Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5904

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
C-15-224791 - JU RK 15-633
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:5268, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:4345, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging machtiging gesloten jeugdhulp in vrijwillig kader

Wetsverwijzingen
Jeugdwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/132 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
PFR-Updates.nl 2015-0243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Haarlem

zaakgegevens: C/15/224791 / JU RK 15-633

datum uitspraak: 30 juni 2015

beschikking verlenging machtiging gesloten jeugdhulp in vrijwillig kader

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, hierna te noemen de GI, namens het college van burgemeester & wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, zijnde Haarlem, hier na te noemen het college van B&W,

betreffende

[kind], geboren op [geboortedatum kind] te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [kind].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te Haarlem,

[vader], hierna te noemen de vader,

wonende te Haarlem.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de tussenbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 16 juni 2015 met de daarin vermelde stukken;

- de brief van het college van B&W van 16 juni 2015;

- de machtiging van 29 juni 2015 van mevrouw [naam 2] om het college van B&W in de zaak van [kind] te vertegenwoordigen ter zitting;

1.2

Op 30 juni 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de advocaat van [kind], mr. B.J. de Groot, kantoorhoudende te Haarlem;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [naam 1], bijgestaan door mr. E. Lam, kantoorhoudende te Amsterdam;

- het college van B&W, vertegenwoordigd door mr. [naam 2]

2 De feiten

2.1

Het ouderlijk gezag over [kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2 [

kind] verblijft in de gesloten accommodatie [naam 4] (JeugdzorgPlus), locatie [naam 3] te [plaats]

2.3

De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 juli 2014 machtiging verleend [kind] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp, welke machtiging is verlengd tot 1 juli 2015.

3 Het verzoek

3.1

De GI heeft verzocht de machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden te verlengen. De gedragswetenschapper heeft ingestemd met dit verzoek.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 juni 2015 is het verzoek tot verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp aangehouden tot de zitting van 30 juni 2015.

De raadsvrouw van [kind] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel afgewezen dient te worden, daar het niet voldoet aan de wettelijke vereisten.

Ter zitting heeft de GI verklaard dat zij over een mandaat van het college van B&W beschikt op grond waarvan de GI bevoegd is om onderhavig verzoek in te dienen en tevens een verleningsbeslissing af te geven. De kinderrechter heeft hierin aanleiding gezien het verzoek aan te houden, teneinde de GI in de gelegenheid te stellen het bedoelde mandaat alsnog te overleggen.

3.3

Bij bericht van 16 juni 2015 van het college van B&W is voor de periode 1 mei 2015 tot en met 31 december 2015 het mandaat verlengd om op grond van hoofdstuk 6 van de Jeugdwet in rechte verzoeken tot (spoed- of voorwaardelijke of verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing van een jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp in vrijwillig kader in te dienen bij de rechtbank. Daarbij hoort ook het zorgen

voor een verklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper en de verantwoordelijkheid voor de verdere afhandeling van de procedure machtiging gesloten jeugdhulp in vrijwillig kader.

4 Het standpunt van belanghebbenden

[kind] en zijn ouders zijn op 16 juni 2015 gehoord in de onderhavige zaak. De ouders stemmen in met het verblijf van [kind] in een gesloten accommodatie.

5 Verdere beoordeling

5.1

De bevoegdheid tot het doen van een verzoek tot gesloten jeugdhulp

Het voorliggende verzoek om een machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie heeft geen betrekking op een minderjarige die een kinderbeschermingsmaatregel opgelegd heeft gekregen of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht. Evenmin is sprake van uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel door een gecertificeerde instelling. [kind] is gesloten geplaatst op grond van een machtiging gesloten jeugdhulp met instemming van zijn ouders als gezaghebbende ouders.

Op grond van artikel 6.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet dient een verzoek als het onderhavige te worden ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Indien de GI een verzoek als bedoeld in artikel 6.1.8., eerste lid, van de Jeugdwet wil indienen, dan zal in ieder geval moeten blijken dat het college aan de GI de bevoegdheid heeft verleend om dat verzoek namens het college te doen. Het college zal de GI daartoe moeten machtigen.

