Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:5120

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
15/820157-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bekennende verdachte; invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol bewezen verklaard; strafoplegging; afwijking van de eis van de officier van justitie die een deels voorwaardelijke gevangenisstraf heeft geëist nu de rechtbank van oordeel is dat er al een toezicht loopt en niet aannemelijk is gemaakt dat verdachte aan een psychische stoornis lijdt; oplegging geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820157-15 (P)

Uitspraakdatum: 5 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 mei 2015 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag te Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.L.A.M. van der Heijden en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.I. Vennik, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 2968,7 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 12 februari 2015 (dossierpagina 40 t/m 43);

- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 19 februari 2015, met kenmerk 1334 X 15, opgemaakt door drs. [deskundige];

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding d.d. 12 februari 2015 (dossierpagina 1 t/m 4).

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 februari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 2968,7 gram cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden met aftrek van het ondergane voorarrest.

6.2. Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouwe van verdachte is verzocht om van de 30 maanden gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist, acht maanden voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan reclasseringsbegeleiding ten behoeve van zijn psychologische en financiële problematiek.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van bijna drie kilo cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat – uit een oogpunt van normhandhaving en preventie – alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 30 april 2015, kan zich verenigen met de daarin vermelde conclusies en maakt deze tot de hare. In weerwil van hetgeen door de verdediging is bepleit, zal de rechtbank daarom geen voorwaardelijk deel aan de op te leggen straf verbinden. Dit geldt te meer nu er nog reclasseringstoezicht loopt en verdachte desalniettemin (meermalen) heeft gerecidiveerd, waardoor de rechtbank – met de reclassering – geen meerwaarde ziet in een nieuw op te leggen toezicht. De mededeling dat verdachte nu wel bereid is om mee te werken aan een psychologisch onderzoek maakt dit niet anders nu de rechtbank geen aanwijzingen heeft, anders dan een niet onderbouwde suggestie van de reclasseringsmedewerker, dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis waarvoor hulp of behandeling nodig is.

De door de officier van justitie geëiste straf is in overeenstemming met hetgeen volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter,

mrs. E.J. van Keken en C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. A.M.A. Beckers en T. Kaandorp,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2015.

Mr. Corbeij is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.