Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4947

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
15-002908
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eenvoudig strafbaar feit. Ondanks aandringen van advocaat van verdachte na ruim twee jaar nog geen dagvaarding, hoewel dat al meer dan een jaar eerder was toegezegd. Rechtbank wijst onder deze omstandigheden verzoek "einde zaak" (art. 36 Sv) toe.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 15-002908

Parketnummer: 15/200275-14

Datum beslissing: 29 juni 2015

Beschikking (art. 36 Sv)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 8 juni 2015 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen

een door mr. A. Çinar, advocaat, ingediend verzoekschrift van

[K.] , verzoeker,

geboren op[geboortedatum],

domicilie kiezende te Maastricht, ten kantore van A. Çinar, voornoemd.

Het verzoekschrift strekt ertoe, dat de rechtbank de jegens verzoeker onder bovenvermeld parketnummer geregistreerde strafzaak ter zake van verdenking van overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht geëindigd zal verklaren.

Op 15 juni 2015 is dit verzoekschrift in raadkamer behandeld.

Voor verzoeker is verschenen mr. A.B.E. van Kan uit Maastricht, waarnemend raadsman van verzoeker. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J.G. Hendriks.

2 Beoordeling

Op 15 mei 2013 is verzoeker aangehouden en gehoord ter zake van verdenking van overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. Vervolgens is verzoeker op 15 mei 2013 in verzekering gesteld vanwege deze verdenking en later die dag heengezonden. Namens verzoeker is vervolgens meermalen schriftelijk gecorrespondeerd met het Openbaar Ministerie om naar de stand van zaken met betrekking tot deze strafzaak te vragen.

Op 21 mei 2013 heeft de raadsman van verzoeker om het strafdossier verzocht en verzocht om de raadsman een sepotbericht te doen toekomen indien het Openbaar Ministerie zou afzien van vervolging. Dit schrijven heeft de raadsman van verzoeker op 17 juni 2013 herhaald, nu hij geen reactie op zijn eerdere brief heeft ontvangen.

Op 11 februari 2014 heeft de raadsman het Openbaar Ministerie verzocht een standpunt in te nemen met betrekking tot de vervolgingsbeslissing en heeft de raadsman het Openbaar Ministerie verzocht de strafzaak te seponeren.

Naar aanleiding van dit schrijven heeft het Openbaar Ministerie op 19 februari 2014 een bericht aan de raadsman van verzoeker gestuurd met de mededeling de strafzaak niet te zullen seponeren en de zaak op een zitting te laten inplannen.

Op 20 februari 2015 heeft de raadsman van verzoeker de zaak nogmaals onder de aandacht gebracht van het Openbaar Ministerie, zonder hierop een reactie te hebben ontvangen.

De strafzaak betreft een ruzie in het verkeer, bij welke ruzie verzoeker aanwezig is geweest, en verzoeker wordt ervan verdacht enkele geweldshandelingen te hebben gepleegd. Alle aanwezigen bij de ruzie zijn op 14 en 15 mei 2013 als aangever, getuige of verdachte gehoord.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, omdat het Openbaar Ministerie van mening is dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld. De termijn tussen het moment van de aanhouding van verdachte en de behandeling van de strafzaak op zitting is lang, maar betreft geen termijn waardoor het recht van vervolging zou moeten komen te vervallen, aldus de officier van justitie. De officier van justitie heeft voorts toegezegd dat de zaak binnen drie tot vijf maanden op een zitting kan worden ingepland.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens het digitale systeem (GPS) is – anders dan in februari 2014 aan de raadsman van verzoeker is meegedeeld – kennelijk pas op 16 september 2014 de beslissing genomen om verzoeker te zullen dagvaarden wegens overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van de behandeling van het onderhavige verzoek zijn inmiddels echter weer 9 maanden verstreken, zonder dat tot uitvoering van het voornemen tot dagvaarding is overgegaan. Daarmee is eveneens de “redelijke termijn” in de zin van artikel 6 EVRM overschreden.

Een goede procesorde brengt met zich dat aan de onzekerheid van verzoeker, of – voor wat betreft de voormelde verdenking – aan zijn zaak nog vervolg zal worden gegeven zo spoedig mogelijk een einde behoort te worden gemaakt. De rechtbank betrekt hierbij ook het feit dat het om een niet complexe zaak gaat en de proactieve houding van verzoeker en zijn raadsman op het procesverloop. .

De officier van justitie heeft gewezen op het belang van het slachtoffer om de zaak op een zitting te plaatsen. De rechtbank onderschrijft dat belang, maar wijst erop dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen om dit belang van het slachtoffer eerder in acht te nemen door het spoedig na het incident op een zitting aanbrengen van de strafzaak.

Het voorgaande brengt met zich dat het verzoek zal worden ingewilligd.

4 Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek toe en verklaart de strafzaak tegen verzoeker ter zake van voormelde verdenking geëindigd.

5 Samenstelling raadkamer en dagtekening

Deze beschikking is gegeven op 29 juni 2015 door

mr. L.J. Saarloos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier.