Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5133

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
C/15/221593 / FA RK 15-627
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijking van het uitgangspunt dat het gehele kindgebonden budget inclusief eenouderkop in mindering komt op de behoefte van de kinderen. Naar aanleiding van cijfermatig onderbouwd verweer van de vrouw komt de rechtbank tot de conclusie dat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt in dit geval tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat, indien het gehele kindgebonden budget in mindering strekt op de behoefte van de kinderen, de vrouw in 2015 in een financieel slechtere positie komt te verkeren dan in 2014 terwijl de man er in 2015 financieel op vooruit gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2015/89
PFR-Updates.nl 2015-0218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

ST

zaak-/rekestnr.: C/15/221593 / FA RK 15-627

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 17 juni 2015
(bij vervroeging)

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen mr. S.P. Bolweg, thans mr. T. Kroese, kantoorhoudende te Zaandam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M. van Hemert, kantoorhoudende te Zaandam.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 05 februari 2015;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 19 februari 2015;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw van 2 maart 2015;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 19 mei 2015;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 19 mei 2015.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 mei 2015 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. T. Kroese en de vrouw bijgestaan door mr. E.M. van Hemert.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 23 oktober 2006 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2006.

Deze echtscheidingsbeschikking is nadien gewijzigd bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 7 december 2010.

2.2

Uit het huwelijk zijn geboren de minderjarigen:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], en

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].

De minderjarigen zijn woonachtig bij de vrouw.

2.3

Bij de laatst genoemde beschikking van 7 december 2010 is bepaald dat de man met ingang van 1 april 2010 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 212,- per maand per kind dient te voldoen.

2.4

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 224,13 per maand per kind.

3 Verzoek

3.1

De man verzoekt de rechtbank, na wijziging van zijn verzoek ter zitting, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 7 oktober (de rechtbank begrijpt: december) 2010 te wijzigen in die zin, dat met ingang van 1 januari 2015 de kinderbijdrage wordt vastgesteld op € 152,40 per maand ofwel € 76,20 per maand per kind, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht. Voorts verzoekt de man om de vrouw te veroordelen in zijn proceskosten.

3.2

Aan zijn verzoek legt de man ten grondslag dat met ingang van 1 januari 2015 door wijzigingen in de fiscale wetgeving, het verlies van het fiscaal voordeel alsmede de aftrek van het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van de behoefte van de kinderen, er sprake is van dusdanige wijzigingen van omstandigheden dat de kinderbijdrage opnieuw bepaald moet worden.

4 Verweer

4.1

De vrouw verzoekt de rechtbank primair het verzoek van de man af te wijzen, subsidiair de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2015 nader vast te stellen op € 218,43 per maand per kind, meer subsidiair, zo begrijpt de rechtbank, de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2015 nader vast te stellen op € 182,73 per maand per kind, dan wel op een in goede justitie te bepalen bedrag.

4.2

De vrouw is met de man eens dat zowel het wegvallen van het fiscaal voordeel en de toename van het kindgebonden budget aan de zijde van de vrouw zijn aan te merken als een wijziging van omstandigheden. De vrouw stelt echter dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een verlaging van de kinderbijdrage rechtvaardigt. Daartoe stelt de vrouw dat zij in 2015 door de verhoging van het kindgebonden budget slechts € 137,- netto op jaarbasis meer ontvangt dan het in 2014 op basis van de diverse kindregelingen voor de minderjarigen beschikbare bedrag. Een dergelijke geringe stijging van 2,6% kan naar de mening van de vrouw niet als relevante wijziging van omstandigheden worden aangemerkt. De minderjarigen gaan er hierdoor nauwelijks op vooruit. Dat rechtvaardigt geen verlaging van de kinderbijdrage van € 224,13 per maand per kind naar € 76,20 per maand per kind, aldus de vrouw.
Voorts acht de vrouw het wegvallen van het fiscaal voordeel in dit geval niet relevant, nu de man hiervan nauwelijks nadeel ondervindt. De man kan dit nadeel ruimschoots opvangen met zijn nog onbenutte extra draagkracht.
De vrouw stelt subsidiair dat, indien deze wijzigingen niettemin tot een verlaging van de kinderbijdrage moeten leiden, deze verlaging zich zou moeten beperken tot het bedrag van de toename van het in 2015 voor de minderjarigen beschikbare bedrag. Meer subsidiair stelt de vrouw dat de kinderbijdrage dient te worden vastgesteld overeenkomstig de zogenaamde Haagse lijn (zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1456), waarbij het bedrag aan alleenstaande ouderkop niet in mindering wordt gebracht op het gevonden tabelbedrag eigen aandeel kosten van kinderen.

5 Beoordeling

5.1

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden. In deze wet is een aantal (fiscale) maatregelen opgenomen, die gevolgen kunnen hebben voor de draagkracht van de man en de behoefte van de minderjarigen. Dit levert een wijziging van omstandigheden op, zodat de man in zijn verzoek kan worden ontvangen.

