Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5122

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
15/820168-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen (cocaïne) in luiers en kleding te Schiphol bewezen verklaard; verweer met betrekking tot ontbreken van opzet verworpen gelet op de wisselende verklaringen van verdachte welke als kennelijk leugenachtig terzijde dienen te worden geschoven; vol opzet bewezen verklaard zodat bespreking van culpoze invoer variant onbesproken wordt gelaten; oplegging deels voorwaardelijk gevangenisstraf na verwerping van strafmaatverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820168-15

Uitspraakdatum: 5 juni 2015

Tegenspraak

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 mei 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

feitelijk verblijvende te [adres] (België).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.L.A.M. van der Heijden en van wat verdachte en haar raadsman, mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 14 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 14 februari 2015 vond er een controle plaats in de bagagekelder van luchthaven Schiphol, alwaar de ruimbagage werd gelost van de vlucht PY 994, komende vanuit Paramaribo. De douanespeurhond “[naam]” toonde verhoogde interesse in een meerkleurige reistas – die te naam was gesteld van verdachte – waarna zij aan de rits begon te krabben en begon te blaffen, hetgeen duidt op de vermoedelijke aanwezigheid van verdovende middelen. In de meerkleurige reistas werd onder meer kleding en een zak met Pampers aangetroffen. De dienstdoende verbalisant pakte één pamper uit de reistas en voelde dat deze zwaarder was dan normaal. Ook was de binnenkant van de pamper vettig en er hing een chemische geur aan de pamper. Hierop werd de pamper met cocaïne detectiespray bespoten, waarna de pamper blauw kleurde, hetgeen op de mogelijke aanwezigheid van cocaïne duidt. De reistas is vervolgens teruggelegd op de bagageband en onder constante observatie gehouden.2

De observerende verbalisant zag dat verdachte, die in het gezelschap was van haar twee kinderen, meerdere bagagestukken van de betreffende bagageband haalde, waaronder de onder observatie gehouden meerkleurige reistas. Nadat verdachte was overgebracht naar een visitatieruimte, verklaarde zij dat alle bagagestukken alsmede de inhoud daarvan haar eigendom zijn en dat zij de bagage zelf heeft ingepakt en heeft afgesloten. Toen verdachte op verzoek van de verbalisant haar reistas opende, rook hij direct een sterke chemische lucht. Desgevraagd verklaarde verdachte dat de luiers voor haar kinderen zijn en dat zij deze gekocht had in een winkel in Suriname. Het pakket met luiers werd vervolgens ter hand genomen, waarna een sterke chemische lucht werd geroken die uit de opening van het pakket afkomstig was, welke geur de verbalisant sterk deed denken aan cocaïne. Eén luier is vervolgens getest met een MMC cocaïnetest, waarbij een positieve kleurreactie optrad. Hierop is verdachte aangehouden.3

Bij nader onderzoek is gebleken dat er bij de MMC cocaïnetestsets bij eenentwintig van de drieëntwintig aangetroffen luiers een positieve kleurreactie optrad. Tevens voelden de verbalisanten dat een aantal kledingstukken afkomstig uit de reistas abnormaal stijf en stug aanvoelden. Ook roken zij een chemische lucht aan de kledingstukken. Daarop zijn drieënveertig kledingstukken en drieëntwintig luiers ter analyse van de aangetroffen substantie en ter bepaling van het nettogewicht van de betreffende stof, naar het Nederlands Forensisch Instituut verzonden.4

Blijkens het door het Nederlands Forensisch Instituut uitgevoerde identificatieonderzoek is vastgesteld dat zeventien van de drieëntwintig luiers cocaïne bevatten. Van de drieënveertig kledingstukken bleken er tweeënveertig cocaïne te bevatten. Het totaalgewicht aan cocaïne in zowel de luiers als de kledingstukken bedraagt circa 1,4 kilogram.5

3.3. Bewijsoverweging

Door de raadsman is integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de invoer van cocaïne, aangezien uit het dossier niet blijkt dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar bagage. Subsidiair wordt verzocht culpoze invoer bewezen te verklaren.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

In zaken als deze, waar bij de inreis in de hand- of ruimbagage verdovende middelen worden aangetroffen, geldt het uitgangspunt dat een passagier met de inhoud van zijn bagage bekend pleegt te zijn en voor die inhoud dan ook verantwoordelijk is. Dit is slechts anders indien op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk wordt dat een passagier niet met de inhoud bekend was en daarmee ook niet bekend had behoren te zijn. De rechtbank is van oordeel dat van het laatste in deze zaak niet is gebleken.

De rechtbank acht daarbij allereerst van belang dat verdachte bij de Douane heeft verklaard dat zij de in de reistas aangetroffen luiers heeft gekocht voor haar kinderen in een winkel in Suriname. Ook heeft verdachte daar verklaard dat de inhoud van de bagage haar eigendom is en dat zij de bagage zelf heeft ingepakt en heeft afgesloten. Bij de Koninklijke Marechaussee verklaart verdachte dat de Douane haar woorden heeft verdraaid, in die zin dat zij bedoelde dat ze wel luiers bij zich had, maar dat die in de koffers van de kinderen zaten en niet in de reistas. De luiers in de koffer kwamen haar echter niet bekend voor. De in de meerkleurige koffers aangetroffen kleding is van verdachte en van haar kinderen, zo verklaart zij. Een deel is gedragen en een deel is ongedragen, omdat zij zwanger is. Nadat verdachte ermee is geconfronteerd dat een aantal van die kledingstukken vermoedelijk zijn geïmpregneerd met cocaïne, verklaart verdachte dat het niet haar kledingstukken zijn. Als haar verklaring dat de kleding in de koffers alleen van haar en haar kinderen is, wordt voorgehouden, verklaart verdachte: “Wie zegt dat mijn koffer niet is opengemaakt op Zanderij.” Getuige het verhoor bij de rechter-commissaris verklaart verdachte dat de bij de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaring juist is en dat zij geen idee heeft hoe de luiers in haar koffers terecht zijn gekomen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij de luiers en kleding van haar ex-vriend, genaamd [naam], heeft meegekregen. Hij zou haar hebben gevraagd om kleding voor zijn nicht mee te nemen, omdat zijn nicht ook zou vliegen en niet meer spullen mee kon nemen wegens de gewichtslimiet van haar bagage. Hij zou bij verdachte zijn langsgegaan en de spullen in een tas in verdachtes openstaande koffer hebben gedaan, omdat zij op dat moment bezig was. Ook zou hij nog luiers van goede kwaliteit voor verdachte hebben en haar deze hebben geschonken om voor haar eigen kinderen te gebruiken. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte naar eigen zeggen, anders dan de Douane en de Koninklijke Marechaussee, niks vreemds aan de grote hoeveelheid geïmpregneerde kleding en luiers heeft gezien dan wel heeft geroken, hoewel zij haar koffer nog heeft gecontroleerd alvorens hem af te sluiten voor vertrek, nadat [naam] de kleding en luiers had toegevoegd.

De rechtbank overweegt dat verdachte sterk wisselende verklaringen over de aangetroffen luiers en kledingstukken heeft afgelegd, met name met betrekking tot haar wetenschap van de aanwezigheid van de goederen in haar koffer en aan wie deze goederen toebehoren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij pas in een zeer laat stadium, ter terechtzitting, heeft verklaard dat zij goederen voor iemand anders vervoerde, [naam]. De rechtbank acht verdachtes verklaring dat zij daar niet eerder over heeft verklaard, omdat zij onder druk stond, onaannemelijk, nu zij niet heeft onderbouwd waar die druk uit heeft bestaan en waarom dit tot haar alternatieve verklaringen zou hebben kunnen leiden. Dit geldt te meer nu zij op drie verschillende momenten over de door haar meegebrachte goederen bevraagd is, waaronder door de rechter-commissaris, drie dagen na haar aanhouding. De rechtbank is op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat de steeds wisselende verklaring van verdachte, met als strekking dat zij niet wist dat er cocaïne in de luiers en kledingstukken zat, als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. In dat licht kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte wist dat zij cocaïne vervoerde. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de uit de luiers en kledingstukken afkomstige hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorgaande culpoze invoer uitsluit, zoals subsidiair door de raadsman is bepleit.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 14 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren.

6.2. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis bepleit, wegens de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, RN Adviesunit 1 Zuid te Roermond, d.d. 20 mei 2015 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.400 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte dient zich hiervan rekenschap te geven.

Op grond van de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat – uit een oogpunt van normhandhaving en preventie – alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

De door de officier van justitie geëiste straf houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsmede de omstandigheden waaronder het feit is begaan en is derhalve lichter dan hetgeen volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd. De rechtbank ziet in hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat zij moeder is van een tweeling van twee jaar oud en dat zij momenteel hoogzwanger is, geen aanleiding om verder af te wijken van hetgeen in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en acht de straf, zoals die door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vier (4) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. van Keken, voorzitter,

mr. I.J.B. Corbeij en mr. C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A.M.A. Beckers en mr. T. Kaandorp,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2015.

mr. I.J.B. Corbeij is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal d.d. 14 februari 2015 (dossierpagina’s 1-2).

3 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 februari 2015 (dossierpagina’s 3-7).

4 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 16 februari 2015 (dossierpagina’s 40-46).

5 Een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 10 april 2015, zaaknummer 2015.02.17.035 (losse bijlage)