Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5449

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
C/15/226628 / JU RK 15-879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Mj is uithuisgeplaatst middels machtiging van de kinderrechter. Ouders beide het gezag. GI heeft besloten mj terug bij de vader te plaatsen. Beëindiging muhp aan de Raad ter toetsing voorgelegd; Raad eens met beëindiging. Moeder niet eens met terugplaatsing bij de vader en verzoekt de kinderrechter op grond van art 1:265d af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

zaakgegevens : C/15/226628 / JU RK 15-879

datum uitspraak: 5 juni 2015

beschikking conflictbehandeling uithuisplaatsing

in de zaak van

[moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te Enschede.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen GI,

gevestigd te Alkmaar,

[vader], hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 21 mei 2015, ingekomen bij de griffie op 22 mei 2015.

Op 4 juni 2015 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige], die apart is gehoord,

- de moeder,

- de vader,

- mw. [woonplaats], namens de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 21 augustus 2014 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 augustus 2015.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 26 februari 2015 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij pleegouders 24-uurs verleend, tot uiterlijk 27 augustus 2015.

De GI heeft op 11 mei 2015 beslist de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen met ingang van 1 juni 2015.

De moeder heeft, in een op 21 mei 2015 gedateerde en aan de rechtbank gerichte brief, verweer gevoerd tegen de beslissing van de GI van 11 mei 2015.

De ontvankelijkheid

Artikel 1:265d van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt:

1. Een uithuisplaatsing kan door de gecertificeerde instelling worden beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek, bedoeld in artikel 265b, eerste lid, en het belang van de minderjarige zich tegen beëindiging niet verzet.

2. De met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder of een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de gecertificeerde instelling verzoeken:

a. de uithuisplaatsing te beëindigen;

b. de duur ervan te bekorten;

c. af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, tenzij de toestemming reeds met toepassing van artikel 265i is verleend.

3. De gecertificeerde instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

4. Op verzoek van een in het tweede lid genoemde persoon kan de kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 264, eerste lid, tweede volzin, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 265, vierde lid, zijn van toepassing.

De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de GI van 11 mei 2015 om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen met ingang van 1 juni 2015, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:265d, eerste lid, van het BW. Die beslissing heeft tot gevolg dat er een wijziging plaatsvindt in de verblijfplaats van [minderjarige], te weten een verhuizing van pleegouders naar de (gezaghebbende) vader.

De brief van de moeder van 21 mei 2015 merkt de rechtbank aan als een verzoek als bedoeld in artikel 1:265d, tweede lid, aanhef en onder c, van het BW om af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige. Hoewel de moeder naar de letter van de wet dat verzoek eerst had moeten richten aan de GI en zij daarna tegen een afwijzing van dat verzoek zou kunnen opkomen bij de kinderrechter, acht de rechtbank dat geen beletsel om de zaak inhoudelijk te behandelen. Het niet beslissen op het verzoek is immers gelijk te stellen met een afwijzing van het verzoek, waartegen kan worden opgekomen bij de kinderrechter.

De rechtbank zal hieronder beoordelen of de GI zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er gegronde redenen zijn om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen van pleegouders naar de vader. Aangezien die beslissing van de GI moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zal de rechtbank die beoordeling toetsen aan bestuursrechtelijke maatstaven. Concreet zal de rechtbank toetsen of de GI alle betrokken belangen bij de besluitvorming heeft betrokken en op redelijke wijze heeft afgewogen.

Het verzoek

De moeder verzoekt de rechtbank te bepalen dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin 24-uurs wordt gehandhaafd, voor de duur van de ondertoezichtstelling. Zij stelt dat bij de zitting over de uithuisplaatsing van 26 februari 2015 door de GI is aangegeven dat de plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin absoluut de voorkeur had boven alle andere mogelijkheden. Uitgesproken is op dat moment dat het teruggaan van [minderjarige] naar de vader geen optie was. Gelet hierop verzet de moeder zich dan ook tegen de onderhavige beslissing van de GI van 11 mei 2015. Zij stelt dat eerder is gebleken dat de veiligheid van [minderjarige] bij haar vader niet gewaarborgd was. Er waren zorgen over de leef- en opvoedsituatie bij de vader en tevens bestond het risico dat [minderjarige] in de omgeving van de vader in contact zou komen met de persoon die haar in 2013 seksueel misbruikt heeft. De persoonlijke hulpverlening die voor [minderjarige] is ingezet om onder andere dit trauma te verwerken, is pas recent gestart. Deze hulpverlening zal, indien [minderjarige] naar de vader teruggaat, onderbroken worden en in de regio van de vader opnieuw moeten worden opgestart. De moeder heeft haar zorgen over de beslissing einde plaatsing bij de GI kenbaar gemaakt, maar zij voelt zich hierin niet gehoord.

Ter zitting heeft de moeder mondeling toegevoegd dat zij geen zorgen heeft over de dagelijkse verzorging en de geboden structuur in de thuissituatie bij de vader. Wel is zij bang dat de relatie tussen [minderjarige] en haarzelf verder onder druk komt te staan als [minderjarige] bij haar vader woont. Ook de zoon van de ouders, die bij de vader woont, wordt negatief door de vader beïnvloed en er is al lange tijd sprake van ouderverstoting. Op dit moment is de relatie tussen de moeder en [minderjarige] al kwetsbaar. [minderjarige] heeft bij de moeder aangegeven alleen het contact te willen voortzetten als de moeder met haar vriendin, de voormalige pleegmoeder van [minderjarige], breekt. De moeder wil graag dat voor [minderjarige] een neutraal pleeggezin in (de omgeving van) Amersfoort wordt gezocht, waar zij zichzelf kan zijn en niet steeds met anderen rekening hoeft te houden. De moeder begrijpt dat zo’n plaatsing weinig kans van slagen heeft als [minderjarige] er niet voor is gemotiveerd.

Standpunten belanghebbenden

Mw. [medewerker] heeft ter zitting aangegeven dat een verdere pleegzorgplaatsing van [minderjarige] niet gaat lukken omdat zij daarvoor niet gemotiveerd is. Een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar vader is altijd een reële mogelijkheid gebleven. De vader heeft aan de voorwaarden voor die terugplaatsing voldaan. Vader heeft daarbij aangegeven dat pas als een passend hulpverleningsplan voor het gezin en voor [minderjarige] persoonlijk is vastgesteld, het traject tot terugplaatsing kan worden ingezet. In dat kader zijn nu de Opvoedpoli en opvoedingsondersteuning van Parlan in het gezin van de vader ingezet en zal de psychomotorische therapie van [minderjarige] in de regio bij de vader moeten worden voortgezet. Hierover zijn nog geen afspraken gemaakt. Ook wordt voor [minderjarige] in de regio bij de vader een school gezocht. De beëindiging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] is door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) bij beslissing van 29 mei 2015 getoetst. Mw. [medewerker] heeft oog voor de zorgen over de terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader zoals door de moeder naar voren gebracht, maar zij is van mening dat voor deze plaatsing goede randvoorwaarden zijn vastgesteld. Als het de vader en [minderjarige] lukt om aan deze voorwaarden te voldoen, dan is er een goede kans dat deze plaatsing een succes wordt. De hulpverlening richt zich inmiddels op het herstellen en verstevigen van het contact tussen [minderjarige] en haar moeder.

Ter zitting heeft [minderjarige] aangegeven geen zorgen te hebben over het wonen bij haar vader. De relatie met haar vader is goed en van weglopen zal geen sprake meer zijn. Sinds 28 mei 2015 verblijft [minderjarige] volledig bij haar vader. Een nieuwe school is nog niet geregeld en haar persoonlijke therapie is nog niet hervat. [minderjarige] wil op dit moment geen contact met haar moeder en haar voormalige pleegmoeder. Wellicht dat in de toekomst contact met haar moeder weer mogelijk is, maar dan alleen als zij breekt met haar vriendin, de voormalige pleegmoeder van [minderjarige].

De beoordeling

De beslissing van de GI van 11 mei 2015 heeft tot gevolg dat [minderjarige] thuis zal worden geplaatst bij haar vader.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verkregen informatie en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige], nadat zij in januari 2015 bij haar vader is weggelopen, uit huis geplaatst is geweest. In de beschikking van 26 februari 2015 heeft de kinderrechter overwogen dat pas als de strijd tussen de ouders beëindigd is, tot thuisplaatsing van [minderjarige] kan worden overgegaan. Gebleken is dat in voornoemde strijd nog weinig verandering is gekomen. De pleegzorgplaatsing van [minderjarige] in een gezin uit het netwerk van de moeder kan, mede door de opstelling van [minderjarige] naar de pleegmoeder, niet gehandhaafd worden. Het is de GI niet gelukt voor [minderjarige] een ander perspectiefbiedend pleeggezin in de regio Amersfoort te vinden. Dit wordt ook bemoeilijkt doordat [minderjarige] aangegeven heeft niet langer gemotiveerd te zijn voor een pleegzorgplaatsing en weer bij haar vader geplaatst te willen worden.

De Raad heeft in een schrijven van 29 mei 2015, in reactie op het voornemen van de GI de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen, aangegeven akkoord te gaan met de vroegtijdige beëindiging van de uithuisplaatsing. Aangegeven wordt dat de vader de zorg voor [minderjarige] op zich wil nemen, met de daarbij benodigde hulpverlening. De hulpverlening ziet mogelijkheden bij de vader en met de nog lopende ondertoezichtstelling kan de situatie bij de vader in de gaten gehouden worden. Ter zitting heeft de vader desgevraagd bevestigd open te staan voor hulpverlening en zelfs de inzet van passende hulpverlening als voorwaarde voor de thuisplaatsing van [minderjarige] te hebben gesteld. Voorts heeft [minderjarige] ter zitting benadrukt gemotiveerd te zijn voor de plaatsing bij haar vader en heeft zij aangegeven open te staan voor de geadviseerde persoonlijke hulpverlening en ondersteuning in de thuissituatie bij de vader. De moeder heeft ter zitting desgevraagd, ondanks haar reserves over de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, uitgesproken dat zij geen zorgen heeft over de dagelijkse verzorging of de geboden structuur bij de vader.

Het is de rechtbank – mede door de afwijzende houding van [minderjarige] naar haar moeder – duidelijk dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders. De plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin behoort echter niet tot de mogelijkheden, nu een dergelijk pleeggezin niet beschikbaar is en [minderjarige] voor een dergelijke plaatsing niet gemotiveerd is en ook niet te motiveren lijkt.

Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van [minderjarige] – ook al is de strijd tussen de ouders nog niet beëindigd – het meest gediend is met de thuisplaatsing bij haar vader. Bij dit oordeel weegt zwaar mee dat voor de thuisplaatsing bij de vader voorwaarden zijn gesteld en afspraken zijn gemaakt om de veilige ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen. Verder is van belang dat de vader en [minderjarige] hebben verklaard open te staan voor de geadviseerde persoonlijke hulpverlening aan [minderjarige] en ondersteuning in de thuissituatie bij de vader.

De rechtbank is van oordeel dat de GI alle betrokken belangen bij de besluitvorming heeft betrokken en op redelijke wijze heeft afgewogen. Het verzoek van moeder zal derhalve worden afgewezen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling dient te volgen of de vader en [minderjarige] zich aan de gestelde voorwaarden houden en of [minderjarige] zich bij haar vader veilig ontwikkelt. Daarnaast blijft het herstellen van de relatie tussen de moeder en [minderjarige] belangrijk. Gelet op de verklaring van de GI ter zitting dat de zorgen van de moeder over ‘ouderverstotingsproblematiek’ serieus worden genomen en voor [minderjarige] een vertrouwenspersoon zal worden gezocht, gaat de rechtbank ervan uit dat de GI voldoende oog zal hebben voor de relatie tussen [minderjarige] en de moeder.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, voorzitter tevens kinderrechter, en mr. M.M. van Weely en mr. W.P. van der Haak, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2015, in tegenwoordigheid van A.M. Pieters als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam