Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5858

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
C/15/228194 / KG ZA 15-461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van een Vereniging tegen één van haar leden tot staken van bouwwerkzaamheden c.q. afbraak van opbouw afgewezen. Mogelijk is sprake van een vermindering van lichtinval en zeker is sprake van een vermindering van (vrij) uitzicht, maar níet zodanig dat te verwachten valt dat de bodemrechter daarover zal oordelen dat sprake is van het toebrengen van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW. Opbouw ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 BW en evenmin sprake van onrechtmatige daad. Wel strijd met het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging, maar gelet op de datum van de totstandkoming daarvan (ruimschoots ná het indienen van de bouwaanvraag voor de opbouw) heeft het er alle schijn van dat de daarin opgenomen ‘nadere regelen’ op de Statuten primair (zo niet uitsluitend) zijn ingegeven door de wens van de Vereniging om de opbouw te voorkomen, zodat de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk acht dat de bodemrechter zal oordelen dat de Vereniging in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt dan wel misbruik maakt van recht door het Huishoudelijk Reglement onverkort toe te passen op de opbouw.

Vordering in reconventie tot het tijdelijk gebruik maken van de onroerende zaken van een aantal leden van de Vereniging voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de opbouw toegewezen, omdat de eigenaar van de onroerende zaak waarvan noodzakelijkerwijs gebruik gemaakt dient te worden voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een andere onroerende zaak volgens artikel 5:56 BW gehouden is om dit ‘na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling’ toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar ‘gewichtige redenen’ bestaan om dit gebruik te weigeren. In casu wel behoorlijke kennisgeving, maar geen gewichtige redenen aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/228194 / KG ZA 15-461

Vonnis in kort geding van 10 juli 2015

in de zaak van

1. de vereniging

DE VERENIGING TOT INSTANDHOUDING VAN HET PROJECT [adres],

gevestigd te [plaats],

2. [eiser 2],

wonende te [plaats],

3. [eiseres 3],

wonende te [plaats],

4. [eiser 4],

wonende te [plaats],

5. [eiseres 5],

wonende te [plaats],

6. [eiser 6],

wonende te [plaats],

7. [eiseres 7],

wonende te [plaats],

8. [eiser 8],

wonende te [plaats],

9. [eiseres 9],

wonende te [plaats],

10. [eiser 10],

wonende te [plaats],

11. [eiseres 11],

wonende te [plaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. B.P. van Overeem te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. B. Parmentier te Haarlem.

Partijen zullen hierna enerzijds worden aangeduid met ‘de Vereniging’ dan wel met hun respectieve achternamen, dan wel (gezamenlijk) met ‘de Vereniging c.s.’ en anderzijds [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de wijziging van eis

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties

  • -

    de descente

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de Vereniging c.s.

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:

  • -

    [eiseres 3]

  • -

    [eiser 6]

  • -

    [eiseres 9]

  • -

    [eiseres 11]

  • -

    mr. van Overeem voornoemd

  • -

    [gedaagde]

  • -

    mr. Parmentier voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen sub 2. tot en met 11 en [gedaagde] zijn buren van elkaar in een in 2002 op initiatief en naar ontwerp van [gedaagde] tot woonhuizen verbouwde voormalige school aan de [adres] te [plaats] (hierna: het Project). [gedaagde] bewoont de woning aan de [adres] 2, [eiser 2] en [eiseres 3] die op nummer 2A, [eiser 4] en [eiseres 5]: 2B, [eiser 6] en [eiseres 7]: 2C, [eiser 8] en [eiseres 9]: 2D en [eiser 10] en [eiseres 11]: 2E.

2.2.

In de ‘Akte houdende (oprichting en) statuten van een vereniging’ (hierna: de Statuten) van de Vereniging d.d. 29 augustus 2002 is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

Artikel 2 Doel

Het doel van de vereniging is:

a. het toezicht houden op en de coördinatie van de voorschriften en bepalingen terzake van de instandhouding van de eenvormige architectonische uitstraling van de tot het project behorende woningen, waaronder met name de gemeenschappelijke wegen en schuttingen.

(…)

Artikel 9 Verplichtingen, leden en sancties der vereniging

(…)

2. Voorts heeft een lid de volgende verplichtingen:

(…)

b. een lid is verplicht om van zijn woonhuis en het gemeenschappelijke gedeelte een zodanig gebruik te maken, dat hij zijn medeleden en de gebruikers geen nodige overlast bezorgt. In verband hiermee dient hij zich te houden aan de door de vereniging vastgestelde en/of vast te stellen regelen omtrent dat gebruik;

(…)

f. een lid is verplicht op het hem toebehorende perceel; diegenen toe te laten, die ten behoeve van onderhoud, revisie en/of vernieuwing werkzaamheden op zijn perceel moeten verrichten alsmede hen de gelegenheid te geven om deze werkzaamheden naar behoren te kunnen verrichten.