5.2

De Wet hervorming kindregelingen betekent voor de vrouw dat de alleenstaande-ouderkorting is komen te vervallen en dat het kindgebonden budget waar zij recht op had, is verhoogd met de zogenaamde eenouderkop. Volgens de man brengt dit met zich mee dat de behoefte van de minderjarigen verminderd dient te worden met de eenouderkop, zoals de Expertgroep alimentatienormen in zijn richtlijnen van januari 2015 (hierna ook: Tremarapport) aanbeveelt. Dit betekent volgens de man dat hij na berekening conform de aanbevelingen van de Expertgroep een bedrag van € 152,40 per maand voor de twee minderjarigen samen zou moeten betalen. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd en zich met cijfers onderbouwd op het standpunt gesteld dat dit resultaat onaanvaardbaar is, dat zij er op die manier op achteruit gaat en de minderjarigen dus ook financieel benadeeld worden, hetgeen toch niet de bedoeling van de wetgever kan zijn.

5.3

De rechtbank zal teneinde het effect van de (fiscale) maatregelen per 1 januari 2015 te kunnen beoordelen, eerst de behoefte van de minderjarigen vaststellen, vervolgens de financiële situatie van partijen in 2014 en per 2015 in kaart brengen en tenslotte beoordelen of het resultaat aanvaardbaar is. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens op hele euro’s afgerond.

Behoefte

5.4

Niet in geschil is dat de behoefte van de minderjarigen, geïndexeerd naar 2015, € 624,- per maand, ofwel € 312,- per maand per kind, bedraagt.

Financiële situatie

2014

5.5

Uit de door de man overgelegde jaaropgaaf 2014 blijkt een fiscaal jaarinkomen van € 45.964,- per jaar. De rechtbank becijfert het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2014, uitgaande van de jaaropgaaf 2014 en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting zoals deze in 2014 golden, op € 2.604,- per maand en het fiscaal voordeel van de in 2014 door de man betaalde kinderbijdrage ad (2 x € 222,35=) € 445,- op € 81,- per maand.

Uit de door de vrouw overgelegde salarisstroken van november en december 2014 blijkt een bruto salaris van € 1.597,13 per maand.

Rekening houdend met 8% vakantietoeslag, pensioenpremies, premie WGA, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de alleenstaande-ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting zoals deze in 2014 golden, becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw in 2014 op € 1.615,- per maand. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de vrouw haar verdiencapaciteit niet genoegzaam benut.

In 2014 ontving de vrouw voor beide minderjarigen samen een kindgebonden budget van (€ 1.861:12=) € 155,- per maand en een kinderbijdrage van de man van (€ 222,35 x 2 =) € 445,- per maand.

2015

5.6

Met ingang van 1 januari 2015 is de alleenstaande-ouderkorting van de vrouw komen te vervallen, alsmede de fiscale aftrek van de kinderbijdrage voor de man.

Uit de door de man overgelegde salarisstroken van februari, maart, april 2015 blijkt dat de man een fiscaal loon heeft van € 3.232,32 per maand. Voor zover de man stelt dat hij in 2015 minder kan overwerken en dat de ploegentoeslag wellicht komt te vervallen, is de rechtbank van oordeel dat de man deze gestelde verlaging van zijn inkomen onvoldoende heeft onderbouwd. Met een dergelijke onzekere toekomstige gebeurtenis kan de rechtbank thans geen rekening houden. De rechtbank gaat dan ook voor het inkomen van de man uit van de jaaropgaaf 2014. Rekening houdend voorts met de toepasselijke algemene heffingskorting en de arbeidskorting in 2015, becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2015 op € 2.630,- per maand.

Uit de door de vrouw overgelegde salarisstroken van januari, februari, maart 2015 blijkt een bruto salaris van € 1.597,13 per maand. Rekening houdend met 8% vakantietoeslag, pensioenpremies, premie WGA, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting in 2015 becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw in 2015 op € 1.527,- per maand.

De vrouw ontvangt in 2015 een kindgebonden budget inclusief eenouderkop van (€ 5.335,-:12=) € 445,- per maand.

Wet herziening kindregelingen

5.7

Volgens het Tremarapport van januari 2015 dient op de behoefte, die geïndexeerd naar 2015 € 624,- per maand bedraagt, het gehele kindgebonden budget inclusief eenouderkop in mindering gebracht te worden. Er zou dan een behoefte resteren van € 179,- per maand, ofwel € 89,50 per maand per kind.

Het bedrag aan draagkracht in 2015 wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.525) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

De man heeft een NBI van € 2.630,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 676,- per maand. De man ontvangt niet langer een fiscaal voordeel.

De vrouw heeft een NBI van € 1.527,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 136,- per maand.

De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 812,- en daarmee hoger dan de behoefte van de minderjarigen, zodat een draagkrachtvergelijking dient te worden gemaakt. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 676 / 812 x 179 = € 149,-

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 136 / 812 x 179 = € 30,-

Derhalve zou van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 149,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 30,- per maand voor rekening van de vrouw komen.

