Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5207

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
15/997505-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; economische strafzaak.

Verdachte heeft, in elk geval samen met zijn zuster, opzettelijk een gevaarlijke stof, te weten kwik, aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning. Door verdachte of zijn mededader werd niet aangegeven dat er een gevaarlijke stof in het pakket zat. De gevaarlijke stof is door verdachte verpakt in verfblikken, hetgeen een zeer ernstig risico inhield. Het risico van het vrijkomen van het kwik heeft zich al voordat het pakket werd vervoerd gemanifesteerd, nu één van de blikken is gaan lekken. Niet alleen het gevaar dat het kwik zou reageren met andere metalen, bijvoorbeeld het aluminium van het vliegtuig, maar ook het risico op vrijkomen van kwikdampen is door verdachte volledig genegeerd. Dit handelen heeft een groot risico kunnen veroorzaken aan boord van het vrachtvliegtuig, hetgeen door verdachte doelbewust is genomen. Om te voorkomen dat verdachte of zijn mededader getraceerd konden worden heeft verdachte de naam van een onwetende als afzender op het pakket genoteerd, hetgeen voor diegene tot grote problemen had kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6404
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 15/997505-13 (P)

Uitspraakdatum: 24 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juni 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De economische politierechter heeft de zaak onder het parketnummer 15/997505-13 naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H.H.M. Beune en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 19 oktober 2012, althans in de periode van 19 oktober 2012 tot en met 25 oktober 2012 te Schiphol, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk,(een) gevaarlijke stof(fen) zoals aangewezen in artikel 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht, te weten kwik (UN nr. 2809, Mercury) welke stof(fen) (tevens) genoemd is/zijn in de gevaarlijke stoffenlijst (tabel 3-1) van de ICAO-TI 2011/2012, ten vervoer heeft aangeboden en/of doen of laten vervoeren met een luchtvaartuig, zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning;

feit 2

hij op of omstreeks 19 oktober 2012, althans in de periode van 19 oktober 2012 tot en met 25 oktober 2012 te Schiphol in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, vijf, althans één of meer (verf-)blikken gevuld met (een) gevaarlijke stof(fen) zoals aangewezen in artikel 2 Besluit vervoer

gevaarlijke stoffen door de lucht, te weten kwik (UN nr. 2809, Mercury) welke stof(fen) (tevens) genoemd is/zijn in de gevaarlijke stoffenlijst (tabel 3-1) van de ICAO-TI 2011/2012, met een luchtvaartuig ten vervoer heeft aangeboden.

2 Voorvragen

2.1.

Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.2.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het fundamentele recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Hij wijst op de omstandigheid dat de in beslag genomen stof na onderzoek vernietigd is en dat daardoor contra-expertise blijvend onmogelijk is geworden. Voorts is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wordt het beginsel van adversarial trial geschonden. De cumulatie van deze schendingen van voornoemd artikel 6 brengt mee dat het Openbaar Ministerie niet langer in de vervolging van verdachte kan worden ontvangen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat jegens verdachte ten laste is gelegd dat hij zich, kort gezegd, tezamen en in vereniging dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan het aanbieden van een gevaarlijke stof ten vervoer per luchtvracht zonder daartoe verleende erkenning alsmede het onjuist verpakken en etiketteren van die gevaarlijke stof. Door het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat de stof in onderhavige zaak kwik betreft. De kwikconcentratie van de in beslag genomen stof doet gezien de inhoud van de verdenking niet ter zake, nu het voor de strafbaarheid van de aanbieding van gevaarlijke stoffen ten vervoer per luchtvracht, zoals kwik, niet van belang is welke concentratie het betreft. Verdachte is dan ook niet in zijn verdedigingsrechten geraakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 2 juli 2013 als verdachte aangehouden, in verzekering gesteld en verhoord. Op die datum is ook een doorzoeking geweest in de woning van verdachte. Vanaf dat moment kon verdachte daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zou worden ingesteld. Op 13 januari 2015 is de strafzaak tegen verdachte behandeld door de economische politierechter van deze rechtbank en verwezen naar de meervoudige economische strafkamer voor inhoudelijke behandeling op 10 juni 2015. De einduitspraak zal plaatsvinden op 24 juni 2015. Er is derhalve sprake van een tijdsverloop van minder dan twee jaren. Nu die termijn, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, ook het algemeen uitgangspunt is bij de bepaling van een redelijke termijn, is de rechtbank van oordeel dat dezeze termijn niet is overschreden.

