Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5447

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
15/820222-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; vrijspraak primair medeplegen invoer cocaïne te Schiphol; bewezenverklaring subsidiair medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer cocaïne te Schiphol.

In de kern gaat de zaak over het antwoord op de vraag of de politie bevoegd is om de smartphone van een verdachte – welke telefoon doorgaans privacy gevoelige informatie bevat – uit te lezen en of de rechtbank de aldus verkregen informatie voor het bewijs mag gebruiken.

Het Hof Arnhem – Leeuwarden heeft deze vraag in haar arrest van 15 april 2015 ontkennend beantwoord. Het openbaar ministerie is inmiddels van deze uitspraak in cassatie gegaan.

In dit vonnis van de rechtbank Noord Holland, locatie Haarlem, wordt voornoemde vraag echter bevestigend beantwoord, onder meer onder verwijzing naar (oudere) jurisprudentie van de Hoge Raad over dit thans actuele onderwerp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820222-15 (P)

Uitspraakdatum : 26 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 juni 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nigeria),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, locatie Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Spruijt en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair:

hij op 1 maart 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveel van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair:

hij op 01 maart 2015 te Schiphol en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden(en) had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens):

(meermalen) telefonisch, via de applicatie WhatsApp, instructies, althans (een) bericht(en) en/of afbeelding(en) uitgewisseld over het ophalen en/of ontmoeten van [koerier] (die op 28 februari 2015 opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland had gebracht) en/of het van voornoemde [koerier] in ontvangst nemen en/of overnemen van een (piloten)koffer, althans een tas, en/of

zich (daartoe) met een voertuig op 1 maart 2015 naar de luchthaven Schiphol begeven (met als doel om voornoemde [koerier] te ontmoeten).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.

3.2. Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder primair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden vastgesteld, dat reeds vóór het moment dat de cocaïne in beslag werd genomen, sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met de koerier, of met anderen die bij het drugstransport betrokken waren. Gelet op de zogenoemde ‘Kokosnoten’-jurisprudentie dient verdachte daarom van het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne te worden vrijgesproken.

3.3. Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft als verweer aangevoerd dat de politie niet de bevoegdheid had om de bij verdachte in beslag genomen telefoon geheel uit te lezen, nu er in die smartphone ook veel privacy gevoelige gegevens stonden.

De raadsman verwijst naar een uitspraak van het Hof Arnhem – Leeuwarden van 22 april 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:2954) waarin is geoordeeld dat het onderzoek door de politie aan de smartphone van de verdachte in die zaak een schending oplevert van zijn recht op privacy en dat verdachte hierdoor is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, terwijl verdachte in die zaak ook concreet is benadeeld in zijn (verdedigings-) belang. Al het uit de telefoon verkregen bewijs dient dan ook als onrechtmatig verkregen bewijs terzijde te worden geschoven, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat ingevolge art. 134, eerste lid, Sv in verbinding met art. 94, eerste lid, Sv alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar zijn voor inbeslagname. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan en in het in beslag genomen voorwerp teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd. De rechtbank verwijst in dat verband naar HR 20 februari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ3564) en HR 29 maart 1994 (ECLI:NL:HR:1994:

AD2076). Er zijn geen aanknopingspunten om ten aanzien van (de inhoud van) een smartphone anders te oordelen.

Een dergelijk onderzoek vormt evenwel een inbreuk op het bij art. 8, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van verdachte op privacy. Een dergelijke inbreuk is ingevolge het tweede lid van art. 8 van het EVRM alleen dan toegestaan indien deze berust op een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag en als aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Met andere woorden: de inbreuk moet wettelijk gelegitimeerd zijn, noodzakelijk zijn in verband met het daarmee beoogde doel en daarmee in een redelijke verhouding staan.

Anders dan de verdediging en in weerwil van haar beroep op voormeld arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de rechtbank van oordeel dat art. 94 Sv, tezamen met de uitleg daarvan door de Hoge Raad, een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag vormt voor de inbeslagname van en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van verdachte.

Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is eveneens voldaan. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de ernst van de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht, en gelet op de met de opsporing van deze feiten gemoeide belangen van de bescherming van de gezondheid van anderen, was het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk om in het kader van de waarheidsvinding, nader onderzoek in te stellen naar de inhoud van de hiervoor genoemde smartphone van de verdachte. Gelet op de omstandigheden van het geval, te weten de vaststelling dat het afhalen van de koerier door de organisatie gecoördineerd werd via e-mail en What’sapp, was het noodzakelijk om de smartphone van verdachte te onderzoeken. Van een onredelijke verhouding tussen doel en middel is geen sprake geweest en een andere wijze van het aan de dag brengen van de waarheid was redelijkerwijs niet voorhanden. Daarbij merkt de rechtbank op dat door de verdediging niets is aangevoerd omtrent het vermeende nadeel dat door verdachte zou zijn geleden als gevolg van het uitlezen van de smartphone. Als een dergelijk nadeel heeft, in het kader van artikel 359a Sv., in ieder geval niet te gelden de ontdekking van door verdachte gepleegde strafbare feiten.

Al met al concludeert de rechtbank dat de inbeslagname van en het onderzoek aan de smartphone van de verdachte niet onrechtmatig zijn geweest en dat er dus geen sprake is geweest van een vormverzuim zoals de raadsman van verdachte heeft betoogd. De rechtbank verwerpt dan ook het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer.

Tenslotte heeft de raadsman van verdachte als verweer gevoerd dat de op dossierpagina 172 weergegeven in de Engelse taal geformuleerde whatsapp berichten niet mogen worden meegenomen voor het bewijs, nu de officiële voertaal in een Nederlandse rechtbank de Nederlandse taal is en niet de Engelse taal.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Gelet op het feit dat alle op dossierpagina 172 weergegeven, in de Engelse taal geformuleerde, App berichten door een beëdigde tolk in de Engelse taal ter zitting van

12 juni 2015 in het Nederlands zijn vertaald, is verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad, nu de Nederlandse vertaling van deze in de Engelse taal geformuleerde App berichten niet op schrift is gesteld.

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 28 februari 2015 omstreeks 13:30 uur bevinden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich in de directe nabijheid van gate F8 op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, waar zij zijn belast met de controle van aankomende passagiers van vlucht KL0755 vanuit Quito en Guayaquil, die bij voornoemde gate de aviobrug verlaten.

De verbalisant [verbalisant 1] onderwerpt een hem onbekende Engels sprekende man, die later [koerier] blijkt te heten, aan een douane controle. De man heeft een pilotenkoffer bij zich, die nader wordt onderzocht. Na het uitnemen van de zich in de pilotenkoffer bevindende kledingstukken, blijkt dat deze koffer abnormaal zwaar aanvoelt.

Tijdens een nadere inspectie van de pilotenkoffer ziet en voelt de verbalisant [verbalisant 1] een verdikking in de achterwand van de koffer. Na het lostrekken van de achterwand van de pilotenkoffer wordt een zilverkleurig pakket zichtbaar. [verbalisant 1] heeft hierop zijn collega [verbalisant 2] van zijn bevindingen op de hoogte gesteld. Beide douane ambtenaren hebben hierop [koerier] begeleid naar het kantoor in aankomsthal 3 van de luchthaven Schiphol, teneinde voornoemd zilverkleurig pakket nader te onderzoeken. De zich in het zilverkleurig pakket bevindende witte stof is getest met een MMC cocaïne test set, hetgeen een positief kleur resultaat heeft opgeleverd. Dit betekent dat de geteste witte stof vermoedelijk bestaat uit cocaïne, dan wel cocaïne bevat. Hierop is [koerier] aangehouden en is hem schriftelijk, in de Engelse taal, de cautie gegeven. De pilotenkoffer met daarin de vermoedelijke cocaïne is inbeslaggenomen.2

[koerier] heeft zich vervolgens bereid verklaard zijn medewerking te verlenen aan het onderkennen van de afhaler. Op 1 maart 2015 is zonder [koerier] de observatie gestart voor het onderkennen van de afhaler van de pilotenkoffer van [koerier]. [koerier] onderhield per e-mail contact met zijn vermoedelijke opdrachtgever(s) dan wel afhaler(s). Het e-mail verkeer tussen enerzijds [koerier] en anderzijds ene [betrokkene 1] en ene [betrokkene 2] werd opgepakt door een verbalisant.

Via e-mail kreeg [koerier] aanwijzingen met betrekking tot de locatie waar hij de afhaler (in de mails “[naam]” genoemd) zou ontmoeten. Uit het mailverkeer blijkt dat deze [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zowel met de afhaler als met [koerier] contact hebben om ervoor te zorgen dat zij elkaar kunnen treffen. De officier van justitie heeft toestemming gegeven om een rechercheur van het Drugs Team Schiphol de plek in te laten nemen van [koerier] (deze rechercheur is hierna [verbalisant 3] te noemen). Tijdens de observatie begaf een onbekende man, de latere verdachte, zich verschillende keren in de directe omgeving van [verbalisant 3].3 Via de mail had [betrokkene 2] of [betrokkene 1] laten weten dat [verbalisant 3] naar de Starbucks nabij aankomst 4 moest gaan.4 [verbalisant 3] werd een aantal keren aangekeken door verdachte en uit een nadien ontvangen e-mail aan [koerier] blijkt dat de afhaler [koerier] heeft onderkend, waarop namens [koerier] is gevraagd of de afhaler een zwaaibeweging kon maken zodat hij zou weten om wie het ging. 5[verbalisant 3] moest vervolgens verdachte naar buiten volgen, alwaar deze aan [verbalisant 3] vroeg: “Are you [koerier]? Do you speak English? Do you have a jacket? Come with me to the car”. Daarop wordt verdachte aangehouden6.

Tijdens de observatie is er verschillende keren telefonisch contact geweest tussen het Best Western hotel en de mogelijke afhaler / opdrachtgever. 7 Verder is uit camerabeelden gebleken dat verdachte zich al om 17.16 uur op Schiphol bevond zonder dat hij enig contact maakte met passagiers/passanten en dat hij om 18.29 uur zijn arm in de richting van de aankomstpassage bewoog. Daar was zijn auto geparkeerd.8 De smartphone van verdachte is uitgelezen. In de telefoon is een afbeelding aangetroffen van een paspoortpagina van koerier [koerier]. Voorts is in de telefoon een What’sApp conversatie aangetroffen tussen verdachte en ene ‘Srun Indn’. Verdachte ontvangt het adres van het hotel [koerier] en het kamernummer. Hij schrijft, omstreeks de tijd dat hij contact maakt met [koerier] “Am here by departure”, “Tell hi mto come out by d door”, “Tell him to come out to where car are parking” en “If you collect bag inside airport, mostly that place he mention”, “it look somehow”.9

3.5. Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte niet wist dat de persoon die hij van plan was op Schiphol op te halen, een koerier was die in het bezit was van cocaïne, verstopt in een pilotenkoffer. Verdachte zou als snorder op Schiphol aanwezig zijn geweest om iemand op te halen. Derhalve ontbreekt bij verdachte de vereiste opzet om te komen tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Verdachte heeft met betrekking tot zijn aanwezigheid op Schiphol wisselende verklaringen afgelegd. Bij de KMar heeft hij – naar de kern genomen – ontkend dat hij [koerier] kende en ontkend dat hij op Schiphol was om deze persoon op te halen. Hij zou geen contact met [koerier] hebben gemaakt. Verder heeft verdachte bij de KMar op een groot aantal voor de hand liggende vragen geen antwoord willen geven.

Ter terechtzitting, nadat hij kennis had genomen van het resultaat van het uitlezen van zijn telefoon, waardoor dit verhaal niet langer houdbaar was, heeft verdachte zijn verklaring ingrijpend gewijzigd. Hij heeft verklaard dat hij van iemand met de naam Srun Indn het verzoek kreeg om iemand bij hotel in Amsterdam op te halen. Srun Indn heeft een foto van de betrokken man naar zijn telefoon gestuurd en hij wist dat hij [koerier] heet. Ook heeft verdachte ter zitting erkend dat hij op Schiphol zelf contact met [koerier] heeft gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank past de gang van zaken zoals deze blijkt uit de redengevende feiten en omstandigheden op het veel voorkomende scenario waarin iemand in opdracht van een ander of anderen die bij een drugssmokkel betrokken zijn, een koerier komt afhalen om aldus te bewerkstelligen dat de ingevoerde cocaïne op de juiste plaats terecht komt. Dat verdachte als snorder op Schiphol aanwezig was en slechts in die hoedanigheid [koerier] op kwam halen is in het licht van die feiten en omstandigheden, in aanmerking genomen zijn tegenstrijdige en niet congruente verklaringen, niet geloofwaardig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat [koerier] cocaïne bij zich voerde en dat hij welbewust als afhaler deel uitmaakte van dit drugstransport.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 1 maart 2015 te Schiphol en/of Amsterdam,

tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

te bevorderen,

zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en of zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders tezamen en in vereniging met anderen, telkens:

meermalen telefonisch, via de applicatie WhatsApp, instructies, althans berichten en/of afbeeldingen uitgewisseld over het ophalen en ontmoeten van [koerier], die op 28 februari 2015 opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland had gebracht, en over het van voornoemde [koerier] in ontvangst nemen of overnemen van een pilotenkoffer, en

zich (daartoe) met een voertuig op 1 maart 2015 naar de luchthaven Schiphol begeven, met als doel om voornoemde [koerier] te ontmoeten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd - na een hernieuwde eis te hebben geformuleerd - dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, tezamen met anderen, zich schuldig gemaakt aan voorbereidings- handelingen teneinde de opzettelijke invoer van 2.105,5 gram cocaïne mogelijk te maken. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De door de koerier

[koerier] ingevoerde hoeveelheid cocaïne was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De officier van justitie maakt bij de bepaling van zijn strafeis een onderscheid tussen enerzijds de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland en anderzijds het plegen van voorbereidingshandelingen teneinde die invoer mogelijk te maken, waarbij hij de rol van de afhaler, niet zijnde medepleger van de invoer, kennelijk als minder strafwaardig beoordeelt.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten van de LOVS. Bij de opzettelijke invoer van 2.005,4 gram cocaïne komt dit neer op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur. Enerzijds kennen voorbereidingshandelingen een lichtere strafbedreiging dan de daadwerkelijke opzettelijke invoer van cocaïne. Anderzijds is de rol van een afhaler, gelijk die van een koerier, cruciaal in het proces van drugssmokkel, terwijl een afhaler een aanmerkelijk geringer risico loopt om ‘gepakt’ te worden dan de koerier. Tezamen leidt dit tot het oordeel dat een afhaler, als uitgangspunt, niet minder strafwaardig handelt dan een koerier. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de koerier in deze zaak veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte door zijn houding er van blijk gegeven heeft het laakbare van zijn handelen niet in te (willen) zien.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en dat (mede) gelet op de persoon van verdachte geen andere straf op haar plaats is dan één die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 van het Wetboek van Strafrecht

2, 10, 10a lid van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D. Gruijters, voorzitter,

mr. E.C. Smits en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. F.A. Rive,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2015.

Mr. G.D.M. Hoedemaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 1 maart 2015 (p. 16-18)

3 Proces-verbaal bevindingen e-mail d.d. 3 maart 2015 (p. 121-123)

4 Proces-verbaal bevindingen observatie 1 maart 2015 d.d. 3 maart 2015 (p. 59)

5 Proces-verbaal bevindingen e-mail d.d. 3 maart 2015 (p. 124)

6 Proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 1 maart 2015 (p. 54 – 55)

7 Proces-verbaal van bevindingen observatie 1 maart 2015 d.d. 3 maart 2015 (p. 56 – 61)

8 Proces-verbaal bevindingen observatie 1 maart 2015 d.d. 3 maart 2015 (p.58-61)

9 Proces-verbaal onderzoek Gsm-telefoon (p. 169, 172, 173)