Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5823

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1138
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1469, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade - uit te werken bestemming - invulling naar redelijke verwachting

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-07-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 14/1138

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Smits),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn, verweerder

(gemachtigde: M. Klarenbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een tegemoetkoming in planschade van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en de betaalde leges ad € 300,00, toegekend.

Bij besluit van 24 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn vader [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het beroep ter zitting gezamenlijk behandeld met de beroepen met de zaaknummers 14/1133 en 14/1134.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid, een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge het zesde lid wordt schade als gevolg van een bepaling als bedoeld in artikel 3.3 of artikel 3.6, eerste lid, onder c, of artikel 3.38, derde of vierde lid, eerst vastgesteld op grond van een krachtens die bepaling genomen besluit.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder a, vergoeden burgemeester en wethouders, indien zij een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekennen, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht, of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. Eiser is eigenaar van de halfvrijstaande woning met garage/schuur aan [adres] (hierna: de woning). Op 24 september 2012 heeft hij verweerder verzocht om een tegemoetkoming in planschade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “De Blauwe Berg 2009” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), op 3 mei 2010 (hierna: de peildatum) en onherroepelijk geworden op 20 oktober 2010. Dit plan is de planologische basis voor het oprichten van een woonwijk achter de bebouwing aan [naam wijk], waarbij de percelen aan [naam wijk] van de woonwijk worden gescheiden door een sloot. Onder het voordien geldende bestemmingsplan “De Blauwe Berg 1978” (hierna: het oude bestemmingsplan) hadden de gronden waarop de woonwijk is gesitueerd de bestemming “Water” en de uit te werken bestemming “Openbaar Gebied”.

4. Verweerder heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de [naam adviesbureau 1] (hierna: de [naam adviesbureau 1]).

In een advies van 22 oktober 2013 heeft de [naam adviesbureau 1] een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden in het plangebied onder het oude en het nieuwe bestemmingsplan. Uit deze vergelijking heeft de [naam adviesbureau 1] de conclusie getrokken dat eiser als gevolg van de planologische verandering in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat daaruit voor vergoeding vatbare schade, in de vorm van een waardevermindering van de woning op de peildatum van € 225.000,00 naar € 217.000,00, is voortgevloeid. Voorts is in het advies vermeld dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro op de aanvraag van toepassing is, zodat een gedeelte van de schade, gelijk aan twee procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het opkomen ervan, zijnde € 4.500,00 voor rekening van eiser dient te worden gelaten. Gelet hierop resteert een tegemoetkoming van € 3.500,00.

Verweerder heeft dit advies aan het besluit van 4 december 2013 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het advies van de [naam adviesbureau 1] onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder mocht, aldus eiser, dit advies niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit nu dat is gebaseerd op een onjuiste planvergelijking.

6. Eiser voert daartoe allereerst aan dat in het advies is uitgegaan van een onjuiste invulling van de uit te werken bestemming “Openbaar Gebied” van het oude bestemmingsplan. Verweerder gaat ten onrechte uit van de realisatie van een tennisaccommodatie op de gronden met de bestemming “Openbaar Gebied” nabij de woning van eiser. Hij stelt dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een andere locatie gekozen zou zijn voor de tennisaccommodatie. Hij voert daartoe aan dat in de uitwerkingsregels niet is voorzien in een ontsluiting van een te realiseren tennisaccommodatie op deze locatie, hetgeen in de weg staat aan de realisatie. Daarnaast zou ook rekening gehouden moeten worden met de belangen van omwonenden, hetgeen tot uiting zou moeten komen in het feit dat de voorziening zal moeten worden gekozen met de minste overlast. De realisatie van een tennisaccommodatie in de betrekkelijk smalle strook tussen het perceel van eiser en een – volgens de uitwerkingsregels – te realiseren voet- of fietspad is ook gelet hierop niet voor de hand liggend. De realisatie ter plaatse, op grond van het oude bestemmingsplan, van een tennisaccommodatie dient, aldus eiser, geheel buiten beschouwing te blijven.

Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het door hem overgelegde tegenadvies van 3 februari 2014 opgesteld door [naam 2] van [naam adviesbureau 2] te [plaats].

6.1

Artikel 9 (Openbaar gebied -OG) van het bestemmingsplan “De Blauwe Berg 1978” luidt als volgt:

  1. De op de kaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor openbaar gebied, zoals wandelparken, ligweiden en speelterreinen, alsmede voor openbare recreatieve accommodaties ten behoeve van sport en spel, zoals tennisbanen en trimbanen met de daartoe benodigde gebouwen en andere bouwwerken, zoals lichtmasten, bruggen en hekwerken met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen en wegen, (brom-) fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen, waterlopen en vijvers.

  2. Burgemeester en wethouders moeten de bestemming uitwerken met inachtneming van navolgende regelen:

a. Er zullen wegen worden opgenomen, ongeveer volgens de op de kaart aangegeven aanduiding “Structurele verbindingen waarop auto’s toegestaan zijn”, onder andere voor gemotoriseerd verkeer waarbij tevens in de berm langs de wegen parkeergelegenheden voor ten hoogste 310 personenauto’s mogen worden aangelegd;

b. Er zullen bromfiets-, fiets- en voetpaden worden opgenomen ongeveer volgens de op de kaart aangegeven aanduiding “Structurele verbindingen voor voetgangers, fietsers en bromfietsers”;

c. Er zullen fiets- en voetpaden worden opgenomen ongeveer volgens de op de kaart aangegeven aanduiding “Structurele verbindingen voor voetgangers en fietsers”;

d. Er zullen voetpaden worden opgenomen ongeveer volgens de op de kaart aangegeven aanduiding “Structurele verbindingen voor voetgangers”;

e. Er zullen parkeerterreinen voor personenauto’s worden opgenomen ongeveer ter plaatse van de op de kaart aangegeven aanduiding “parkeerterrein”, waarbij in totaal het aantal van 250 parkeerplaatsen niet mag worden overschreden;

f. Ten behoeve van de recreatieve accommodaties mag een openbare tennisaccommodatie bestaande uit maximaal 3 banen worden opgenomen;

g. De totale grondoppervlakte van de onder lid 1 bedoelde gebouwen zal niet meer bedragen dan 1 ‰ van de grondoppervlakte met de bestemming OG, waarbij de goothoogte van de gebouwen ten hoogste 4.50 m mag bedragen en de gebouwen afgedekt zullen worden met daken waarvan de helling ten minste 22,5º zal en ten hoogste 45º mag bedragen;

h. Ten minste 6% van het oppervlak van de gronden dient te worden bestemd voor (oppervlakte-)water.

Voor de betreffende gronden geldt geen uitwerkingsplan.

6.2

Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de tussenuitspraak van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7707) mogen de mogelijkheden van de uit te werken bestemming bij de planvergelijking niet buiten beschouwing worden gelaten. Met die mogelijkheden dient volgens de Afdeling aldus rekening te worden gehouden dat bij de planvergelijking dient te worden onderzocht wat ten tijde van de inwerkingtreding van het betrokken planologische besluit naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming van de gronden zou zijn. In dat verband komt onder meer betekenis toe aan de uitwerkingsregels, de toelichting bij het bestemmingsplan en de mate waarin een en ander, naar aard en omvang, binnen de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en het geldende planologische beleid past.
De [naam adviesbureau 1] is in het definitieve advies terecht uitgegaan van dit uitgangspunt.

6.3

[naam adviesbureau 1] is bij de planvergelijking uitgegaan van de redelijke verwachting dat de invulling van de uit te werken bestemming zou bestaan uit gebruik van de betreffende gronden ten behoeve van extensieve sport en recreatie en daarbij behorende bebouwing. [naam adviesbureau 1] gaat daarbij uit van de mogelijkheid om nabij de woning van eiser een tennisbaan te realiseren.

6.4

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat in het geheel niet kan worden uitgegaan van de realisatie van een tennisaccommodatie, dan wel een andere invulling ten behoeve van recreatieve accommodaties.