(…)

Huishoudelijk Reglement

Artikel 16

Al hetgeen in deze statuten niet of niet volledig is geregeld, kan, indien daar behoefte bestaat, met inachtneming van het in deze statuten bepaalde, worden geregeld in een huishoudelijk reglement, vast te stellen op voorstel van het bestuur door de algemene vergadering zulks met volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen.

Statutenwijziging en ontbinding en fusie

Artikel 17

1. Besluiten tot wijziging van deze statuten en tot ontbinding van de vereniging, kunnen slechts genomen worden in een tenminste dertig dagen tevoren geconvoceerde vergadering met een meerderheid van drie/vierde van de uitgebrachte geldige stemmen, waarin tenminste twee/derde van de leden aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. Op de convocatie dient de agenda van de vergadering te worden vermeld, met aanduiding van het punt statutenwijziging of ontbinding. Het ontwerp van de statutenwijzing, welke wordt voorgesteld, moet vanaf de convocatie tot na afloop van de vergadering op een geschikte plaats worden neergelegd, ter inzage voor alle leden.

(…)

2.3.

Op enig moment in 2013 heeft [gedaagde] een omgevingsvergunning aangevraagd ten behoeve van het realiseren van een opbouw op haar woning (hierna: de opbouw). Aanvankelijk is die omgevingsvergunning bij besluit van B&W van 9 januari 2014 verleend. De Vereniging c.s. heeft daartegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij beslissing van 20 mei 2014 gedeeltelijk gegrond is verklaard, als gevolg waarvan de omgevingsvergunning alsnog is geweigerd. Tegen die weigering heeft [gedaagde] beroep ingesteld.

2.4.

Hangende de uitspraak op beroep heeft de Vereniging (buiten aanwezigheid van [gedaagde]) in de vergadering van 2 oktober 2014 het in de Statuten bedoelde Huishoudelijk Reglement (hierna: het Huishoudelijk Reglement) vastgesteld. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

Nadere verhelderingen op de statuten

Gebleken is dat er rond de statuten op onderdelen verheldering nodig was, deze verheldering is op de datum van de vaststelling geen nieuwe zienswijze maar een duidelijke weergave van wat al sinds de oprichting van de vereniging gold. Onderstaand wordt artikelsgewijs en waar nodig die helderheid toegevoegd.

(…)

Ad art 2.a onder architectonisch uitstraling wordt onder meer verstaan:

i bestaande buitenschil van het bouwvolume, met haakse muurafscheidingen (geen ronde of scheve bouwvolumes)

ii platte daken, waarop voor de licht toelating uitbouwsels zijn gemaakt met schuine zijden onder 38 graden

iii het houtwerk voor ramen en kozijnen aan de buiten kant dienen van de houtsoort Iroko gemaakt te zijn en worden onderhouden met het middel OLYMPIC OlL STAIN (semi transparent nr 716 Naturaltone cedar)

iv de weg die tot ieders huis loopt dient uniform te blijven op het gehele terrein pas indien er een meerderheid bestaat onder de aanwezige leden op een daartoe bijeengeroepen en rechtsgeldige vergadering kan er af geweken worden van één van de bovenstaande punten. (min.2/3 van de leden vertegenwoordigd)

(…)

Ad art 9.2.b het woord ...nodige... moet als vervallen worden beschouwd en onder overlast wordt onder meer verstaan:

i geluid - of stank- overlast

ii verkeerobstakels op de gedefinieerde wegen

iii verminderen van lichtinval

iv structureel inkijk veroorzaken bij andere leden

pas indien er een meerderheid bestaat onder de aanwezige leden op een daartoe bijeengeroepen en rechtsgeldige vergadering kan er af geweken worden van één van de bovenstaande punten. (min. 2/3 van de leden vertegenwoordigd)

Ad art 9.2.f te lezen als toegevoegd aan dit artikel …….echter zulks pas na adequate afstemming van tijd, omvang en activiteit

Ad art 9.2.g toevoegen: 9.2.g Ieder lid is verplicht veranderingen aan de buitenkant van zijn woonhuis vooraf in een vergadering der vereniging te bespreken en pas na het akkoord van de meerderheid van de leden de gemeentelijk toestemmingen en dergelijke te gaan vragen. Na een dergelijk akkoord zal de vereniging daarover niet in de bezwaarprocedure gaan.

(…)

2.5.

Bij uitspraak op beroep van 12 februari 2015 heeft de bestuursrechter van deze rechtbank onder meer als volgt overwogen en geoordeeld:

(…)

Tot slot blijkt uit het advies van de commissie dat de rechte zuidgevel geen vermindering van privacy, uitzicht, toetreding van zon- en daglicht tot gevolg heeft. De afname van de bezonning en toetreding van daglicht wordt voor het grootste deel veroorzaakt door hetgeen het bestemmingsplan toestaat. Verder zijn de Franse balkons in de zuidgevel niet in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, aldus de commissie in punt 6 en 7 van het door verweerder overgenomen advies. De rechtbank ziet geen dan wel onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in punt 6 en 7 van de advies van de commissie is overwogen. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat de belangen van de derde partijen niet zozeer worden geraakt door de strijdigheden van het bouwplan met het bestemmingsplan maar juist door die onderdelen van het voorliggende bouwplan die wel conform het bestemmingsplan zijn.

10. De stelling van eiseres dat de herroeping van de verleende omgevingsvergunning niet rust op een draagkrachtige motivering, treft dan ook doel. De overige grieven behoeven geen bespreking meer. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voorts zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien ex artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het bezwaar van de derde partijen alsnog ongegrond te verklaren.

(…)

2.6.

Bij brief van 22 juni 2015 heeft de Afdeling Omgevingsvergunning van de gemeente [plaats] (hierna: de gemeente) een ‘Constructie geen bezwaar’-verklaring afgegeven ten aanzien van de door (de constructeur van) [gedaagde] ingediende constructieberekening ten behoeve van de opbouw.

2.7.

Eind juni 2015 heeft [gedaagde] een aanvang gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van de opbouw.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De Vereniging c.s. vordert, na wijziging van eis buiten processueel bezwaar, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. gedaagde verbiedt om uitvoering te geven aan de bouwplannen in en aan de haar toebehorende zaak zolang over de rechtmatigheid daarvan in een bodemprocedure geen uitspraak is gedaan dan wel anderszins over uitvoering overeenstemming tussen partijen is bereikt, althans zolang voor de uitvoering geen toestemming is gegeven door eisers, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen moment, en voorts gebiedt om het reeds opgerichte bouwwerk binnen tien dagen na betekening van dit vonnis af te breken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in strijd met dit vonnis handelt;

gedaagde veroordeelt in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

Aan haar vordering legt de Vereniging c.s. – samengevat – ten grondslag dat:

  1. het bouwwerk een grote hoeveelheid (dag)licht wegneemt bij een aantal woningen;

  2. het bouwwerk aanzienlijke inkijk geeft in en op het erf van een aantal woningen;

  3. het bouwwerk en/of de bouwwerkzaamheden schade zal aanrichten aan een aantal woningen;

  4. het bouwwerk niet past binnen de architectonische eenheid van het complex;

  5. de wijze van bouwen leidt tot grote overlast;

  6. uitvoering van de bouwplannen leidt tot inbreuk op de eigendomsrechten van een aantal eigenaren,

hetgeen (1) hinder veroorzaakt in de zin van artikel 5:37 BW, (2) inbreuk op het bepaalde in artikel 5:50 BW – en daarmee op de privacy – oplevert, (3) op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig is jegens de Vereniging c.s. en (4) in strijd is met de Statuten en het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging, aldus de Vereniging c.s.

3.3.

[gedaagde] voert tot haar verweer – kort gezegd – aan dat zij beschikt over een onherroepelijk geworden vergunning voor de opbouw, zodat deze niet [de voorzieningenrechter begrijpt: in bestuursrechtelijke zin] onrechtmatig is. Van onrechtmatige hinder is geen sprake. Weliswaar is mogelijk sprake van vermindering van lichtinval, maar uit de lichtstudies blijkt dat dat niet (alleen) te wijten is aan de opbouw. Ook wordt de opbouw niet binnen de in artikel 5:50 BW genoemde afstand van twee meter van de erfgrens gerealiseerd en zal de te verplaatsen voordeur worden bevestigd in een muur die aan [gedaagde] in eigendom toebehoort. Het is niet mogelijk om de Statuten met de vaststelling van een huishoudelijk reglement te wijzigen. Voorts moet de toepasselijkheid van de wijziging van het Huishoudelijk Reglement op de opbouw van [gedaagde] in strijd worden geacht met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou de Vereniging c.s. daarmee misbruik van recht maken jegens [gedaagde], omdat deze wijziging enkel tot doel heeft om de opbouw onmogelijk te maken en [gedaagde] te beperken in haar eigenaarsbevoegdheid. [gedaagde] is zelf bovendien de architect van het complex en de bouwaanvraag is al door de gemeente getoetst, zodat geen wijziging van de uitstraling of de architectonische eenheid van het complex zal plaatsvinden door de opbouw. Aangezien de gemeentelijke constructeur zeer zorgvuldig naar de constructieberekeningen heeft gekeken, bestaat geen risico op schade. Tot slot ontbreekt een spoedeisend belang bij de vordering in conventie en dient ook een belangenafweging in het nadeel van de Vereniging c.s. uit te vallen, aldus nog steeds [gedaagde].