De door de raadsman betrokken stelling dat door de inactiviteit van het Openbaar Ministerie en de vernietiging van de in beslag genomen stof het beginsel van adversarial trial is geschonden moet daarom eveneens worden verworpen, nu de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad door vernietiging van de stof alsmede dat er geen sprake is van een aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen langdurige inactiviteit in de zin van een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt aldus vast dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

2.3.

Redenen tot schorsing

De rechtbank heeft ten slotte vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Bewijsuitsluiting

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat bewijsuitsluiting moet volgen ten aanzien van alle onderzoeksbevindingen die zijn verkregen ten aanzien van de in beslag genomen stof. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, nu geen tegenonderzoek meer mogelijk is doordat de in beslag genomen stof is vernietigd, het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is geschonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer onder dezelfde motivering als hierboven onder 2.2. ten aanzien van het overigens eensluidend verweer is aangegeven.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 19 oktober 2012 wordt door verdachte een kartonnen doos aangeboden ter verzending per luchtvracht bij [koerier] in Lelystad. Deze doos is vervolgens door het bedrijf [bedrijf 1] naar Schiphol vervoerd en daar aangeboden bij het bedrijf [bedrijf 2] voor luchtzending.2 De afzender betreft volgens opgaaf: [afzender] te Hilversum. De ontvanger betreft: [medeverdachte 1] te Paramaribo, Suriname.3

Op 25 oktober 2012 wordt de kartonnen doos door de douane geïnspecteerd door middel van scannen waarbij een afwijkend beeld wordt geconstateerd. Bij het openen van de doos ziet de douane een vijftal verfblikken. Bij het optillen van een van deze blikken blijkt dat dit verfblik een sterk afwijkend gewicht heeft. Na opening van een blik wordt een metaalkleurige vloeistof gezien die qua kleur, samenstelling en het hoge gewicht doet denken aan kwik4. Op 29 oktober wordt de doos door de douane overgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport, die de doos nader inspecteert. De buitenzijde van de verpakking vermeldt geen gevaarlijke stof en de verpakking is niet UN-gekeurd. In de doos liggen een aantal kledingstukken en op de bodem worden vijf verfblikken, staande in uitsparingen in polystyreen aangetroffen. De verfblikken hebben elk een etiket met daarop het opschrift ‘Super Aluminiumverf schilders kwaliteit’. Nader onderzoek naar één van de verfblikken wijst uit dat deze is gevuld met een metaalkleurige substantie, vermoedelijk kwik. Vastgesteld wordt dat de doos en de vijf verfblikken tezamen 13 kilogram wegen.5

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) wordt de inhoud van vier van de verfblikken nader onderzocht, alsmede druppels op de deksel van het vijfde verfblik. Het NFI stelt vast dat de substantie in en op de verfblikken metallisch kwik (Hg) bevat.6 Metallisch kwik kent het UN nummer 2809 (Mercury) en is genoemd in tabel 3-1 van de ICAO-TI 2011/2012. Kwik is een bijtende stof7 en artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht vermeldt onder sub 8 bijtende stoffen als gevaarlijke stof.

Verdachte heeft geen door onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning voor particulieren. De naam van verdachte komt niet voor in het systeem van erkenningshouders.8

Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten verklaard dat hij in opdracht van zijn zus [medeverdachte 1] kwik ten vervoer per luchtvracht naar Suriname heeft aangeboden. Verdachte kocht verfblikken bij [bedrijf 3] en heeft in zijn woning kwik in deze verfblikken gedaan. Vervolgens heeft hij de verfblikken in foam in een kartonnen doos geplaatst. De zending werd door verdachte aangeboden bij [koerier] in Lelystad voor verzending naar Suriname.9

3.4.

Bewijsoverweging

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor het bestanddeel ‘gevaarlijke stof(fen)’. De raadsman wijst daarbij op Verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (hierna: EG-verordening). Artikel 1 lid 1 van de EG-verordening verbiedt onder meer de uitvoer uit de Gemeenschap van mengsels van metallisch kwik met andere substanties met een kwikconcentratie van ten minste 95%. Deze EG-verordening is ex artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU verbindend en rechtstreeks van toepassing. De verwezenlijking van de doelstellingen van de EG-verordening wordt uitdrukkelijk in handen van de Gemeenschap geplaatst, en bovendien wordt duidelijk gesteld dat het handhaven van ‘oude’ wetgeving na 15 maart 2011 alsmede verdergaande wetgeving niet is toegestaan. Derhalve moet het ‘Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht’ zo gelezen worden dat zij in overeenstemming is met de EG-verordening, wat betekent dat het verbod op de uitvoer van metallisch kwik uit de Gemeenschap geldt voor mengsels van metallisch kwik met een concentratie van ten minste 95%. Gezien de onderzoeksbevindingen van het NFI voldoet het door verdachte aangeboden mengsel hier niet aan en dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het ‘Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht’ een uitwerking is van artikel 6.53 van de Wet luchtvaart. Het besluit betreft hernieuwde implementatie van internationale regelgeving, te weten Annex 18 behorende bij het ‘Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaartorganisatie’ (het Verdrag van Chicago, Trb. 1973, 109), waarin globale regels worden gegeven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht. Artikel 2 van het besluit bepaalt dat vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht slechts mag plaatsvinden voor zover toegestaan ingevolge Annex 18 en de uitwerking van de daarin opgenomen globale regels in de Technische voorschriften voor het veilige vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (ICAO-TI). Het belang dat deze regelgeving beschermt is de veiligheid van de luchtvaart, nu het niet in acht nemen van voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht zeer ernstige gevolgen kan hebben (Wijziging van de Wet luchtvaart [vervoer gevaarlijke stoffen en van dieren], Kamerstuk 26 902 nr.3, Memorie van Toelichting).

De rechtbank overweegt verder dat de doelstelling van de voornoemde EG-verordening blijkens de preambule onder nr. 22 is de blootstelling aan kwik door middel van een uitvoerverbod en een opslagverplichting te verlagen. Onder nr. 5 van deze preambule wordt voorts overwogen dat een verbod op de uitvoer van onder meer metallisch kwik met een kwikconcentratie van ten minste 95 gewichtsprocent beoogt het wereldwijde aanbod van metallisch kwik aanzienlijk te verlagen.

De rechtbank komt gezien het voorstaande tot de conclusie dat de EG-verordening andere belangen beschermt dan het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Derhalve kan niet gezegd worden dat voornoemd besluit een verdergaande uitwerking is van de EG-verordening en daarom onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met hogere regelgeving. Ook kan niet gezegd worden dat het voornoemde besluit in overeenstemming moet worden gelezen met de EG-verordening. De bepalingen van het besluit ten aanzien van hetgeen onder het begrip ‘gevaarlijke stoffen’ moet worden geschaard, zijn gericht op het beveiligen van de burgerluchtvaart en niet op de bescherming van het leefmilieu. Wegens dit verschil in strekking kan het besluit dan ook niet worden gezien als vallend binnen de reikwijdte van de EG-verordening. Eventuele strijdigheid daarmee, als gevolg waarvan aan de EG-verordening voorrang zou moeten worden verleend, is daarom niet aan de orde. Eveneens bestaat niet de verplichting het besluit te interpreteren in het licht van de EG-verordening, op grond waarvan slechts kwik met een gewichtspercentage van meer dan 95% als bijtende stof aangemerkt zou mogen worden. Aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden ‘gevaarlijke stof(fen)’ mag daarom een betekenis worden verleend onafhankelijk van het bepaalde in de EG-verordening. Gezien het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsman.

Uit de hiervoor opgenomen redengevende feiten en omstandigheden volgt dat verdachte, samen met een ander, kwik, zijnde een bijtende en daarmee gevaarlijke stof heeft aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning.

De rechtbank overweegt ten slotte nog dat het voorwaardelijk (en herhaalde) verzoek tot het horen van een aantal getuigen wordt afgewezen, na toetsing aan het noodzaakscriterium, op grond van het volgende. Het scenario van verdachte, dat hij onder druk zou zijn gezet om kwik aan te bieden voor vervoer per luchtvracht, is door verdachte op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Door verdachte is slechts de algemene stelling opgeworpen dat hij onder druk zou staan, welke stelling niet verder is onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Evenmin is verweer gevoerd ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte. De noodzaak tot het horen van de getuigen [medeverdachte 1] en [getuige 1] bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. Datzelfde geldt voor de verzochte getuigen [getuige 2] en [getuige 3], nu verdachte bekent dat hij bij [bedrijf 4] kwik heeft gekocht. Ten aanzien van de verzochte getuigen [getuige 4] en [getuige 5] bestaat evenmin noodzaak, nu ten aanzien van de rechtmatigheid van de verhoren geen verweer is gevoerd en de rechtbank ook ambtshalve geen aanleiding heeft gevonden te twijfelen aan de juistheid daarvan. Tot het horen van de getuige [getuige 6] bestaat evenmin noodzaak, nu deze getuige slechts heeft verklaard over een ander feit dan het ten laste gelegde en zijn verklaring daaromtrent dan ook niet relevant is voor enig te nemen beslissing in deze zaak. Naast het ontbreken van de noodzaak tot het horen van voormelde getuigen is de verdachte door het afwijzen van dit verzoek ook niet in zijn rechtens te respecteren belangen geschaad.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1

hij op 19 oktober 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een gevaarlijke stof zoals aangewezen in artikel 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht, te weten kwik (UN nr. 2809, Mercury) welke stof tevens genoemd is in de gevaarlijke stoffenlijst (tabel 3-1) van de ICAO-TI 2011/2012, ten vervoer heeft aangeboden met een luchtvaartuig, zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning;

feit 2

hij op 19 oktober 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk vijf verfblikken gevuld met een gevaarlijke stof zoals aangewezen in artikel 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht, te weten kwik (UN nr. 2809, Mercury) welke stof tevens genoemd is in de gevaarlijke stoffenlijst (tabel 3-1) van de ICAO-TI 2011/2012, met een luchtvaartuig ten vervoer heeft aangeboden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Strafbaarheid van de feiten

4.1.

Kwalificatieverweer

De raadsman heeft er op gewezen dat de bepalingen van de Wet luchtvaart, althans artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht onverbindend moeten worden verklaard wegens strijd met hogere regelgeving, namelijk de EG-verordening.

Het feit kan daarom niet worden gekwalificeerd, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer gelet op het hiervoor onder 3.4. overwogene, waarin zij vaststelt dat er geen sprake is van strijd met hogere regelgeving.

Door de raadsman van verdachte is voorts aangevoerd dat het bewezenverklaarde feit niet gekwalificeerd kan worden gelet op het bepaalde in artikel 55 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. De ten laste gelegde overtredingen van artikel 6.51 en 6.55 van de Wet luchtvaart kennen, aldus de raadsman, een systematische specialis in het bepaalde van artikel 2.6, eerste lid van het Besluit kwik en kwikhoudende producten milieubeheer jo. de Wet milieubeheer. Deze regelgeving betreft een omzetting van de EG-verordening. De raadsman wijst voorts op de ontstaansgeschiedenis van de EG-verordening en de doelstelling hiervan. Voorts wijst de raadsman er op dat de uitwerking van de EG-verordening een aanvullende voorwaarde voor strafbaarheid stelt, namelijk een kwikconcentratie van 95%. Derhalve had de specialis ten laste moeten worden gelegd, hetgeen niet is gebeurd. Dit leidt tot een onoverkomelijk kwalificatiebeletsel en dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 3.3. heeft overwogen treft ook dit verweer geen doel. De EG-verordening kent immers een andere doelstelling en beschermt een ander belang dan het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Van een systematische specialisverhouding is dan ook geen sprake, nu uit de totstandkomingsgeschiedenis van de EG-verordening, en daarmee de uitwerking in het Besluit kwik en kwikhoudende producten milieubeheer, niet volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest een specialiteitsverhouding met het bepaalde in het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht te creëren. Er is derhalve geen sprake van een specialiteitsverhouding. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