Op dit moment vindt er geen omgang plaats tussen de man en de minderjarigen, zodat zorgkorting niet aan de orde is.

Gelet op het vorenstaande zou bij onverkorte toepassing van de aanbevelingen van de Expertgroep het aandeel van de man in 2015 € 149,- per maand, ofwel € 74,50 per kind per maand bedragen.

5.8

Het vorenstaande zou betekenen dat - los van eventuele andere toeslagen/vergoedingen die in 2014 en 2015 niet relevant gewijzigd zijn - het budget van de vrouw per maand was/zou zijn:

in 2014 in 2015

Netto besteedbaar inkomen € 1.615,- € 1.527,-

Kindgebonden budget + € 155,- € 445,-

Kinderbijdrage + € 445,- € 149,-

= € 2.215,- € 2.121,-

Het budget van de man per maand was/zou zijn: in 2014 in 2015

Netto besteedbaar inkomen € 2.604,- € 2.630,-

Fiscaal voordeel + € 81,-

Kinderbijdrage - € 445,- € 149,-

= € 2.240,- € 2.481,-

5.9

De rechtbank constateert dat de vrouw er financieel op achteruitgaat (€ 94,- per maand) en de draagkracht van de man toeneemt (€ 241,- per maand), terwijl de enige wijziging van omstandigheden bestaat uit een nieuwe wettelijke regeling.

De huidige aanbeveling van de Expertgroep om het gehele kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop in mindering te brengen op de behoefte van de minderjarige wordt geacht in overeenstemming te zijn met de bedoeling van de wetgever die het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop die is begrepen in het kindgebonden budget, ziet als, kort gezegd, een inkomensafhankelijke ondersteuning van overheidswege in de kosten ten behoeve van het kind.

De rechtbank stelt voorop dat deze aanbeveling van de Expertgroep in beginsel dient te worden gevolgd om zodoende rechtseenheid en rechtszekerheid te waarborgen. In het geval echter waarin, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een onaanvaardbare situatie ontstaat, heeft de rechter de mogelijkheid om een op dat geval toegesneden beslissing te geven.

De rechtbank ziet - in aanmerking nemende dat de vrouw met cijfers heeft onderbouwd waarom toepassing van het Tremarapport in haar situatie tot een onaanvaardbare uitkomst leidt - in de financiële consequenties als hiervoor vermeld aanleiding in dit geval ten aanzien van de eenouderkop af te wijken van het uitgangspunt dat het gehele kindgebonden budget in mindering komt op de behoefte van de minderjarigen. Onverkorte toepassing van dit uitgangspunt leidt in dit geval namelijk tot een onaanvaardbaar resultaat. Hetgeen de man hieromtrent heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De stelling van de man dat de financiële achteruitgang van de vrouw niet betekent dat de minderjarigen - die bij de vrouw woonachtig zijn - erop achteruit gaan, onderschrijft de rechtbank niet.

5.10

Alles overziende is de rechtbank, anders dan de vrouw, van oordeel dat er in dit geval door de (fiscale) maatregelen per 1 januari 2015 wél sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een verlaging van de kinderbijdrage rechtvaardigt, maar dat het in dit geval redelijk is de door de man te betalen kinderbijdrage zodanig vast te stellen dat de vrouw aan netto-inkomen, kindgebonden budget en kinderbijdrage de beschikking heeft over een totaalbedrag gelijk aan dat in 2014. Dit betekent dat de rechtbank de kinderbijdrage stelt op het verschil tussen € 2.215,- (situatie 2014) en € 1.972,- (zijnde NBI 2015 plus kgb 2015, inclusief eenouderkop). Dat verschil is € 243,- per maand, ofwel

€ 122,- per maand per kind. De door de man verzochte ingangsdatum, zijnde 1 januari 2015, is door de vrouw niet betwist.

Conclusie

5.11

De rechtbank zal aldus de door de man met ingang van 1 januari 2015 te betalen kinderbijdrage vaststellen op € 122,- per maand per kind, met dien verstande dat, voor zover de man vanaf 1 januari 2015 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust. Gelet op het gegeven dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, te meer nu deze bijdrage de behoefte van de minderjarigen niet oversteeg, kan terugbetaling in redelijkheid niet van de vrouw worden verlangd.

Hetgeen partijen verder nog ter zake van de bepaling van de kinderbijdrage naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking meer.

Proceskostenveroordeling

5.12

De man verzoekt de rechtbank, tot slot, om de vrouw in de proceskosten te veroordelen.

Gelet op het feit dat het verzoek van de man deels wordt afgewezen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van de vrouw. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Haarlem van 7 december 2010, dat de man met ingang van 1 januari 2015 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], en [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 122,- per maand per kind, met dien verstande dat, voor zover de man vanaf 1 januari 2015 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust.

6.2

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.3

wijst af het meer of anders verzochte.

6.4

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.