Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5750

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
C/14/157786 HA RK 14-144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil-aansprakelijkheid.

Frontale botsing, kort na het sluiten van een brug, tussen twee motoren, tijdens inhaalmanoeuvre van verzoekster, die zich op haar motor op de weghelft van de andere motor bevindt. Verzoekster vraagt een verklaring voor recht dat de (verzekeringsmaatschappij van de) de andere motorrijder aansprakelijk is voor de (lestel)schade. Zij verwijt de andere motorrijder dat hij, na het sluiten van de brug met hoge snelheid door rood is gereden waardoor zij onvoldoende gelegenheid kreeg haar inhaalmanoeuvre af te maken. Hierdoor is zijn aandeel in het ontstaan van het ongeval groter.

De rechtbank wijst het verzoek af. De andere motorrijder is niet medeschuldig. Het (te) hard rijden is niet vastgesteld. Als het negeren van het rode knipperlicht al onrechtmatig jegens verzoekster zou zijn, en deze gedraging zou hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, dan nog zou die bijdrage in het niet vallen bij de majeure verkeersfout van verzoekster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

SV/SJ

Zaak- / rekestnummer: C/14/157786 / HA RK 14-144

Beschikking van 4 juni 2015

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te Alkmaar,

verzoeker bij verzoekschrift van 22 oktober 2014,

advocaat mr. E.F. Klungers te Alkmaar,

tegen

de naamloze vennootschap Reaal Schadeverzekering N.V.,

statutair gevestigd te Zoetermeer, kantoor houdende te Alkmaar,

verweerster,

advocaat mr. S.W. Polak te Utrecht.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en Reaal genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

- de mondelinge behandeling op 20 april 2015, waar aanwezig waren: verzoekster, bijgestaan door mr. Klungers voornoemd; namens Reaal mr. Polak voornoemd. Verder waren als belangstellenden aanwezig de heer en mevrouw [belangstellenden].

2 De feiten

2.1

Op 25 mei 2012 heeft op de N 250 nabij Den Helder een ongeval tussen twee motorfietsen plaatsgevonden. De Burgemeester Visscherbrug stond open en voor de gesloten brug had zich aan beide kanten een file voertuigen gevormd. [verzoekster] reed op haar motor in de richting van Den Helder, de heer [belangstellende] voornoemd kwam op zijn motor vanuit Den Helder. [belangstellende] bevond zich bij het dichtgaan van de brug vooraan in de file en passeerde de brug als eerste. [verzoekster] was op het moment van het ongeval bezig de wachtende file voor de brug in te halen en reed daarbij op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer. De twee motorfietsen zijn kort nadat de brug weer dicht was, frontaal op elkaar gebotst op de weghelft richting Alkmaar. Beide bestuurders raakten ernstig gewond.

2.2

Uit het politierapport blijkt dat beide motorfietsen voldeden aan de wettelijke vereisten en dat geen snelheidsovertreding kon worden geconstateerd.

2.3 [

verzoekster] heeft ten overstaan van de politie het volgende verklaard: “Ik zag dat er een middengeleider in het wegdek zat en voor deze middengeleider stonden denk ik twee auto’s. Ik zag dat ik voorbij de file kon rijden. Ik kwam van de rotonde en keek al op de file aan. Toen heb ik gekeken en ben er voorbij gereden (…). Toen ik voorbij de laatste auto van de file om de file heen reed, maakte ik gebruik van de tegenliggende weg. Of te wel ik reed tegen het verkeer in. Wat ik me nog kan herinneren, reed ik ter hoogte van de middengeleider. Ik zag dat een motorrijder me tegemoet rijden. Ik reed op de rechterzijde van de weghelft en hij aan de linkerzijde voor mij. (…) Ik zag het gebeuren en dacht ik moet niet naar links uitwijken. Want dat zal zijn reactie zijn. Ik dacht dat is de meest logische reactie van de tegenpartij.”

2.4 [

verzoekster] is bij vonnis van 18 april 2014 veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur vanwege schuld aan het ongeval als bedoeld in artikel 6 WVW 1994.

2.5 [

verzoekster] heeft [belangstellende] aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van het ongeval geleden materiële en immateriële schade. [belangstellende] heeft de aansprakelijkheid ontkent.

2.6 [

belangstellende] is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Reaal.

3 Het geschil

3.1 [

[verzoekster] verzoekt de rechtbank bij beschikking voor recht te verklaren dat Reaal aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval op 25 mei 2012 waarbij [verzoekster] letsel opliep en gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden, dan wel een zodanig deel van de schade te vergoeden als de rechtbank redelijk acht, met begroting van de kosten van deze procedure en veroordeling van Reaal tot betaling van deze kosten.