4.2.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.55, lid 1 van de Wet luchtvaart;

feit 2

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.51, lid 1 van de Wet luchtvaart;

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd (200) uren, bij het niet (naar behoren) verrichten daarvan te vervangen door honderd (100) dagen hechtenis, waarvan zestig (60) uren, bij het niet (naar behoren) verrichten daarvan te vervangen door dertig (30) dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, met aftrek van de duur die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, in elk geval samen met zijn zuster, opzettelijk een gevaarlijke stof, te weten kwik, aangeboden ten vervoer per luchtvracht zonder erkenning. Door verdachte of zijn mededader werd niet aangegeven dat er een gevaarlijke stof in het pakket zat. De gevaarlijke stof is door verdachte verpakt in verfblikken, hetgeen een zeer ernstig risico inhield. Het risico van het vrijkomen van het kwik heeft zich al voordat het pakket werd vervoerd gemanifesteerd, nu één van de blikken is gaan lekken. Niet alleen het gevaar dat het kwik zou reageren met andere metalen, bijvoorbeeld het aluminium van het vliegtuig, maar ook het risico op vrijkomen van kwikdampen is door verdachte volledig genegeerd. Dit handelen heeft een groot risico kunnen veroorzaken aan boord van het vrachtvliegtuig, hetgeen door verdachte doelbewust is genomen. Om te voorkomen dat verdachte of zijn mededader getraceerd konden worden heeft verdachte de naam van een onwetende als afzender op het pakket genoteerd, hetgeen voor diegene tot grote problemen had kunnen leiden. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

De door de officier van justitie gevorderde taakstraf acht de rechtbank alleszins redelijk. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door de raadsman ter zitting naar voren gebracht en in de inhoud van het ten aanzien van verdachte opgestelde Uittreksel Justitiële Documentatie, acht de rechtbank geen grond gelegen deze straf te matigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

6.51

en 6.55 van de Wet luchtvaart;

2 en 3 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht;

1.1.2

van de Technische voorschriften voor het veilige vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (ICAO-TI), versie 2011-2012.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.2. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWEEHONDERD (200) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet (naar behoren) verrichten daarvan te vervangen door HONDERD (100) DAGEN hechtenis, met bevel dat een gedeelte groot ZESTIG (60) UREN, bij het niet (naar behoren) verrichten daarvan te vervangen door DERTIG (30) DAGEN hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op TWEE (2) JAREN bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.M. Nusselder, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. W. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries en mr. D.C. Wagter, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 24 juni 2015.

Mr. Geelhoed is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] d.d. 22 mei 2013 (dossierpagina 99-onder en 100).

3 Een schriftelijk stuk, te weten een pakbon (dossierpagina 263).

4 Relaas van bevinding en overdracht d.d. 2 november 2012 (dossierpagina 264)

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2013 (dossierpagina 7 en 8-boven).

6 Een schriftelijk stuk, te weten het rapport van onderzoek naar de samenstelling van blikken met opschrift ‘Aluminiumverf’ van het Nederlands Forensisch Instituut, opgesteld door drs. M.A. Stelling d.d. 24 juli 2013 (zaaknummer 2013.06.04.179, aanvraagnummer 001, los opgenomen).

7 Technische voorschriften voor het veilige vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (ICAO-TI), versie 2011-2012, pagina 384 (raadpleegbaar op www.ilent.nl).

8 Het proces-verbaal van bevindingen wet- en regelgeving d.d. 10 juni 2013 (dossierpagina 34-onder).

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 3 juli 2013 (dossierpagina 87-onder – 89-midden).