Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5517

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
C/14/156472 FA RK 14-1701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek moeder om met het gezag te worden belast afgewezen. Ook het (voorwaardelijke) verzoek van oma om tussen haar en de minderjarige een omgangsregeling vast te stellen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/14/156472 / FA RK 14-1701

beschikking van 1 juli 2015 betreffende gezag en omgangsregeling

in de zaak van:

[Moeder] [achternaam],

wonende te Heerhugowaard,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.J.C. Engels, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

tegen

[Oma],

wonende te Heerhugowaard,

hierna te noemen: de oma,

advocaat mr. F. Riezebos, kantoorhoudende te Heerhugowaard.

Als belanghebbende wordt (voorts) aangemerkt:

[Vader], wonende te Leeuwarden,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. Y.M. Prins, kantoorhoudende te Groningen.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 19 november 2014;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader, ingekomen op 20 februari 2015;

- de rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem (verder: de Raad) van 14 april 2015;

- een kort verslag van de Raad van 15 mei 2015, als aanvulling op het rapport en advies van 14 april 2015.

1.2

De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 18 mei 2015, gecombineerd met de zaak C/15/225095 / JU RK 15-681 (verlenging ondertoezichtstelling) in aanwezigheid van de moeder bijgestaan door mr. J.J.C. Engels, de oma bijgestaan door mr. F. Riezebos en de vader bijgestaan door mr. Y.M. Prins. Voorts is verschenen [Medewerker Raad] namens de Raad en de [medewerker J&G] namens De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Alkmaar (verder: JGB).

1.3

Na de mondelinge behandeling zijn ingekomen brieven van de advocaat van de vader van 16 juni 2015 en van 19 juni 2015.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Bij voormelde beschikking van 19 november 2014 zijn de stukken in handen gesteld van de Raad voor onderzoek omtrent de vraag:

- of het belang van de minderjarige [Zoon 2] [achternaam], geboren in de gemeente Leeuwarden op [Geboortedatum] (verder: [Zoon 2]) het meest is gediend als de moeder wordt belast met het gezag over [Zoon 2], dan wel dat de oma belast dient te blijven met het gezag over [Zoon 2];

- in het geval het verzoek van de moeder omtrent het gezag zou worden toegewezen, welke omgangsregeling tussen de oma en [Zoon 2] het meest in het belang van [Zoon 2] kan worden geacht,

en de rechtbank dienaangaande te adviseren.

De behandeling is aangehouden tot 2 maart 2015 om 9.15 uur, met bevel tot oproeping van de moeder, de oma, hun advocaten, de vader, de Raad en JGB.

2.2

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 mei 2014 is [Zoon 2] onder toezicht gesteld van JGB (voorheen Bureau Jeugdzorg Noord-Holland) voor de duur van twaalf maanden, tot 15 mei 2015. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 april 2015 de ondertoezichtstelling van [Zoon 2] ambtshalve verlengd met ingang van 15 mei 2015 tot 5 juni 2015.

3 Beoordeling

3.1

De rechtbank neemt hier over hetgeen is opgenomen in de beschikking van 19 november 2014.

3.2

Aan de orde is nog het:

- verzoek van de moeder dat zij zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [Zoon 2];

- ( voorwaardelijke) verzoek van de oma dat, voor het geval het verzoek van de moeder wordt toegewezen, een omgangsregeling wordt vastgesteld, waarbij [Zoon 2] wekelijks van maandag tot en met vrijdag bij oma verblijft.

3.3

Voorts is aan de orde voormeld verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader. De vader verzoekt daarbij de verzoeken van de moeder af te wijzen. De vader heeft van zijn kant verzocht:

primair

- aan de vader vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [Zoon 2];

- te bepalen dat de vader zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [Zoon 2];

subsidiair

- aan de vader vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [Zoon 2];

- te bepalen dat de vader en de moeder gezamenlijk zullen worden belast met het gezag over [Zoon 2].

3.4

De Raad heeft geadviseerd dat:

- oma met het gezag over [Zoon 2] belast blijft;

- een omgangsregeling wordt vastgelegd in een tweewekelijkse cyclus, waarbij [Zoon 2] van zondagavond tot vrijdagmiddag bij de oma is, aansluitend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader, daarna van zondagavond tot woensdagmiddag bij de oma en tenslotte van woensdagmiddag tot zondagavond bij de moeder, waarna de tweewekelijkse cyclus wordt hervat.

Ter onderbouwing van het advies heeft de Raad het volgende aangevoerd.

[Zoon 2] is voornamelijk opgevoed door oma. Zij is zijn primaire verzorger en hij heeft zich het eerst en het sterkst aan oma gehecht. [Zoon 2] functioneert al jaren goed in de huidige situatie. Hij heeft er belang bij met alle belangrijke personen in zijn leven (oma, moeder en vader) een regelmatig en goed contact te hebben. In die behoefte wordt in de huidige situatie voorzien. [Zoon 2] geeft zelf aan bij oma te willen blijven. Hoewel de Raad rekening houdt met loyaliteitsgevoelens van [Zoon 2] wekt hij de indruk goed in staat te zijn eigen wensen uit te spreken.

Zowel de situatie bij moeder als bij oma kent aandachtspunten in de opvoedingsomgeving. De conflicten in de thuissituatie bij moeder roepen veel grotere zorgen op als het gaat om het emotionele welzijn van [Zoon 2]. Oma wekt de indruk een stabiele thuissituatie te kunnen bieden. Bij moeder is sprake van hoogoplopende ruzies en emotionele uitbarstingen. De Raad acht het niet in het belang van [Zoon 2] om in deze omstandigheden een gezagswijziging te laten plaatsvinden, temeer omdat in de huidige situatie in contact met alle voor hem belangrijke personen voorzien wordt.

JGB heeft voorgesteld om het gezag (voorlopig) aan hen toe te wijzen, omdat dit de angel uit de strijd over het gezag tussen moeder en oma zou halen. In afwijking daarvan meent de Raad dat dit alleen maar uitstel van een definitieve beslissing in de hand werkt. [Zoon 2] heeft behoefte aan duidelijkheid en een stabiele thuissituatie. De Raad schat in dat het voorstel van JGB zelfs strijd in de hand kan werken, nu een dergelijke constructie zowel bij oma als bij moeder een grote druk legt, wat spanningen in de hand kan werken.

De Raad meent dat een omgangsregeling met een tweewekelijkse cyclus, zoals in de beschikking van 19 november 2014 is weergegeven, in de gegeven omstandigheden tegemoet komt aan de behoeftes en verlangens van [Zoon 2]. [Zoon 2] heeft aangegeven dat hij last had van de eerdere regeling die met veel wisselingen gepaard ging. De regeling met een tweewekelijkse cyclus behelst langere periodes bij de verschillende betrokkenen en daarmee minder wisselingen.

3.5

De Raad heeft op 15 mei 2015 voormelde aanvulling op het rapport en advies van 14 april 2015 uitgebracht naar aanleiding van een melding van de rechtbank dat er een melding is binnen gekomen over het broertje van [Zoon 2], [broertje] [achternaam broertje], geboren op [geboortedatum broer] (verder: [broertje]). Hierbij heeft de Raad meegedeeld dat wordt gepersisteerd bij het advies van 14 april 2015.

Ter onderbouwing van de aanvulling heeft de Raad het volgende aangegeven. De moeder en haar partner hebben aangegeven dat zij in eerdere gesprekken met de Raad niet open zijn geweest over de spanningen die toen al tussen hen bestonden. De moeder geeft nu aan dat zij haar visie ten aanzien van [Zoon 2] zijn verblijf bij haar moet bijstellen. De moeder heeft na een heftige escalatie op 21 april 2015 besloten de relatie met haar partner te beëindigen. De moeder heeft in overleg met oma besloten dat [Zoon 2] voorlopig bij oma blijft. Zij acht de huidige spanningen niet in het belang van [Zoon 2]. Ze hoopt in de toekomst, wanneer de situatie weer rustig en stabiel is, met [Zoon 2] en [broertje] in één huis te kunnen gaan wonen. [broertje] verblijft thans samen met moeder bij opa (mz) en diens partner. De veiligheid van [Zoon 2] en [broertje] is hiermee op dit moment redelijk gewaarborgd, mits ouders ontmoetingen met elkaar vooralsnog zonder [Zoon 2] en [broertje] erbij laten plaatsvinden. De Raad is nog bezig met een beschermingsonderzoek naar [broertje]. Wat betreft [Zoon 2] meent de Raad dat de recente ontwikkelingen het eerder gegeven advies ondersteunen.

