd.

Hierna zal de kantonrechter de verschillende aangevoerde aspecten bespreken.

6.1.

In de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf?

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat dit bestanddeel van de delictsomschrijving van artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht niet kan worden bewezen omdat gelet op de doelomschrijving van de stichting zij geen ambt, beroep of bedrijf uitoefent.

De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij. Het genoemde artikel is – kort gezegd – een uitvloeisel van internationale regelingen die beogen discriminatie in het sociaal economisch verkeer terug te dringen. De begrippen ambt, beroep en bedrijf stammen uit een tijd, dat deze juridisch en maatschappelijk een volstrekt onderscheidend vermogen hadden. Dit is sinds jaren niet meer het geval. Gelet op de ratio van de aan de orde zijnde strafbepaling is de kantonrechter van oordeel, dat de stichting op een zodanige wijze aan het sociaal economisch verkeer deelneemt, dat zij als normadressaat heeft te gelden, en dat zij een bedrijf uitoefent. (vgl. ook: ”een rechtspersoon oefent per definitie een bedrijf uit”, aldus Machielse in Noyon/Langemeijer en Remmelink in zijn commentaar ad artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht).

6.2.

Een nader onderzoek naar handicap?

De officier van justitie heeft uitgebreid gemotiveerd aangegeven, dat aangever naar haar mening kampt met een handicap. De door aangever naar voren gebrachte klachten leveren een forse beperking in zijn leven op en zijn van dien aard dat hij in zijn deelname aan het beroepsleven/in de samenleving ernstig wordt belemmerd. Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de behandeling ter zitting aan te houden, dan wel - zo begrijpt de kantonrechter de opstelling van de officier van justitie - tussenvonnis te wijzen, zodat alsnog informatie van de medische behandelaars van aangever kan worden ingewonnen.

Afgezien van het feit dat sedert de opdracht van het hof tot vervolging zo’n anderhalf jaar is verstreken en aangever tijdens zijn sollicitatie in augustus/september 2011 klaarblijkelijk niet zodanige beperkingen ervoer om van zijn sollicitatie af te zien, zal de kantonrechter geen heropening van het onderzoek gelasten, omdat ook om een andere, na te noemen, reden, geen bewezenverklaring van het tenlastegelegde verwijt kan volgen.

Eerst zal echter aan de orde komen het bestanddeel handicap zoals bedoeld in artikel 429quater, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

6.3.

Is het besmet zijn met het HIV-virus een handicap in de zin van artikel 429quater, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht?

Anders dan het Openbaar Ministerie voorafgaande aan en tijdens de beklagperiode, stelt de officier van justitie zich thans op de standpunt dat de voorafgaande vraag met ja moet worden beantwoord. Na verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie in haar schriftelijke requisitoir, bespreekt de officier van justitie de informatie, ontleend aan publicaties van de HIV-vereniging, en komt tot de conclusie dat besmetting met het HIV-virus in zijn algemeenheid niet onder het begrip handicap valt. “Slechts indien als gevolg van een chronische of langdurige ziekte een zodanige beperking optreedt dat een individu niet daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen kan participeren in de samenleving, is er sprake van een handicap”, aldus de officier van justitie. Aan de hand van het aanvullende proces-verbaal van 27 juni 2015, waarbij aangever nogmaals is gehoord, met daarbij gevoegd het verslag van aangever hoe het hem de afgelopen is vergaan, concludeert de officier van justitie vervolgens dat aan de zijde van aangever in de pleegperiode van augustus/september 2011 sprake is geweest van een handicap.

De raadsman heeft enkele citaten uit de parlementaire geschiedenis (2003) aangehaald, waaronder de antwoorden van de toenmalige minister van Justitie Donner op de vragen - waarom het begrip “chronisch zieken” niet is opgenomen in de (straf)wetgeving en - waarom de minister in de Wet gelijke behandeling veel preciezer is: “…..Het gaat zoals gezegd om een handicap, om “disabled persons”. Dat is de kern. Lichamelijk, psychisch of verstandelijk chronische zieken vallen onder de reikwijdte van het wetsvoorstel voor zover hun ziekte een handicap vormt. Echter, een chronische ziekte waardoor men bedlegerig is, wil ik niet als een handicap beschouwen. Het begrip is wel toegevoegd – omdat men daar veel strikter kan zijn – in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte…..Chronische ziekte daarentegen hoeft niet direct zichtbaar te zijn in het functioneren. Als ik dus chronische zieken toevoeg, introduceer ik wederom een onbepaalde situatie in de strafwet…..De strafwet…..veronderstelt een onmiddellijk voor iedereen duidelijk beeld. Dat is bij chronisch zieken bij wie geen sprake is van een handicap niet het geval….”.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er gelet op de parlementaire geschiedenis ten aanzien van het bestanddeel handicap, de inhoud van het strafdossier en het besprokene tijdens het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, dat er aan de zijde van aangever sprake was van een (lichamelijke, psychische of verstandelijke) handicap.

6.4.

Heeft de stichting “zonder redelijk grond” aangever op discriminatoire gronden afgewezen?

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Overtreding van artikel 429quater is een culpoos delict. Het gaat niet om (voorwaardelijk) opzet of schuld aan een misdrijf maar om een overtreding. Bij een overtreding wordt vaak schuld verondersteld. Er moet wel iets zijn, dat wijst op schuld. De kantonrechter heeft in dit geval de vraag te beantwoorden: heeft verdachte op culpose/schuldige wijze aangever als zorgvrijwilliger afgewezen? De kantonrechter beantwoordt deze vraag negatief.

Aan de hand van de inhoud van het dossier en na het integraal beluisteren van de bandopname, komt het navolgende beeld op. Nadat het eerste gesprek met aangever positief was verlopen, immers een dagdeel meedraaien in het Respijthuis werd aangeboden, wist de coördinator zich vervolgens geen raad met de mededeling van aangever dat hij besmet was met het HIV-virus. De twee coördinatoren gaan vervolgens te raden bij het bestuur van de stichting, en krijgen de boodschap mee dat nog geen beleid was geformuleerd. Tijdens het tweede gesprek probeert de coördinator(zorg) samen met de andere coördinator (facilitair) een en ander uiteen zetten, hetgeen niet lukt.

Er wordt nog een afspraak gepland met beide coördinatoren en aangever (5 september 2011), waarbij het de bedoeling was dat er vooraf medische informatie over de ziekte van aangever zou worden ingewonnen. Dat laatste is niet gebeurd. Wederom proberen de coördinatoren een en ander uiteen te zetten tegenover aangever (en zijn partner), hetgeen ook niet lukt.

Daaraan is zeker debet geweest de opstelling van aangever en de aanwezigheid van zijn partner. De aanwezigheid van deze laatste bij een sollicitatiegesprek getuigt ook zeker niet van voldoende professionaliteit aan de zijde van de coördinatoren, eerder op de zekere mate van mededogen en levert een aanwijzing aan de kant van de coördinatoren op om de ontstane impasse op een bevredigende wijze te doorbreken. De mededeling vervolgens dat het gesprek van 5 september 2011 was opgenomen, zet de zaak op scherp, waarna de coördinatoren weigeren het gesprek wegens het ontvallen van het vertrouwen voort te zetten. De kantonrechter kan hieraan geen andere conclusie verbinden dan dat de afwijzing niet op discriminatoire gronden heeft plaatsgevonden, en al helemaal niet dat te dier zake sprake was van schuld. Voor schuld in de zin van de strafwet is meer nodig dan het weinig professioneel handelen door de coördinatoren en door het bestuur van de stichting en het minder handig opereren in de richting van aangever.

Aan de vraag of het delictsbestanddeel “zonder redelijk grond” is verwezenlijkt komt de kantonrechter dan ook niet toe.

Wel merkt de kantonrechter ten overvloede nog het volgende op. De officier van justitie heeft gemeend te moeten opmerken, dat verdachte aangever zou hebben weggezet als “minderwaardig/eng/gevaarlijk”. De kantonrechter heeft in die richting generlei aanwijzing in het dossier en gedurende het onderzoek ter terechtzitting gevonden.

Al met al zal de kantonrechter verdachte dus integraal vrijspreken.

7 Vrijspraak
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en moet zij daarvan worden vrijgesproken.

8 Vordering benadeelde partij

[aangever] heeft in de hoedanigheid van benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding van € 1024,62 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Omdat verdachte wordt vrijgesproken zijn er geen termen aanwezig om schadevergoeding toe te kennen. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

9 Beslissing

De kantonrechter:

Verklaart niet bewezen wat aan de Stichting Respijtzorg Alkmaar als verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Kantonrechter en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. van Hoorn, kantonrechter,

in tegenwoordigheid van O. Bergmans, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juli 2015.