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert in reconventie, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, om:

1. te bevelen dat gedaagden in reconventie het zullen mogelijk te maken voor mevrouw [gedaagde] om de opbouw te kunnen realiseren, en toe te staan dat mevrouw [gedaagde], indien nodig, hun eigendommen zal betreden ten behoeve van het realiseren van de opbouw zoals bepaald in de wet ex artikel 5:56 BW;

2. te bevelen dat gedaagden in reconventie mevrouw [gedaagde] en/of haar aannemer per ommegaande voor de duur van de realisering van de opbouw zullen toelaten op hun perceel of hun eigendommen opdat vanaf hier werkzaamheden kunnen worden verricht ten behoeve van het herstel van achterstallig onderhoud en/of ten behoeve van de realisering van de opbouw;

3. te bevelen dat gedaagden in reconventie het mevrouw [gedaagde] en/of de aannemer op geen enkele wijze onmogelijk zal worden gemaakt om het perceel van het complex te betreden en materialen aan te leveren, machines op de bouwplaats te krijgen en machines noodzakelijkerwijs te kunnen gebruiken;

4. te bevelen dat gedaagden in reconventie mevrouw [gedaagde] en/of haar aannemer op geen enkele wijze mogen benadelen dan wel belemmeren in welke zin dan ook;

5. te bepalen dat bij gebreke van het voldoen aan het sub 1 tot en met 4 bepaalde ten gunste van mevrouw [gedaagde] een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 1.000,-, althans een door U E.A. in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat gedaagden in reconventie niet aan het gevorderde zullen voldoen en daarmee in strijd met een bevel mochten verrichten

In conventie en voorwaardelijke reconventie – samengevat – :

met veroordeling van de Vereniging c.s. in de buitengerechtelijke en andere (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2.

Aan haar vordering in reconventie legt [gedaagde] – kort gezegd – ten grondslag dat tijdelijk gebruik van de eigendommmen van de Vereniging c.s. (het perceel van de buren) noodzakelijk is voor de uitvoering van achterstallig onderhoud alsmede voor het realiseren van de opbouw, voor welke werkzaamheden geen redelijk van [gedaagde] te verlangen alternatief bestaat. [gedaagde] heeft de Vereniging c.s. voldoende geïnformeerd over die werkzaamheden, terwijl het risico op schade – gelet op de te treffen maatregelen – gering is en alle eventuele schade als gevolg van de verbouwing zal worden vergoed. De Vereniging c.s. heeft bovendien geen gewichtige reden om de veriste toestemming te weigeren, aldus [gedaagde].

4.3.

De Vereniging c.s. voert tot haar verweer – samengevat – aan dat zij van [gedaagde] geen duidelijkheid heeft ontvangen over de planning van de werkzaamheden en over de eventuele schade, aldus de Vereniging c.s.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Naast een bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvereiste is het spoedeisend belang een van de belangen waarmee de voorzieningenrechter rekening heeft te houden bij de beantwoording van de vraag of het verantwoord is om door middel van het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen op de beslissing in een eventuele bodemprocedure.

5.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Vereniging c.s. een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering in conventie. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [gedaagde] inmiddels is begonnen met de werkzaamheden ten behoeve van de opbouw. Met iedere dag dat de bouw verder gaat, worden de gevolgen daarvan voor de Vereniging c.s. duidelijker merkbaar. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

5.3.

De vordering in conventie is gestoeld op een aantal grondslagen, die hieronder achtereenvolgens zullen worden besproken en beoordeeld.

Inbreuk op artikel 5:37 BW (hinder)

5.4.

De Vereniging c.s. heeft allereerst gesteld dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 jo. 6:162 BW, omdat door de opbouw een grote hoeveelheid (dag)licht en uitzicht wordt weggenomen bij een aantal woningen. [gedaagde] heeft daartegenin gebracht dat de opbouw wordt gerealiseerd in overeenstemming met het bestemmingsplan en met een door de gemeente verleende omgevingsvergunning, zodat de opbouw als zodanig niet onrechtmatig is en voorts dat geen sprake is van onrechtmatige hinder. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.5.

Dat wordt gebouwd in overeenstemming met het bestemmingsplan en een verleende vergunning kán weliswaar een aanwijzing zijn dat het gebruik maken van de aldus toegestane bouwmogelijkheden naar maatschappelijke opvattingen niet als onrechtmatige hinder is te beschouwen, maar dat vrijwaart de houder die heeft gebouwd in overeenstemming met de bouwvergunning nog niet voor aansprakelijkheid wegens het veroorzaken van onrechtmatige hinder. Het antwoord op de vraag of er sprake is van onrechtmatige hinder, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (Hoge Raad 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823).

5.6.

De voorzieningenrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling de situatie ter plaatse bekeken. Daaruit is gebleken dat vanuit een aantal woningen de in aanbouw zijnde opbouw van [gedaagde] in meer of mindere mate zichtbaar is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is zonder twijfel het zicht op en de ontneming van licht en lucht (uitzicht) door de opbouw het meest in het oog springend in woning 2E, van eisers sub 10. en 11. In die woning - de voormalige gymzaal – is sprake van verminderde lichtinval door minimaal één van de grote, hoog gesitueerde ramen. Bij binnenkomst in die woning valt direct op dat het eerste raam in de zuidgevel dat vanaf de voordeur zichtbaar is nagenoeg uitsluitend uitzicht geeft op de opbouw van [gedaagde]. Ook het (vrije uit)zicht naar buiten door het raam vanaf de vide die boven een deel van de keuken c.q. woonkamer is gerealiseerd, wordt thans voor een groot deel geblokkeerd door de opbouw. De voorzieningenrechter acht volstrekt aannemelijk – en begrijpelijk – dat de bewoners van woning 2E ([eiser 10] en [eiseres 11]) deze vermindering van lichtinval en uitzicht als hinderlijk ervaren. Daar staat echter tegenover dat de voorzieningenrechter ook heeft geconstateerd dat de woning zich kenmerkt door een zeer groot aantal ramen, welke – op de twee eerder bedoelde ramen na – alle een (vrijwel) onbelemmerde inval van licht en lucht bieden. Daar komt bij dat het uitzicht vanaf de vide, ook zónder de opbouw, in meer dan slechts ondergeschikte mate wordt bepaald door de aanwezigheid van (het dak van) de woning van [gedaagde]. Hoewel de gehele lichtinval in woning 2E enigszins minder lijkt te zijn dan in de overige bezichtigde woningen, is dit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet alleen te wijten aan (vermindering van de lichtinval als gevolg van) de opbouw maar met name ook aan de vide, die een aanzienlijk deel van het vanuit de ramen in de zuidgevel in de woning toetredende licht blokkeert. Daar komt bij dat uit de door [gedaagde] overgelegde zonnestudies naar het effect van de opbouw op de (vermindering van) lichtinval in de woningen valt af te leiden dat de opbouw als zodanig gedurende het jaar slechts in beperkte mate zorgt voor extra schaduwvorming en ontneming van licht ten opzichte van de situatie zonder opbouw. Ook uit eigen waarneming heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat het bestaande dak van de woning van [gedaagde], alsmede de aanwezige bomen, de nodige schaduw veroorzaken. Aan de Vereniging c.s. kan worden toegegeven dat de zonnestudies slechts betrekking hebben op enkele momenten gedurende het jaar, maar nu zij geen eigen zonnestudie in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat de schaduwvorming en ontneming van licht ten gevolge van de opbouw op andere momenten erger zijn, moet het er voorshands voor worden gehouden dat de opbouw slechts ten dele verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door de bewoners van de woningen 2A-2F ervaren hinder.

5.7.

Het voorgaande leidt tot de voorlopige conclusie dat als gevolg van de opbouw mogelijk sprake is van een vermindering van lichtinval en dat zeker sprake is van een vermindering van (vrij) uitzicht, maar níet zodanig dat te verwachten valt dat de bodemrechter daarover zal oordelen dat sprake is van het toebrengen van onrechtmatige hinder door het onthouden van licht of lucht als bedoeld in artikel 5:37 BW.

5.8.

Aangezien de hinder in woning 2E voorshands niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, terwijl de hinder in déze woning het grootst is, geldt hetzelfde voor de overige woningen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de voorzieningenrechter niet heeft vastgesteld dat de gestelde hinder op onderdelen in een van de andere woningen groter is dan die in woning 2E en dit is ook niet gesteld.

Inbreuk op artikel 5:50 BW (uitzicht)

5.9.

Volgens de Vereniging c.s. geeft de opbouw een ongeoorloofd uitzicht in en op het erf van een aantal woningen. Naar de voorzieningenrechter heeft geconstateerd, betreft het hier (uitsluitend) het uitzicht vanaf de opbouw in (de badkamer van) woning 2B. Gebleken is dat slechts vanaf een zeer beperkt deel van de opbouw een schuin zicht bestaat op het erf en (een deel van) de woning. Nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat de muuropening c.q. het balkon van de opbouw van [gedaagde] binnen twee meter van de grenslijn van het erf van woning 2B is of zal worden gesitueerd als bedoeld in het eerste lid van artikel 5:50 BW, wordt die afstand in dit geval bovendien volgens het derde lid van datzelfde artikel gemeten ‘rechthoekig uit de buitenkant van de muur, daar waar de opening is gemaakt’. Deze bepaling ziet op raam- of deuropeningen en geeft weer dat slechts ramen en deuren die – bezien vanuit de positie dat men voor de raam- of deuropening staat – recht naar voren uitzicht geven op het naburige erf strijdigheid met het bepaalde in artikel 5:50 lid 1 BW kunnen opleveren. Ook uit de wetsgeschiedenis bij artikel 5:50 BW volgt dat de wetgever de beperking tot rechtstreeks (in tegenstelling tot zijdelings) uitzicht besloten heeft geacht in het meetvoorschrift van het derde lid van artikel 5:50 BW (vgl. Gerechtshof Amsterdam 6 juli 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0268). Voorshands is de opbouw dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 BW. Niet valt in te zien dat de bodemrechter op dit punt anders zou oordelen.

Inbreuk op artikel 6:162 BW (schade / architectonische eenheid / overlast / voordeur)

5.10.

De Vereniging c.s. heeft aan haar vordering onder meer ten grondslag gelegd dat het bouwwerk en/of de bouwwerkzaamheden schade zal aanrichten aan een aantal woningen, althans dat de wijze van bouwen tot grote overlast zal leiden. (Het risico op) de schade zou daarin gelegen zijn dat de voormalige zwembadvloer van de school onder de woning van [gedaagde] het extra gewicht van de opbouw niet zou kunnen dragen. [gedaagde] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist, onder meer onder overlegging van de door haar constructeur gemaakte constructieberekeningen en de door de gemeente op basis daarvan afgegeven verklaring ‘Constructie geen bezwaar’. Bovendien heeft zij aangeboden de eventuele schade als gevolg van (de wijze van) de bouwwerkzaamheden te zullen vergoeden. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.11.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] had het op de weg van de Vereniging c.s. gelegen om haar grondslag op dit punt nader te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Vereniging c.s. op dit punt onvoldoende heeft gesteld om aan haar stelplicht te (blijven) voldoen, zodat deze grondslag de vordering niet (zelfstandig) kan dragen. Datzelfde geldt voor de stelling van de Vereniging c.s. dat de opbouw voor een waardevermindering van (een aantal van) de woningen van de overige leden van de Vereniging zou leiden, aangezien de Vereniging c.s. deze stelling op geen enkele wijze nader heeft geadstrueerd.

5.12.

Ten aanzien van de architectonische eenheid heeft de Vereniging c.s. gesteld dat de opbouw van [gedaagde] daarvan afwijkt, althans in de uiteindelijke toestand daarvan zal afwijken. [gedaagde] heeft daar tegenover gesteld dat zij de architect is van het hele complex, althans na herontwikkeling van de voormalige school tot een zestal woningen, zodat zij als geen ander weet heeft van – en zal zorgdragen voor – het behoud van de architectonische eenheid.

5.13.

Nog los van het feit dat een eventuele afwijking van de architectonische eenheid
– voor zover daarvan al sprake zou zijn – nog niet maakt dat de opbouw reeds om díe reden onrechtmatig is jegens de Vereniging c.s., is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gesteld of gebleken dat de opbouw zodanig afwijkt van die architectonische eenheid, dat sprake is of zal zijn van onrechtmatigheid.

5.14.

Voorts heeft de Vereniging c.s. gesteld dat het verplaatsen van de voordeur van de woning van [gedaagde] naar een nieuwe plaats onrechtmatig is jegens haar, althans (een van) haar leden. [gedaagde] heeft tot haar verweer gesteld dat de voordeur weliswaar wordt verplaatst, maar slechts naar een ander deel van dezelfde muur waarin de deur thans ook bevestigd is. Volgens [gedaagde] loopt de erfgrens in het hart van die muur, zodat de deur niet in of aan de eigendommen van anderen dan [gedaagde] zèlf wordt bevestigd, dan wel dat sprake is van een mandelige muur. De verplaatsing van de deur is derhalve niet onrechtmatig jegens de Vereniging c.s. of een of meer van hen, aldus [gedaagde].

Gelet op dit gemotiveerde verweer had van de Vereniging c.s. verwacht mogen worden dat zij haar stelling dienaangaande nader zou motiveren en onderbouwen, hetgeen zij echter heeft nagelaten. Bij die stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Vereniging c.s. op dit onderdeel niet (meer) aan haar stelplicht heeft voldaan.

Strijd met de Statuten en/of het Huishoudelijk Reglement

5.15.

Tot slot heeft de Vereniging c.s. aan haar vordering in conventie ten grondslag gelegd dat [gedaagde] met het realiseren van de opbouw in strijd handelt met het bepaalde in de Statuten en het Huishoudelijk Reglement, omdat in de Statuten is bepaald dat de leden elkaar geen overlast mogen veroorzaken en in het Huishoudelijk Reglement is opgenomen wat onder overlast verstaan moet worden. Volgens [gedaagde] is het niet mogelijk om de statuten te wijzigen met de vaststelling van een huishoudelijk reglement, zodat die wijziging niet rechtsgeldig is. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.16.

In artikel 9 van de Statuten is opgenomen dat een lid verplicht is om van zijn woonhuis en het gemeenschappelijke gedeelte een zodanig gebruik te maken, dat hij zijn medeleden en de gebruikers geen overlast bezorgt en dat hij zich in verband hiermee dient te houden aan de door de vereniging vastgestelde en/of vast te stellen regelen omtrent dat gebruik. Door middel van vaststelling van het Huishoudelijk Reglement van 2 oktober 2014 heeft de Vereniging – conform het bepaalde in de Statuten – die nadere regelen gesteld. Anders dan [gedaagde] betoogt, is dat dus geen wijziging van de Statuten, maar slechts een nadere invulling van de daarin vastgelegde regels. Toepassing van het Huishoudelijk Reglement op de opbouw van [gedaagde] leidt ertoe dat die opbouw in strijd is met dat huishoudelijk reglement en dus in beginsel onrechtmatig is.

5.17.

[gedaagde] heeft tot haar verweer echter tevens gesteld dat het toepassen van het Huishoudelijk Reglement op haar opbouw in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dat de Vereniging c.s. daarmee misbruik van recht maakt. Dat verweer treft doel. Het volgende is daarvoor redengevend.

5.18.

Gelet op de datum van de totstandkoming van het Huishoudelijk Reglement (2 oktober 2014, derhalve ruimschoots ná het indienen van de bouwaanvraag voor de opbouw in 2013) en de in het Huishoudelijk Reglement gekozen bewoordingen voor de nadere uitwerking van de in de Statuten opgenomen term ‘overlast’ (“verminderen van lichtinval” en “structureel inkijk veroorzaken bij andere leden”) heeft het er voorshands alle schijn van dat deze ‘nadere regelen’ primair (zo niet uitsluitend) zijn ingegeven door de wens van de Vereniging c.s. om de opbouw van [gedaagde] te voorkomen. Dat geldt niet alleen voor het in het Huishoudelijk Reglement opgenomen ‘Ad art 9.2.b’ onder iii en iv als vorenstaand geciteerd, maar ook voor de gewenste toevoeging aan de statuten van een nieuw artikel 9.2.g, waarin is opgenomen dat ieder lid verplicht is ‘veranderingen aan de buitenkant van zijn woonhuis vooraf in een vergadering der vereniging te bespreken en pas na het akkoord van de meerderheid van de leden de gemeentelijk toestemmingen en dergelijke te gaan vragen’. Weliswaar kunnen de Statuten – zoals [gedaagde] terecht heeft gesteld – niet worden gewijzigd door middel van het Huishoudelijk Reglement, zodat deze bepaling niet tot het daarin tot uitdrukking gebrachte resultaat (toevoeging aan de Statuten) kan leiden, maar de bepaling als zodanig draagt wel bij aan de schijn van het tot iedere prijs willen voorkomen van het realiseren van de opbouw door [gedaagde].

5.19.

Op grond van het bovenstaande acht de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de Vereniging c.s. in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt dan wel misbruik maakt van recht, door het Huishoudelijk Reglement onverkort toe te passen op de opbouw van [gedaagde]. Ook deze grondslag kan de vordering in conventie dan ook niet dragen.

5.20.

Het voorgaande leidt ertoe dat niet gezegd kan worden dat het voorshands zó evident is dat de bodemrechter in het voordeel van de Vereniging c.s. zal beslissen, dat het vooruitlopend daarop verantwoord is om [gedaagde] bij voorlopige voorziening te verbieden uitvoering te geven aan de bouwplannen c.q. te gebieden het reeds opgerichte bouwwerk af te breken. De gevraagde voorziening zal dan ook worden geweigerd.

5.21.

De Vereniging c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.101,00

5.22.

De door [gedaagde] gevraagde handelsrente over de (na)kosten zal worden afgewezen en in plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De vordering in reconventie strekt tot het tijdelijk gebruik maken van een onroerende zaak (in casu die van een aantal leden van de Vereniging) voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een andere onroerende zaak (in casu de opbouw van [gedaagde]) als bedoeld in artikel 5:56 BW. Volgens (de aannemer van) [gedaagde] is dat nodig voor het (kunnen) uitvoeren van de werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van de opbouw, alsmede voor het doen verrichten van achterstallig onderhoud aan de ramen in haar woning. De Vereniging c.s. heeft haar toestemming daartoe vooralsnog geweigerd, omdat zij de als voorwaarde daarvoor van [gedaagde] verlangde planning van de uit te voeren werkzaamheden en duidelijkheid over de eventuele schade tot op heden niet heeft ontvangen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.2.