Met betrekking tot de beantwoording van de vraag wat naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming “Openbaar Gebied” is, overweegt de rechtbank dat vaststaat dat de uitwerkingsregels de realisatie van een openbare recreatieve accommodatie zoals een tennisaccommodatie op de betreffende locatie mogelijk maken. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ter plaatse tennisbanen naar redelijke verwachting niet zouden kunnen worden gerealiseerd. De maatvoering van de tennisbanen is hiervoor niet van belang. De uitwerkingsregels laten voorts verlichting (lichtmasten) toe, zodat ook daarvan dient te worden uitgegaan. Dat er ooit - omstreeks 1978 - plannen waren van verweerder, uitgewerkt in een maquette, om op die locatie een park te maken doet aan het voorgaande niet af.

De in de uitwerkingsregels gegeven uitgangspunten met betrekking tot het opnemen van voet- en fietspaden en wegen geven niet, zoals eiser betoogt, een dusdanige beperking dat feitelijke realisatie van een tennisaccommodatie onmogelijk wordt gemaakt. De uitwerkingsregels laten juist – zoals verweerder ook heeft gesteld – ruimte om de paden en wegen dusdanig te situeren dat de gewenste invulling van het uitwerkingsplan kan worden gerealiseerd.

Noch de toelichting bij het bestemmingsplan, noch de ruimtelijke kenmerken van de omgeving beperken hetgeen in ruime zin door de uitwerkingsregels mogelijk wordt gemaakt.

Dat een belangenafweging mogelijk tot een afwijkende besluitvorming zou kunnen leiden, leidt niet tot een ander oordeel. In een ‘redelijke invulling’ ligt immers besloten dat niet slechts één invulling mogelijk is. Verweerder heeft dan ook mogen volstaan met het [naam adviesbureau 1]-advies en het op dit punt mogen volgen. Het betoog slaagt niet.

7. Eiser voert voorts aan dat in het advies wordt uitgegaan van onjuiste feiten. Zo gaat men uit van de kortste afstand van de nieuwe woningen en de westelijke perceelgrens van eiser van 28 meter, terwijl dit 23 meter is. Ook wordt de maximale hoogte van bijgebouwen van 4 meter niet genoemd en voorts de hinder van op te richten bijgebouwen met een hoogte van 4 meter het dichtst bij de perceelgrens van eiser niet betrokken in het planologisch nadeel. Eiser stelt dat verweerder in heroverweging ten onrechte niet is ingegaan op deze punten, die ook in het door hem aangeleverde tegenadvies aan de orde worden gesteld.

7.1

Eiser heeft gesteld, maar niet nader onderbouwd, dat [naam adviesbureau 1] is uitgegaan van een verkeerde afstand. Derhalve is niet komen vast te staan dat in het advies een onjuist uitgangspunt is gehanteerd. Overigens heeft eiser ook niet duidelijk gemaakt in hoeverre dit van invloed is op de bevindingen in het advies. Het tegenadvies van [naam adviesbureau 2] d.d. 3 februari 2014 en het nadere tegenadvies van 2 juli 2014 doen hieraan niets af, omdat niet onderbouwd wordt waarom deze feitelijke verschillen wezenlijk van belang zijn voor de conclusie van [naam adviesbureau 1]. Bovendien zo wordt door verweerder gesteld, zal juist door het oprichten van bijgebouwen en overkappingen het zicht op de woning van eiser worden weggenomen. Deze mogen anders dan de woningen niet permanent gebruikt worden.

De rechtbank vindt in het advies voorts geen aanknopingspunt voor het oordeel dat [naam adviesbureau 1] niet de woonbestemming met de daarbij behorende bijgebouwenregeling - mogelijk zelfs vergunningvrij -, in aanmerking heeft genomen. Het betoog slaagt niet.

8. Eiser voert aan dat [naam adviesbureau 1], gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, een te beperkte inschatting heeft gemaakt van het planologisch nadeel. Dit is bepaald op 3,55% van de waarde van de woning, terwijl het waarschijnlijker is dat dit meer is dan 5%.

8.1

Nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verweerder zich in redelijkheid heeft mogen baseren op het advies van [naam adviesbureau 1], behoeft deze grond geen bespreking meer. Het betoog slaagt dan ook niet.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. van Velsen, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. I.M. Ludwig, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.