Standpunt JGB

3.6

JGB meent dat het gezag (tijdelijk) bij JGB moet komen. De bedoeling is om systeemtherapie in te zetten voor de oma, de moeder en de vader. Indien het gezag bij één van de betrokkenen zou komen of zou blijven, zal dit de onderlinge strijd niet verminderen. In de situatie dat het gezag tijdelijk bij JGB komt te liggen, kan JGB bekijken of het gezag op termijn naar één van de betrokkenen dient te gaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gezag

3.7

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [Zoon 2] bij oma op zijn plek is. Terwijl het duidelijk is dat de moeder van mening is dat [Zoon 2] bij haar zou dienen te zijn, is uit het rapport van de Raad gebleken dat [Zoon 2], die al nagenoeg vanaf zijn geboorte bij de oma woont, oma ziet als zijn primaire hechtingsfiguur. De door de Raad in het rapport van 14 april 2015 gesignaleerde spanningen in de gezinssituatie van de moeder worden bevestigd door voormelde aanvulling van 15 mei 2015. JGB stelt zich op het standpunt dat het gezag (voorlopig) aan hen moet worden toegewezen. De rechtbank is echter met de Raad van oordeel dat die optie slechts uitstel van de definitieve beslissing in de hand werkt, terwijl [Zoon 2] naar het oordeel van de rechtbank recht heeft op duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. Onder deze omstandigheden is het belang van [Zoon 2] naar het oordeel van de rechtbank het meest gediend bij continuering van de huidige situatie, in die zin dat oma het gezag over [Zoon 2] zal blijven uitoefenen en dat [Zoon 2] bij oma zal blijven wonen. Op grond van het vorenstaande en met inachtneming van de in de beschikking van 19 november 2014 vermelde beoordelingsgrondslag wordt het verzoek van de moeder afgewezen.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat moeder moeite zal hebben met de beslissing van de rechtbank, dient zij zich te realiseren dat het belang van [Zoon 2] prevaleert boven andere belangen.

Omgangsregeling

3.8

Uit het vorenstaande blijkt dat het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag wordt afgewezen. Daarmee zal ook het voorwaardelijke verzoek van de oma op dit onderdeel bij gebrek aan belang worden afgewezen.

3.9

De rechtbank constateert dat de Raad heeft geadviseerd de hierboven onder 3.4 weergegeven omgangsregeling vast te leggen. Gelet op de omstandigheid dat zowel van de zijde van de moeder als van de zijde van de vader geen verzoek voorligt tot vaststelling van een omgangsregeling, behoeft dit onderdeel geen verdere bespreking en zal de rechtbank dienaangaande geen beslissing geven.

Vervangende toestemming tot erkenning en gezag

3.10

De moeder heeft ter zitting meegedeeld dat zij samen met de vader naar de gemeente zal gaan om de erkenning te regelen. In voormelde brief van de advocaat van de vader van 16 juni 2015 wordt meegedeeld dat de vader [Zoon 2] inmiddels heeft erkend en dat het verzoek op dat onderdeel wordt ingetrokken. In voormelde brief van de advocaat van de vader van 19 juni 2015 wordt meegedeeld dat het verzoek tot gezamenlijk gezag of eenhoofdig gezag wordt ingetrokken. Op grond van voormelde intrekkingen worden deze onderdelen als afgedaan beschouwd.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1

Wijst af het verzoek van de moeder dat zij zal worden belast met het gezag over de minderjarige [achternaam]:

- [Zoon 2], geboren op [Geboortedatum] in de gemeente Leeuwarden.

4.2

Wijst af het (voorwaardelijke) verzoek van de oma om tussen haar en [Zoon 2] een omgangsregeling vast te stellen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.