Volgens de wet is de eigenaar van de onroerende zaak waarvan noodzakelijkerwijs gebruik gemaakt dient te worden voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een andere onroerende zaak gehouden om dit ‘na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling’ toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar ‘gewichtige redenen’ bestaan om dit gebruik te weigeren. De Vereniging c.s. heeft een aantal voorwaarden gesteld aan haar toestemming, met name dat [gedaagde] een gedetailleerde planning afgeeft van de uit te voeren werkzaamheden en het tijdspad waarbinnen die werkzaamheden dienen te zijn afgerond. De aannemer van [gedaagde] heeft tijdens de descente echter uitgelegd dat de precieze omvang van de werkzaamheden en de tijd die daarmee gemoeid is pas duidelijk zullen zijn wanneer met die werkzaamheden kan worden begonnen. Daaraan heeft hij toegevoegd dat zijn professionele inschatting is dat met de herstelwerkzaamheden ten behoeve van de ramen en kozijnen ongeveer een week werk gemoeid is. Dat komt de voorzieningenrechter niet onredelijk of onrealistisch voor. Weliswaar is het evenmin onredelijk van de Vereniging c.s. om van [gedaagde] te verlangen dat zij een omschrijving van de te verrichten werkzaamheden verstrekt aan de Vereniging c.s., maar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoen ‘herstelwerkzaamheden aan de kozijnen’ en een inschatting van een tijdspad van ‘ongeveer een week’ redelijkerwijs aan de term ‘behoorlijke kennisgeving’ als bedoeld in artikel 5:56 BW. Het is dus voorshands níet redelijk om de gevraagde toestemming te onthouden bij gebreke van een meer gespecificeerde omschrijving. Dat geldt evenzeer voor de te verwachten schade, nu [gedaagde] heeft gesteld dat haar aannemer alle nodige voorzorgsmaatregelen zal treffen om schade aan de te betreden onroerende zaken zal voorkomen en zij bovendien heeft toegezegd dat zij de eventuele schade als gevolg van de werkzaamheden zal vergoeden.

6.3.

Voor zover het standpunt van de Vereniging c.s. dat zij niet wenst dat de werkzaamheden worden voortgezet buiten aanwezigheid van de omwonenden (de voorzieningenrechter begrijpt: en dus niet tijdens hun vakanties) moet worden begrepen als een beroep op ‘gewichtige redenen’ als bedoeld in artikel 5:56 BW, wordt dat beroep gepasseerd. Dat die werkzaamheden mogelijk nadelige consequenties voor en/of schade aan de onroerende zaken van de woningen 2A-2E tot gevolg zouden kunnen hebben – zoals de Vereniging c.s. ter zitting heeft gesteld – is geen gewichtige reden als bedoeld in de wet. Daarbij komt dat [gedaagde] heeft toegezegd dat de aannemer met warmtebeelden de staat van het dak gedurende de werkzaamheden zal monitoren, zodat er van uit mag worden gegaan dat eventuele consequenties en/of schade in een vroegtijdig stadium worden ontdekt en dat indien nodig passende maatregelen worden genomen. Nu de aannemer [gedaagde] kennelijk aansprakelijk houdt voor vertraging in de voortgang ten gevolge van het uitblijven van de benodigde toestemming, weegt het belang van [gedaagde] bij voortgang van de werkzaamheden zwaarder dan het belang van de individuele eigenaren bij toezicht op die werkzaamheden.

6.4.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de Vereniging c.s. gehouden is om toe te staan dat [gedaagde] c.q. haar aannemer en diens personeel tijdelijk van hun respectieve onroerende zaken gebruikmaken, voor zover dat gebruik voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de onroerende zaak van [gedaagde] noodzakelijk is. De vorderingen in reconventie onder 1. en 2. zullen, met inachtneming van deze wettelijke beperkingen, worden toegewezen.

6.5.

De vorderingen in reconventie onder 3. en 4. zijn dermate ruim en vaag geformuleerd dat deze niet voor toewijzing in aanmerking komen. Voorts volgt uit de toegewezen vorderingen al dat de uitvoering van de werkzaamheden niet feitelijk onmogelijk gemaakt mag worden.

6.6.

Voor de oplegging van een dwangsom acht de voorzieningenrechter vooralsnog geen termen aanwezig, temeer daar het de stellige verwachting is dat dit de toch al verstoorde verhoudingen tussen partijen alleen maar verder op scherp zou zetten. De voorzieningenrechter gaat er dan ook voorshands van uit dat partijen vrijwillig zullen meewerken aan dit vonnis.

6.7.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

6.8.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

weigert de voorziening,

7.2.

veroordeelt de Vereniging c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.101,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.3.

veroordeelt de Vereniging c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

7.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.5.

beveelt de Vereniging c.s. toe te staan dat [gedaagde] c.q. haar aannemer en/of diens personeel tijdelijk van hun respectieve onroerende zaken gebruikmaken, voor zover dat gebruik voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van de opbouw en/of het verrichten van onderhoud aan de ramen en kozijnen in de onroerende zaak van [gedaagde] noodzakelijk is,

7.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.7.

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad,

7.8.

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 10 juli 2015.1

1 Conc.: 936 Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.