In de onderhavige zaak is door de GI het verzoek om een machtiging tot plaatsing [kind] in een gesloten accommodatie ingediend. De raadsvrouw van de jeugdige (hierna te noemen: mr. de Groot) heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het verzoek door de GI “namens” het college is ingediend, er sprake zou zijn van delegatie van bevoegdheden door het college aan de GI. De gemeente en de GI hebben ter zitting toegelicht dat het gaat om een mandaatbesluit, waarbij de GI onder andere gemachtigd wordt tot het doen van verzoeken gesloten jeugdhulp in het vrijwillige kader en het afgeven van de bijbehorende verleningsbeslissing. Bij delegatie draagt een bestuursorgaan zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten over aan een ander die deze bevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent. Van delegatie is echter in dit geval geen sprake, daar de verantwoordelijkheid in zijn geheel bij het college van B&W blijft. Gelet op het voorgaande gaat de kinderrechter er dan ook vanuit dat sprake is van mandatering/machtiging.

In dit verband heeft mr. de Groot voorts gesteld dat uit het verzoekschrift niet zou blijken welk college het precies betreft, nu in het verzoekschrift slechts is opgenomen “namens het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft”. Hierdoor zou niet duidelijk zijn waarop de bevoegdheid van de rechtbank Noord-Holland is gebaseerd.

De kinderrechter overweegt daartoe dat uit artikel 1:12 Burgerlijk Wetboek volgt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die het gezag over hem uitoefent. Nu in het gezinsplan op pagina 3 wordt vermeld dat beide gezaghebbende ouders hun woonplaats hebben in Haarlem, en dit gezinsplan als onderdeel van het verzoekschrift moet worden gezien, is deze rechtbank bevoegd om het verzoekschrift in behandeling te nemen.

Indien en voor zover de kinderrechter aanneemt dat sprake is van een mandaatverlening aan de GI, acht mr. de Groot deze mandatering in strijd met de aard van de bevoegdheid zoals opgenomen in artikel 6.1.8. Jeugdwet en strijdig met het gegeven dat gemandateerde zelf belanghebbende is bij de uitoefening van de bevoegdheid (artikel 10:3 jo. 10:12 Awb). Dit, terwijl belangenverstrengeling tegengaan een doel was van efficiëntere jeugdhulp door decentralisatie. (MvT 33.684, p. 157 en 1-3).

De kinderrechter overweegt dat op grond van artikel 10:3, eerste lid, juncto artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht een bestuursorgaan een machtiging kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen het verlenen van de machtiging verzet. Naar het oordeel van de kinderrechter staat artikel 6.1.8 van de Jeugdwet noch enig ander wettelijk voorschrift aan het verlenen van machtiging tot het doen van een verzoek in de weg. De Jeugdwet of de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet biedt volgens de kinderrechter ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aard van de bevoegdheid zich tegen het verlenen van machtiging tot het doen van een verzoek verzet. Bovendien acht de kinderrechter hier van belang dat een ingrijpende beslissing als het verlenen van een machtiging tot gesloten plaatsing niet door het college zelf, maar door de rechter wordt genomen. In dit verband wijst de kinderrechter tevens naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3234.

Overigens is de kinderrechter met de GI van oordeel dat in dit kader geen sprake is van belangenverstrengeling. In artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt een definitie gegeven van jeugdhulp. Het indienen van een verzoekschrift en het afgeven van een verlengingsbeslissing gesloten jeugdhulp kunnen niet worden beschouwd als het verlenen van jeugdhulp, maar gaan aan het verlenen van jeugdhulp, te weten de hulp die de jeugdige krijgt zodra hij gesloten is geplaatst, vooraf.

De kinderrechter komt dan ook tot het oordeel dat de GI door het college gemachtigd kon worden tot het doen van een verzoek tot gesloten plaatsing van [kind].