3.2 [

verzoekster] heeft aan haar verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Zowel [belangstellende] als [verzoekster] hebben een verkeersovertreding begaan en hebben aldus beiden enig aandeel in het ontstaan van het ongeval. [verzoekster] erkent dat zij bij het passeren van de file op de weghelft van [belangstellende] terechtkwam. Zij hield daarbij voor haar uiterst rechts aan. Door zijn handelwijze heeft [belangstellende] een groter aandeel aan het ontstaan van het ongeval geleverd. [belangstellende] heeft namelijk na het sluiten van de brug en het opengaan van de slagbomen het rode verkeerslicht genegeerd, reed met hoge snelheid aan de uiterst linkerzijde van de weg en keek daarbij om naar een vriend die op zijn motorfiets volgde. Had [belangstellende] het rode licht niet genegeerd, dan had het ongeval niet plaatsgevonden en had [verzoekster] de file kunnen passeren en vóór de file kunnen invoegen. [verzoekster] acht een causale verdeling van 75% in het voordeel van [verzoekster] redelijk. Op grond van de billijkheidscorrectie dient de schade door Reaal volledig te worden vergoed.

3.3

Reaal heeft elke aansprakelijkheid van de hand gewezen. Betwist wordt dat [belangstellende] de hem verweten handelingen, zoals door [verzoekster] weergegeven, heeft verricht. Voor zover ze wel zijn verricht, betwist Reaal dat [belangstellende] daarmee een verkeers-, veiligheids- en/of zorgvuldigheidsnorm heeft overschreden.

Voor het geval Reaal toch schadeplichtig wordt bevonden, dan stelt Reaal zich op het standpunt dat [verzoekster] eigen schuld heeft in die mate dat de schadevergoedingsplicht van Reaal volledig vervalt. Immers, [verzoekster] heeft een grove verkeersfout gemaakt en had kunnen en moeten zien dat de brug op het moment van de fout al dicht ging. Indien een fout van [belangstellende] zou worden aangenomen, dan is dat een geringe fout. Er valt in redelijkheid niets aan te merken op de plaats waar hij reed, noch op de oplettendheid, noch op de snelheid. Verder wijst Reaal erop dat een causaal verband, in de zin van het conditio sine qua non, ontbreekt alsmede de toerekening. Als [belangstellende] al schuld zou hebben dan is die zo minimaal dat toerekening van de schade niet op zijn plaats is.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank stelt voorop dat aansprakelijkheid van [verzoekster] vaststaat. Zij heeft erkend dat zij een verkeersfout heeft gemaakt door tijdens een inhaalmanoeuvre van een stilstaande file op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer in botsing te komen met [belangstellende].

4.2

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of Reaal mede-aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] ten gevolge van het ongeval lijdt. Voor de beantwoording van die vraag dient te worden beoordeeld of de handelwijze van [belangstellende] mede tot het ontstaan van het ongeval heeft geleid en of deze handelwijze verwijtbaar is.

4.3 [

belangstellende] heeft zich op het standpunt gesteld dat de rode knipperlichten bij de brug een waarschuwingsfunctie hebben en naderend verkeer moeten attenderen op het opengaan of –staan van de brug en het sluiten van de slagbomen. Uit niets blijkt dat de knipperlichten zien op de situatie na het openen van de slagbomen of van het regelen van verkeersstromen. Betwist wordt derhalve dat [belangstellende], door het rode licht te negeren, een veiligheidsnorm heeft overschreden. Hij heeft ook geen zorgvuldigheidsnorm overtreden. Immers, de mate van waarschijnlijkheid dat het door rood rijden een ongeval tot gevolg zou kunnen hebben was nihil.

Bovendien ontbreekt, in het geval wel zou worden geoordeeld dat door het rode licht rijden een normschending zou zijn, de vereiste relativiteit. Het doel en de strekking van de norm om niet door rood te rijden was het voorkomen van het gevaar als gevolg van de sluitende/gesloten slagbomen en de geopende brug. De strekking van die norm is niet het voorkomen van schade aan een verkeersdeelnemer die over de verkeerde weghelft zou kunnen rijden, aldus [belangstellende].

4.4

De rechtbank overweegt dat [belangstellende] niet heeft betwist dat hij het rode knipperlicht heeft genegeerd. Vaststaat derhalve dat hij een verkeersnorm heeft geschonden. In beginsel heeft te gelden dat verkeersnormen beogen ongevallen te voorkomen. Het standpunt van [verzoekster], dat zij erop mocht vertrouwen dat, zolang het verkeerslicht rood knipperde, de weg vrij zou zijn en zij geen rekening behoefde te houden met tegemoetkomend verkeer, faalt echter. Het knipperlicht bij de brug waarschuwt verkeersdeelnemers voor een opengaande of –staande brug en strekt er niet toe [verzoekster] de tijd en de gelegenheid te bieden voor de beschreven inhaalmanoeuvre. Het negeren van het rode knipperlicht kan om die reden dan ook niet als een onrechtmatige handeling jegens [verzoekster] worden gekwalificeerd. Het verweer inhoudende dat relativiteit ontbreekt slaagt derhalve.

4.5

Verder is niet is komen vast te staan dat [belangstellende] (te) hard reed. Reaal heeft dit betwist en na een verkeersongevalsanalyse is gerapporteerd dat het niet aannemelijk is dat [belangstellende] de maximumsnelheid heeft overschreden. Dit is te meer van belang omdat [verzoekster] stelt dat de combinatie van door rood licht rijden en te hard rijden een groot aandeel in het ontstaan van het ongeval heeft gehad.

4.6

De stelling van [verzoekster] dat [belangstellende] aan de uiterst linkerzijde van zijn weghelft heeft gereden wordt door Reaal met klem betwist. Niet kan worden vastgesteld dat [belangstellende] uiterst links op zijn weghelft heeft gereden. Wel staat vast dat [belangstellende] zich op de juiste weghelft en [verzoekster] zich op de verkeerde weghelft bevond op het moment en de plaats van het ongeval. De rechtbank ziet bovendien niet zonder meer in dat deze gedraging verwijtbaar is en, voorzover zover die al verwijtbaar zou zijn, een aandeel in het ontstaan van het ongeval zou hebben.

4.7

Dat [belangstellende] op enig moment heeft omgekeken, wordt niet betwist. Wel is betwist, en kan niet worden vastgesteld, of en zo ja in welke mate dit omkijken een aandeel in het ontstaan van het ongeval heeft geleverd. Op zichzelf is omkijken geen verwijtbare handeling, integendeel, dit kan de veiligheid van het verkeer dienen.

4.8

Het standpunt van [verzoekster] komt er feitelijk op neer dat zij [belangstellende] verwijt onvoldoende gelegenheid te hebben gekregen om de file in te halen en vooraan de wachtende file in te voegen. Zij meent dat zij erop mocht vertrouwen dat zolang het rode verkeerslicht knipperde de weg vrij zou zijn. [verzoekster] lijkt hier te miskennen dat zij zelf de gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen door een stilstaande file in te halen en daarbij op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer te rijden, ook op plaatsen waar een verkeersgeleider tussen beide weghelften lag. Het lag op haar weg om bij een dergelijke inhaalmanoeuvre opperste aandacht te hebben voor eventuele tegenliggers. Zelfs als er van zou worden uitgegaan dat het door rood rijden [belangstellende] als onrechtmatig kan worden beschouwd en dat deze gedraging op enige wijze, afzonderlijk dan wel in combinatie met de overige genoemde handelingen, zou hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, dan nog zou die bijdrage, naar het oordeel van de rechtbank, in het niet vallen bij de majeure verkeersfout van [verzoekster].

De conclusie luidt dat genoemde gedragingen van [belangstellende], zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, niet dan wel in een te verwaarlozen mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

4.9

Nu [belangstellende]s handelwijze niet onrechtmatig is en niet valt in te zien dat deze substantieel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval rust op hem geen aansprakelijkheid voor de gevolgen hiervan bij [verzoekster]. Het verzoek in deze deelgeschilprocedure zal op inhoudelijke gronden worden afgewezen.

Kosten van de deelgeschilprocedure

4.10

Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.11 [

verzoekster] heeft verzocht Reaal te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.12

Reaal heeft meegedeeld zich te kunnen vinden in de door [verzoekster] opgegeven kosten van het verzoek in dit deelgeschil.

4.13

De kosten kunnen de redelijkheidstoets doorstaan en zullen als niet betwist conform de opgave, vermeerderd met twee uur zittingstijd en het betaalde griffierecht, worden begroot. Voor een veroordeling in de kosten is geen ruimte nu de aansprakelijkheid van Reaal op inhoudelijke gronden is afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1

begroot de kosten van dit deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa Rv aan de zijde van [verzoekster] op € 4.011,53;

5.2

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Jongkind-Jonker en in het openbaar uitgesproken op donderdag 4 juni 2015.