5.2

Het bericht van het college “Verlenging tijdelijk mandaatbesluit” van 16 juni 2015.

De kinderrechter overweegt dat mandaat aan niet-ondergeschikten alleen mogelijk is indien de gemandateerde het mandaat aanvaardt. Er moet, met andere woorden, sprake zijn van wilsovereenstemming (artikel 10:4 Awb). Deze instemming is – anders dan mr. de Groot heeft betoogd – vormvrij. Zo kan deze schriftelijk worden verleend, maar de instemming kan ook volgen uit de uitoefening van het mandaat zelf. Nu de gemandateerde GI zelf het verzoek heeft ingediend bij de rechtbank en bovendien ter zitting door het college van B&W is bevestigd dat mandatering op verzoek van de GI heeft plaatsgevonden, is van enig vormverzuim dan ook geen sprake.

Ter zitting heeft de gemeente – zoals door mr. de Groot naar voren is gebracht – erkend dat de wijze van bekendmaking van het mandaatbesluit nog niet in overeenstemming is met de eisen die artikel 10:5, tweede lid, jo 4:42 Algemene wet bestuursrecht daaraan stelt. Nu de gemeente ter zitting evenwel heeft aangegeven hiermee bezig te zijn en dit zo spoedig mogelijk recht te zullen zetten, stelt de kinderrechter het gebrek vast, maar zal zij hier verder geen rechtsgevolgen aan verbinden.

Voorts heeft mr. Groot ter zitting naar voren gebracht dat het Mandateringsbesluit van de gemeente Haarlem niet is gevolgd. Zij voert daartoe aan dat in onderhavige zaak advies nodig is van een derde – te weten een gekwalificeerde gedragswetenschapper –, zodat de gemandateerde niet bevoegd is tot het indienen van een verzoekschrift.

De kinderrechter stelt vast dat in het betreffende artikel 5 van het Mandatenbesluit van de gemeente Haarlem bepaald is dat de gemandateerde bevoegd is tot het nemen van besluiten, tenzij advies nodig is van andere organisatieonderdelen of externe partijen en het verkregen advies niet aansluit op respectievelijk niet tot dezelfde conclusie leidt als het eigen standpunt. In dit geval stemt de gedragswetenschapper evenwel in met het verzoek van de gemandateerde en komt tot dezelfde conclusies als de GI. Het verweer van mr. de Groot berust aldus op een verkeerde lezing van het Mandateringsbesluit. Het verweer treft derhalve reeds daarom geen doel. Daar komt nog bij dat de gedragswetenschapper die de bedoelde instemmingsverklaring afgeeft, niet kan worden aangemerkt als een adviseur in de zin van art. 3:5 Awb, die is belast met het adviseren inzake een door de GI te nemen besluit. Uit de wet volgt immers dat de gedragswetenschapper zijn instemmingsverklaring afgeeft nadat de GI een verleningsbeslissing heeft genomen en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in artikel 6.1.2 Jeugdwet voordoet (zie ook de Uitspraak van de Hoge Raad van 18 april 2014 ECLI:NL:HR:2014:951).

5.3

De bevoegdheid tot het afgeven van de bijbehorende verleningsbeslissing

Mr. de Groot heeft naar voren gebracht dat de GI in dit kader niet bevoegd is om een verleningsbeslissing op te stellen en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 februari 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:1159). Ook hier geldt dat mr. de Groot mandaat aan de GI niet mogelijk acht, aangezien de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening zou verzetten (artikel 2.11, eerste lid, Jeugdwet jo 10:3 jo 10:12 Awb). De kwaliteit van de verlening van jeugdhulp en de uitvoering van de maatregel kunnen op die manier niet worden gewaarborgd.

De GI heeft in dit verband gewezen op artikel III onder B van het wetsvoorstel Veegwet 2015, waarin wordt voorgesteld de zinsnede ‘behoudens de vaststelling van de rechten en plichten’ uit artikel 2.11 van de Jeugdwet te verwijderen. De voorgestelde wijziging leidt er volgens de GI toe dat er geen onduidelijkheid kan bestaan over de mogelijkheid van het college van een gemeente om de vaststelling van rechten en plichten te mandateren.

De kinderrechter is van oordeel dat de wetgever in (ook het huidige) artikel 2.11 Jeugdwet het college van B&W de mogelijkheid biedt om een GI te mandateren voor het nemen van een verleningsbeslissing. Daarbij is van belang dat het college van B&W juridisch gezien verantwoordelijk is voor de genomen besluiten. Een gemandateerde beoordeelt dan (namens het college van B&W) dus slechts feitelijk welke vorm, omvang en duur van jeugdhulp naar zijn professionele oordeel nodig is, maar vestigt daarmee niet zelf een recht op een voorziening. De bevoegdheid tot het nemen van het besluit dat een jeugdige “recht” geeft op een voorziening, kan namelijk niet door de gemeente aan een derde worden overgedragen.

De kinderrechter komt dan ook tot het oordeel dat de GI door het college van B&W gemandateerd kon worden tot het afgeven van een verleningsbeslissing met betrekking tot de gesloten plaatsing van [kind].

Het bezwaar van mr. de Groot dat over het afgeven van de verleningsbeslissing geen overleg tussen het college van B&W en de GI zou zijn geweest, mist feitelijke grondslag. Weliswaar blijkt niet expliciet uit de stukken dat dit overleg heeft plaatsgevonden, maar ter zitting is door het college en de GI naar voren gebracht dat dit overleg er wel degelijk is geweest.

Tot slot heeft mr. de Groot betoogd dat de verleningsbeslissing onvoldoende gemotiveerd zou zijn. De kinderrechter passeert ook dit laatste verweer. Nu de verleningsbeslissing,

evenals de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, onderdeel uitmaakt van het verzoekschrift, acht de kinderrechter de beslissing genoegzaam gemotiveerd.

5.4

De inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dienen de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de kinderrechter voldoende gebleken dat de gronden om de machtiging gesloten jeugdhulp te verlengen nog altijd aanwezig zijn. Ook aan de overige, in de wet gestelde voorwaarden is voldaan.

Daarbij heeft de kinderrechter in overweging genomen dat [kind] niet thuis kan wonen omdat ouders op dit moment niet in staat zijn [kind] de opvoedsituatie te bieden die hij nodig heeft. In een open setting stelt [kind] zich niet begeleidbaar op. Tevens is sprake van gedragsproblemen in de thuis-, school- en vrije tijdsituatie. [kind] loopt meerdere keren van school weg, is dan dagen aan het zwerven op straat en komt daardoor in zeer risicovolle situaties terecht. Nu deze houding een bedreiging vormt voor zijn algehele ontwikkeling en zijn veiligheid tijdens zijn wegloopacties niet te waarborgen is, is een behandeling in een gesloten setting noodzakelijk. De kinderrechter zal de machtiging gesloten jeugdhulp dan ook verlengen, en wel voor een periode van zes maanden. De kinderrechter hoopt dat [kind] zich via externe sturing, een affectief leefklimaat en duidelijke structuur vaardigheden eigen maken kan maken die hem in staat stellen steeds meer vrijheden aan te kunnen zodat er gelet op zijn jeugdige leeftijd zo spoedig mogelijk toegewerkt kan worden naar een open behandelsetting.

De kinderrechter heeft niet de mogelijkheid geboden een familiegroepsplan op te stellen. Gelet op de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de jeugdige heeft de kinderrechter hiervan afgezien.

6 De beslissing


De kinderrechter:

verlengt de machtiging gesloten jeugdhulp betreffende de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum kind] te [geboorteplaats kind], met ingang van 1 juli 2015 tot uiterlijk 1 januari 2016.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Cichowski-van der Kleijn, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Verberne als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam