Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4918

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-05-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
C/15/226329 KG ZA 15-352
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Veroordeling van middelbare school om leerling toe te laten tot het centraal eindexamen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beslissing van de commissie van beroep in verband met haar inhoud en de wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De school heeft geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 5 lid 2 van het Examenbesluit. Artikel 32 van het Examenbesluit leidt niet zonder meer tot algehele uitsluiting, mede gezien het bepaalde in artikel 5 van het Examenbesluit. Uit de beslissing van de commissie blijkt onvoldoende dat de belangen van de leerling zijn meegewogen. Verder is onvoldoende gebleken dat de school heeft gewaarschuwd voor algehele uitsluiting. De commissie heeft de leerling niet gehoord, hetgeen op haar weg had gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2015/470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie handel en insolventie

Locatie Alkmaar

NMB/JB

zaaknummer / rolnummer: C/15/226329 / KG ZA 15-352

datum: 29 mei 2015

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonend te Alkmaar,

eiser bij dagvaarding van 18 mei 2015,

advocaat: mr. J. Schutter te Almere,

tegen

de stichting

STICHTING CHRISTELIJKE SCHOLENGEMEENSCHAP JAN ARENTSZ,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat: mr. J.A. Keijser te Den Haag.

Partijen worden hierna (ook) [eiser] en het Jan Arentsz genoemd.

1 Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 26 mei 2015 is [eiser] verschenen, bijgestaan door mr. Schutter voornoemd, en voor het Jan Arentsz is verschenen [medewerker], voorzitter college van bestuur, bijgestaan door mr. Keijser voornoemd. Voorts waren ter zitting aanwezig de ouders van [eiser], zijn broer en een mede-leerling van het Jan Arentsz, alsmede een journalist van het Noordhollands Dagblad.

[eiser] heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding die in kopie aan dit vonnis is gehecht.

Het Jan Arentsz heeft de vordering bestreden.

De advocaten hebben de standpunten van partijen nader uiteen gezet, mede aan de hand van pleitnotities die zij hebben overgelegd.

Partijen hebben de stukken overgelegd, te weten van de zijde van [eiser] de dagvaarding en in totaal 9 producties en van de zijde van het Jan Arentsz 5 producties, alsmede de pleitnotities van beide advocaten, en vonnis gevraagd.

2 Uitgangspunten

2.1. [

eiser] staat sedert 2008 ingeschreven als leerling bij het Jan Arentsz en zit sinds augustus 2014 in de eindexamenklas van het VWO. [eiser] heeft gedurende het afgelopen schooljaar het tentamen geschiedenis voor de periode B gemist doordat hij ziek naar huis is gegaan en het tentamen Nederlands voor de periode C heeft hij gemist doordat hij het vergeten was.

2.2.

Op 16 april 2015 hebben de ouders van [eiser] telefonisch van de teamleider VWO-6, [teamleider] (verder: [teamleider]), vernomen dat [eiser] niet zal worden toegelaten tot het Centraal Examen.

2.3. [

eiser] en zijn ouders hebben bezwaar gemaakt. De vader van [eiser], [vader eiser], heeft hierbij aan [teamleider] medegedeeld dat deze beslissing ervoor zou zorgen dat zijn zoon niet via het Voortgezet Algemeen Volwassenen Onderwijs (VAVO) certificaten zou kunnen behalen voor de vakken die hij wel met succes had afgerond. [vader eiser] heeft aan [teamleider] gevraagd of in plaats van een gehele uitsluiting van het Centraal Examen de gemiste tentamens met het cijfer één zouden kunnen worden gehonoreerd zodat zijn zoon toch aan het Centraal Examen zou kunnen meedoen.

2.4.

Bij e-mail van 21 april 2015 heeft [teamleider] aan [eiser] en zijn ouders geschreven:

Op verzoek van de heer [vader eiser] heb ik nogmaals overleg gehad met de vestigingsdirecteur, de heer [directeur], over de situatie die is ontstaan doordat [eiser], zijn examendossier niet op orde heeft. Dit heeft namelijk tot gevolg dat hij niet toegelaten wordt tot het centraal examen.

Tijdens het overleg, heb ik het verzoek van de heer [vader eiser] om ‘het niet toegelaten worden tot het centraal examen’ te veranderen in ‘het toekennen van het cijfer 1 voor niet gemaakt

schoolexamenwerk’ besproken met de heer [directeur]. Vervolgens heeft de heer [directeur] later op de dag nog overlegd met de mentor van [eiser], de heer [mentor] en ook de heer [mentor] en ik hebben elkaar hierover vandaag gesproken.

De overleggen hebben er niet toegeleid het standpunt van school, namelijk [eiser] niet toe te laten

tot het centraal examen, te wijzigen. Belangrijke redenen hiervoor zijn: In december 2014 heeft de

heer [mentor] de heer [vader eiser] telefonisch op de hoogte gebracht dat het met de schoolresultaten van [eiser] niet goed ging en dat als hij zo door zal gaan in de problemen zou komen. In februari is dat nogmaals aangegeven tijdens een persoonlijk gesprek tussen mevrouw [moeder eiser], [eiser], de heer [mentor] en ondergetekende. Verder is [eiser] door de docent geschiedenis en de heer [mentor] meerdere malen er op attent gemaakt dat hij zijn zaken ten aanzien van gemist schoolexamen werk moest regelen. [eiser] heeft verzuimd om dit te doen. Uiteindelijk heeft dit er toe geleid dat nu het examendossier van [eiser] niet op orde is, namelijk voor het vak Nederlands ontbreken de schoolexamens van periode C en D en bij het vak geschiedenis het schoolexamen periode C.”.

2.5.

Bij brief van 22 april 2015, gericht aan [medewerker] (verder: [medewerker]), heeft [vader eiser] namens [eiser] beroep ingesteld tegen de beslissing van het Jan Arentsz om zijn zoon geheel uit te sluiten van het Centraal Examen. Tevens heeft [vader eiser] bij e-mail van 22 april 2015 de Inspectie voor het Onderwijs over de kwestie aangeschreven, met als bijlage bijgevoegd de brief van 22 april 2015 aan [medewerker].

2.6.

Bij e-mail van 22 april 2015 heeft een medeweker van het Examenloket (blijkens haar website een samenwerking van het Ministerie van OCW, het College voor Toetsen en Examens (CvTE), de Inspectie van het Onderwijs en DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) waar men terecht kan met vragen over wet- en regelgeving met betrekking tot examens in het VO) aan het Jan Arentsz geschreven:

“Naar aanleiding van uw e-mail deel ik u het volgende mee.

Een leerling die het schoolexamen niet heeft afgerond, kan niet worden toegelaten tot het

centraal examen. Dit volgt uit artikel 32 lid 2 van het Eindexamenbesluit VO. Dit geldt niet

alleen voor de vakken waarvan het examendossier niet compleet is, maar voor het gehele

centraal examen.

Het schoolexamen duurt tot aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen,

ongeacht het tijdstip waarop het schoolexamen start. Dit betekent dat alle mondelinge en

schriftelijke toetsen afgerond moeten zijn voor aanvang van het centraal examen. Is dat niet

het geval, dan heeft de leerlingen zijn schoolexamen niet afgerond en mag hij niet deelnemen

aan het centraal examen. De leerling wordt niet alleen uitgesloten voor het betreffende vak,

maar voor alle vakken. (…)”

2.7.

Bij brief van 24 april 2015 heeft [medewerker] namens de commissie van beroep aan [vader eiser] geschreven:

“(…) De commissie komt op grond van haar onderzoek tot het oordeel dat de conclusie die de

vestigingsdirecteur trekt een juiste is. Artikel 32 lid 2 van het Eindexamenbesluit VO zegt dat

een leerling die het schoolexamen niet heeft afgerond, niet kan worden toegelaten tot het

centraal examen. Dit geldt niet alleen voor de vakken waarvan het examendossier niet

compleet is, maar voor het gehele centraal examen.

De commissie gaat niet mee in uw constatering dat er sprake zou zijn van een sanctie van de

kant van school, die bovendien buiten proportie zou zijn. Er is wat haar betreft geen sprake

van een straf. De vestigingsdirecteur geeft uitvoering aan artikel 32 lid 2 van het

examenbesluit.

Rest de vraag of school voldoende gedaan heeft om u als ouders en [eiser] zelf te

informeren over de gevolgen van het, zoals u dat noemt, de zaken op zijn beloop laten. De

commissie is van mening dat mentor en teamleider voldoende hebben gedaan om [eiser] en

u te informeren over de gevolgen van het niet afronden van het schoolexamen door [eiser].”.

2.8.

Bij e-mail van 29 april 2015 heeft [naam medewerkster], medewerkster van het Loket Onderwijsinspectie, aan [vader eiser] bericht:

“De school heeft uw zoon de toegang tot het centraal examen ontzegd op basis van artikel 32, lid 2 van het Eindexamenbesluit VO omdat hij zijn schoolexamens nog niet heeft afgerond.

Volgens de commissie heeft de school uw zoon alle mogelijkheden geboden om de ontbrekende onderdelen in te halen, maar hij heeft hier geen gebruik van gemaakt. De Inspectie van het Onderwijs heeft in deze geen rol. (…)

De sanctie waarop u in uw brief doelt, het ontzeggen van deelname aan het centraal examen, vindt zijn basis in artikel 5 van het Eindexamenbesluit VO. Dit artikel mag de school alleen toepassen als er een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden en er heeft zich geen onregelmatigheid voorgedaan.(…)”.

2.9.

De eindexamens eerste tijdvak zijn inmiddels gestart (op 11 mei 2015) en duren tot en met 28 mei 2015. Hier heeft [eiser] niet aan deelgenomen. De examens voor het tweede tijdvak zijn van dinsdag 16 juni tot en met vrijdag 19 juni 2015.

2.10.

Het eindexamenbesluit VO (Besluit van 10 juli 1989, houdende bepalingen inzake de eindexamens aan de scholen voor v.w.o., h.a.v.o., ma.v.o. en l.b.o., hierna: het Examenbesluit) houdt onder meer het volgende in:

Artikel 5. Onregelmatigheden

1. Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig deel van het eindexamen dan wel ten aanzien van een aanspraak op ontheffing aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, dan wel zonder geldige reden afwezig is, kan de directeur maatregelen nemen.

2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, die afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid ook in combinatie met elkaar genomen kunnen worden, zijn:

a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen, de rekentoets of het centraal examen,

b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het schoolexamen, de rekentoets of het centraal examen,

c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen, de rekentoets of het centraal examen,

d. het bepalen dat het diploma en de cijferlijst slechts kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de directeur aan te wijzen onderdelen.

Indien het hernieuwd examen bedoeld in de vorige volzin betrekking heeft op een of meer onderdelen van het centraal examen legt de kandidaat dat examen af in een volgend tijdvak van het centraal examen.

3. Het besluit waarbij een in het eerste lid bedoelde maatregel wordt genomen, wordt tegelijkertijd in afschrift toegezonden aan de inspectie en, indien de kandidaat minderjarig is, aan de wettelijke vertegenwoordigers van de kandidaat.

4. De kandidaat kan tegen een beslissing van de directeur van een school voor voortgezet onderwijs in beroep gaan bij de door het bevoegd gezag van de school in te stellen commissie van beroep. Van de commissie van beroep mag de directeur geen deel uitmaken.

5. In overeenstemming met artikel 30a van de wet wordt het beroep binnen vijf dagen nadat de beslissing aan de kandidaat is bekendgemaakt, schriftelijk ingesteld bij de commissie van beroep. De commissie stelt een onderzoek in en beslist binnen twee weken na ontvangst van het beroepsschrift, tenzij zij deze termijn gemotiveerd heeft verlengd met ten hoogste twee weken. De commissie stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het eindexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen onverminderd het bepaalde in de laatste volzin van het tweede lid. De commissie deelt haar beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan de directeur en aan de inspectie. (…)

Artikel 32. Schoolexamen

1. Het bevoegd gezag bepaalt het tijdstip waarop het schoolexamen aanvangt.

2. Het schoolexamen wordt afgesloten voor de aanvang van het eerste tijdvak, bedoeld in artikel 37 .

3. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het tweede lid een kandidaat die ten gevolge van ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen in één of meer vakken niet heeft kunnen afsluiten voor de aanvang van het eerste tijdvak, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in dat vak of in die vakken af te sluiten vóór het centraal examen in dat vak of in die vakken, doch na de aanvang van het eerste tijdvak. (…)

Artikel 37. Tijdvakken en afneming centraal examen

1. Het centraal examen voor de scholen voor voortgezet onderwijs kent een eerste, tweede en derde tijdvak.

2. Het eerste en tweede tijdvak worden afgenomen in het laatste leerjaar.

3. Het derde tijdvak wordt aansluitend aan het laatste leerjaar afgenomen door het College voor examens.(…).

2.11.

De examenregeling van het Jan Arentsz voor het leerjaar 2014-2015 houdt onder meer de volgende bepalingen in:

“2. HET EINDEXAMEN

Het eindexamen bestaat uit de rekentoets, een schoolexamen en een centraal examen.

De examenstof, die getoetst wordt op het schoolexamen, wordt omschreven in het PTA (programma van toetsing en afsluiting).

3. HET SCHOOLEXAMEN

3.1.

Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals de school dat heeft ingericht.(…)

4. HET CENTRAAL EXAMEN EN DE REKENTOETS

4.1.

Het centraal examen wordt afgenomen in het laatste leerjaar. (…) Het centraal examen kent een 1e, 2e en 3C tijdvak. (…)

4.2.

Het schoolexamen (vmbo, havo, vwo) dient te zijn afgesloten voor de aanvang van het 1e tijdvak. (…)

5. ONREGELMATIGHEDEN

5.1.

Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig deel van het eindexamen aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de vestigingsdirecteur in overleg met de examensecretaris maatregelen nemen.

5.2.

De maatregelen bedoeld in artikel 5.1, die al dan niet in combinatie met elkaar genomen kunnen worden, kunnen zijn:

a. a) het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen, de rekentoets of het centraal

examen,

b) het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer zittingen van het schoolexamen, de rekentoets of het centraal examen,

c) het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen, de rekentoets of het centraal examen,

d) het bepalen dat het diploma en de cijferlijst slechts kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen (schoolexamen, rekentoets en/of centraal examen) in door de voorzitter van het College van Bestuur aan te wijzen onderdelen.

5.3.

Alvorens een beslissing volgens artikel 5.2 wordt genomen, hoort de vestigingsdirecteur de kandidaat. De kandidaat kan zich door een door hem aan te wijzen meerderjarige laten bijstaan. De vestigingsdirecteur deelt zijn beslissing mede aan de kandidaat, zo mogelijk mondeling en in ieder geval schriftelijk. In de schriftelijke mededeling wordt tevens gewezen op het bepaalde in artikel 5.4. De schriftelijke mededeling wordt tegelijkertijd in afschrift toegezonden aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat, indien deze minderjarig is, alsmede aan de inspectie.

5.4.

De kandidaat kan tegen een beslissing van de vestigingsdirecteur in beroep gaan bij de voorzitter van het College van Bestuur, zijnde vertegenwoordiger van het bestuur. De voorzitter van het College van Bestuur stelt een commissie in voor het centraal examen (met name disciplinaire zaken) (artikel 5.5). Van de commissie van beroep voor het centraal examen mogen de vestigingsdirecteur en examensecretaris geen deel uitmaken. Het beroep wordt binnen drie dagen nadat de beslissing schriftelijk ter kennis van de kandidaat is gebracht, schriftelijk bij de commissie van beroep ingesteld. De commissie stelt een onderzoek in en beslist binnen twee weken op het beroep, tenzij zij de termijn met redenen omkleed heeft verlengd met ten hoogste

twee weken. De commissie stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het eindexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen. De commissie deelt haar beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat, aan de vestigingsdirecteur en aan de inspectie.

5.5.

De commissie van beroep voor het centraal examen, bedoeld in artikel 5.4, wordt ingesteld door de voorzitter van het College van Bestuur. (…) De beslissing van de commissie van beroep is bindend. (…)”.

2.12.

Het programma van toetsing en afsluiting van het Jan Arentsz voor het leer jaar 2014-2015 houdt onder meer de volgende bepalingen in:

“Examendossier

(…)

4. De kandidaat heeft aan de eisen van het examendossier voldaan als alle toetsen zijn afgelegd (voorzien van een cijfer), alle praktische opdrachten zijn uitgevoerd (voorzien van een cijfer), het profielwerkstuk is afgerond (voorzien van een cijfer) en alle voorgeschreven handelingen en activiteiten naar behoren, voldoende of goed zijn uitgevoerd. Het schoolexamen (havo, vwo) dient te zijn afgesloten voor de aanvang van het centraal examen.

(…)

10 Onregelmatigheden, fraudebepaling

10.1.

Het niet aanwezig zijn tijdens enig onderdeel van het schoolexamen zonder melding vooraf met geldige reden, en het niet op tijd inleveren van een (praktische) opdracht, werkstuk, handelingsdeel ed., zal in de regel worden gezien als een onregelmatigheid. Het gestelde in artikel 1.11 van het uitgebreide examenreglement is dan van toepassing. (…)

Artikel 1.11 (verkort):

Onregelmatigheden

a. a) Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig deel van het eindexamen aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de vestigingsdirecteur, in overleg met de examensecretaris maatregelen nemen.

b) De maatregelen bedoeld in lid a, die al dan niet in combinatie met elkaar genomen kunnen worden, kunnen zijn:

- het toekennen van het cijfer 1 voor een toets/opdracht van het schoolexamen of het centraal examen,

- het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan één of meer zittingen van het schoolexamen of centraal examen,

- het ongeldig verklaren van één of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen centraal examen,

- het bepalen dat het diploma en de cijferlijst slechts kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de algemeen directeur aan te wijzen onderdelen. (…)’.

11 Niet eens met het behaalde cijfer/de beoordeling

Indien een kandidaat het niet eens is met een behaald cijfer of toegekende beoordeling, kan hij dit voorleggen aan de door het bevoegd gezag ingestelde commissie van beroep voor het schoolexamen Hierbij gelden de volgende voorwaarden:(…)

De commissie kan kandidaat en examinator in staat stellen de klacht en het verweer mondeling toe te lichten, zonodig in elkaars bijzijn. De commissie doet daarna uitspraak en stelt het definitieve cijfer of de definitieve beoordeling vast. Deze uitspraak is bindend en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokkenen, vergezeld van een toelichting. (…).”.

12 Niet eens met de gang van zaken tijdens het schoolexamen

Indien een kandidaat zich gedupeerd voelt door de gang van zaken tijdens het schoolexamen, kan de kandidaat hierover een bezwaarschrift indienen bij de voorzitter van beroep voor het schoolexamen. (…) De in artikel 11 vermelde commissie stelt zonodig de kandidaat in de gelegenheid het bezwaar mondeling toe te lichten. De commissie doet zelfstandig onderzoek ten aanzien van het ingebrachte bezwaarschrift. Hierna doet de commissie uitspraak over dit bezwaarschrift. Deze uitspraak is bindend en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokkene, vergezeld van een toelichting.(…)”.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter het Jan Arentsz zal veroordelen hem onvoorwaardelijk en op de kortst mogelijke termijn toe te laten tot het Centraal Examen VWO 2015, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per dag dat het Jan Arentsz daarmee in gebreke blijft, met veroordeling van het Jan Arentsz in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van volledige betaling.

3.2.

Daartoe heeft [eiser] - zakelijk weergegeven - het volgende gesteld.

3.2.1.

De door de commissie van beroep genomen beslissing van 24 april 2015 is onrechtmatig omdat die in strijd met de wet is genomen. Artikel 32 lid 2 van het Eindexamenbesluit dat blijkens die beslissing terecht door de vestigingsdirecteur is toegepast, biedt volgens [eiser] geen grondslag om hem de toegang tot het Centraal Examen te ontzeggen. Noch in het PTA noch in enig ander artikel van de examenregeling is ook een basis te vinden voor het besluit om een (ingeschreven) leerling die bepaalde tentamens niet heeft verricht in het geheel niet toe te staan eindexamen te doen. Alleen in geval van onregelmatigheden kan een school een leerling verdere deelname aan een of meer zittingen van het schoolexamen of centraal examen ontzeggen. Door het Jan Arentsz is evenwel geen onregelmatigheid aan het besluit tot uitsluiting ten grondslag gelegd en voor zover dat wel is gedaan, is niet gemotiveerd waarom het voor de meest vergaande sanctie (algehele uitsluiting) heeft gekozen. Een proportionele belangenafweging dient mee te brengen dat in dat geval het belang van [eiser] om bepaalde vakken met succes af te ronden zwaarder weegt dan het belang van het Jan Arentsz. Daarbij komt dat [eiser] door het Jan Arentsz niet afdoende is gewaarschuwd voor de vergaande gevolgen van het niet maken van al zijn schoolexamens, aldus [eiser].

3.3.

Het Jan Arentsz heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu in artikel 5.5 van de examenregeling van het Jan Arentsz is bepaald dat de beslissing van de commissie van beroep van 24 april 2015 bindend is, dient toetsing van deze beslissing plaats te vinden aan de hand artikel 7:904 BW. Ingevolge dit artikel is een beslissing vernietigbaar indien gebondenheid daaraan van een partij of van een derde in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming van de beslissing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit betekent dat de rechter de beslissing van de commissie van beroep slechts marginaal en niet in volle omvang kan toetsen.

4.2.

De vraag die thans voorligt is of het zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter, geconfronteerd met dezelfde feiten en/of omstandigheden, zal overgaan tot vernietiging van de beslissing van de commissie van beroep omdat die in de gegeven omstandigheden onaanvaard is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zulks het geval is en overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Uit de hierboven onder 2.7 geciteerde beslissing van de commissie van beroep blijkt dat de vestigingsdirecteur zijn in stand gehouden beslissing heeft gebaseerd op het bepaalde in artikel 32 lid 2 van het Eindexamenbesluit.

4.4.

Met [eiser] is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat artikel 32 lid 2 van het Eindexamenbesluit als zodanig geen grondslag biedt voor de door het Jan Arentsz in genomen stelling dat [eiser] wordt uitgesloten van het centraal examen nu hij het schoolexamen niet heeft afgerond. De algehele uitsluiting van het centraal examen is immers - onder meer - geregeld in artikel 5 van het Eindexamenbesluit. Daaruit volgt dat uitsluiting als een sanctie wordt gezien. In dit geval is ook de voorzieningenrechter van oordeel dat de algehele uitsluiting van het centraal examen van [eiser] moeilijk anders kan worden gezien als een sanctie op het verzuim alle schoolexamens te hebben gedaan. In zoverre ontbeert het besluit van de commissie dan ook een deugdelijke grondslag.

4.5.

Ter zitting heeft het Jan Arentsz evenwel betoogd dat zij met de uitsluiting tevens toepassing heeft (willen) geven aan artikel 5 van het Eindexamenbesluit (artikel 5 van de examenregeling) nu deze bepaling ook ziet op het zonder geldige reden niet deelnemen aan onderdelen van het schoolexamen, hetgeen in het geval van [eiser] aan de orde is. Ongerechtvaardigde afwezigheid kan leiden tot uitsluiting van het Centraal Examen. Gelet op de pedagogisch-didactische beleidsvrijheid die een school toekomt is deze beslissing dan ook niet ongerechtvaardigd, aldus het Jan Arentsz.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Uit de beslissing van de commissie van beroep blijkt niet dat de vestigingsdirecteur dan wel de commissie het niet afleggen van de tentamens geschiedenis voor de periode B en Nederlands voor de periode C heeft aangemerkt als een onregelmatigheid in de zin van de artikelen 5 van het Eindexamenbesluit en/of de examenregeling ten aanzien waarvan het Jan Arentsz een sanctie heeft opgelegd. Uit de beslissing blijkt veeleer het tegenovergestelde, namelijk dat het Jan Arentsz heeft beoogd geen sanctie aan [eiser] op te leggen. Dat volgt ook uit de pleitnota van de zijde van het Jan Arentsz onder punt 8. waar zij stelt:

“Uitsluiting van het Centraal Examen is dan ook meer de consequentie van [eiser]s nalatigheden, dan een sanctie waarvan de school naar eigen inzichten de strafmaat zou kunnen bepalen. Het Jan Arentsz had [eiser] geen minder vergaande straf kunnen opleggen.”.

4.7.

Indien het Jan Arentsz daadwerkelijk toepassing had willen geven aan het bepaalde in artikel 5 van het Eindexamenbesluit, artikel 5 van het examenregeling of artikel 10.1 van het PTA, dan had het op de weg van het Jan Arentsz gelegen om [eiser] ruimschoots vóór 16 april 2015 ervan in kennis te stellen dat zij het missen van genoemde tentamens als onregelmatigheden wegens afwezigheid zonder geldige reden aanmerkte. Het Jan Arentsz had op dat moment onderzoek dienen te doen en te beoordelen of zij (één van) de in de betreffende regelingen genoemde sancties aan [eiser] zou opleggen. Dat is niet gebeurd.

4.8.

Uit de stukken komt het beeld naar voren dat het Jan Arentsz niet wegens onregelmatigheden tegen [eiser] is opgetreden maar dat zij, zoals blijkt uit het door het Jan Arentsz als productie 3 overgelegde overzicht (“informatie van teamleider [eiser]”) en punt 8. van de pleitnota van de zijde van het Jan Arentsz, coulant tegenover hem geweest. Zij heeft [eiser] herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om de gemiste tentamens alsnog te maken. [eiser] heeft in dit verband nog gesteld dat [teamleider] en de mentor van [eiser], de heer [mentor], tijdens het gesprek op 18 februari 2015 hebben gezegd dat als hij de docent Nederlands ‘lief aankeek’ hij nog een kans kreeg om het tentamen Nederland in te halen, maar dat deze belofte later werd ingetrokken omdat hij zich met wiskunde niet had verbeterd. Dit heeft Jan Arentsz niet, althans onvoldoende weersproken.

4.9.

Voor zover de commissie van beroep bij de beoordeling van de gevolgen van het niet afronden van het schoolexamen mede het bepaalde in artikel 5 van het Eindexamenbesluit, artikel 5 van de examenregeling of artikel 10.1 van het PTA voor ogen heeft gehad, had zij in haar beslissing de beslissing van de directeur moeten repareren en moeten motiveren waarom er is gekozen voor de zwaarste sanctie van algehele uitsluiting van het Centraal Examen, rekening houdend met de ernst van de onregelmatigheid en de belangen van [eiser]. De vraag is of de commissie dat heeft gedaan en, zo ja, of zij dat op een aanvaardbare wijze heeft gedaan.

4.10.

Uit de beslissing van de commissie blijkt dat zij heeft meegewogen dat [eiser] vele kansen heeft gehad maar die niet heeft benut. De voorzieningenrechter acht die omstandigheid ontoereikend om de zwaarte sanctie van algehele uitsluiting te kunnen dragen. Immers niet is gebleken dat ondanks de aan [eiser] geboden herkansingen, het hem en of zijn ouders gedurende het schooljaar, duidelijk is gemaakt wat de gevolgen zouden zijn als hij die herkansingen niet benutte. Evenmin is de gestelde pedagogisch-didactisch gestelde noodzaak van de sanctie onderbouwd.

4.11.

Uit hetgeen door het Jan Arentsz is gesteld over de contacten tussen [eiser], zijn ouders en de school kan niet worden afgeleid dat ervoor is gewaarschuwd dat het uiteindelijk niet afleggen van de twee door [eiser] gemiste tentamens ertoe zou leiden dat [eiser] niet zou worden toegelaten tot het Centraal Examen en dus volledig zou worden uitgesloten.In het als productie 3 overgelegde overzicht (“informatie van teamleider [eiser]”) wordt niet vermeld (ook niet in de aantekeningen bij voornoemde data) dat de mentor met zoveel woorden heeft gezegd dat [eiser] het risico van algehele uitsluiting liep. Er staat alleen in dat gesproken is over de slechte schoolresultaten van [eiser]. Eerst bij de aantekening van 16 april 2015 heeft de mentor over de op die dag met [eiser] en de vader van [eiser] gevoerde gesprekken vermeld:

“In beide gesprekken aangegeven dat er een grote kans is dat [eiser] geen centraal examen mag doen omdat zijn schoolexamendossier niet compleet is.”.

4.12.

Ook uit de e-mail van [teamleider] van 21 april 2015 blijkt niet dat [eiser] gedurende het schooljaar afdoende is gewaarschuwd voor algehele uitsluiting van het Centraal Examen. Er staat alleen:

In december 2014 heeft de heer [mentor] de heer [vader eiser] telefonisch op de hoogte gebracht dat het met de schoolresultaten van [eiser] niet goed ging en dat als hij zo door zal gaan in de problemen zou komen. In februari is dat nogmaals aangegeven tijdens een persoonlijk gesprek tussen mevrouw [moeder eiser], [eiser], de heer [mentor] en ondergetekende. Verder is [eiser] door de docent geschiedenis en de heer [mentor] meerdere malen er op attent gemaakt dat hij zijn zaken ten aanzien van gemist schoolexamen werk moest regelen. (…)”.

4.13.

Het Jan Arentsz heeft ter zitting nog aangevoerd dat gedurende een voorlichtings-bijeenkomst bij aanvang van het schooljaar aan de leerlingen wordt uitgelegd wat de consequenties zijn van het niet afleggen van alle schoolexamens zodat [eiser] daarvan op de hoogte was althans had kunnen zijn, maar dat neemt niet weg dat het Jan Arentsz de algehele uitsluiting in de situatie van [eiser], gezien zijn zwaarwegende belangen, nogmaals uitdrukkelijk aan hem had moeten voorhouden.

4.14.

Nu niet is gebleken dat het Jan Arentsz [eiser] en of zijn ouders op adequate wijze heeft gewaarschuwd voor de gevaren die [eiser] in haar ogen liep met het onbenut laten van de herkansingen en deze omstandigheid niet is meegewogen in de beslissing van de commissie is de beslissing om hem algeheel uit te sluiten van het Centraal Examen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [eiser] had erop mogen vertrouwen dat hij toegelaten zou worden tot het Centraal Examen, hooguit had hij er rekening mee moeten houden dat hij voor de vakken waarin hij niet zijn schoolexamens had afgerond, zou worden uitgesloten.

4.15.

Het Jan Arentsz heeft nog aangevoerd dat het dagonderwijs, zoals het Jan Arentsz aanbiedt, niet de gelegenheid geeft om in bepaalde vakken eindexamen te doen. Voorshands kan de voorzieningenrechter die stelling niet volgen. Niet valt uit te sluiten dat de systematiek van de sanctiemogelijkheden van artikel 5 lid 2 van het Examenbesluit meebrengt dat ook een leerling op een dagschool deeleindexamen kan doen. In artikel 5 lid 5 van het Examenbesluit is voorts bepaald dat de commissie bij haar beslissing zo nodig kan vaststellen op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het eindexamen geheel of gedeeltelijk (onderstreping voorzieningenrechter) af te leggen. De zin van die bepaling ontgaat de voorzieningenrechter, wanneer het zonder geldige reden missen van een tentamen automatisch leidt tot algehele uitsluiting, zoals het Jan Arentsz betoogt.

4.16.

Aldus valt voorshands evenmin uit te sluiten dat de mogelijkheid bestaat dat [eiser] op het VAVO de vakken waarvoor hij op het Jan Arentsz een voldoende eindexamenresultaat heeft behaald, in te brengen en daarvoor certificaten te halen.

4.17.

De mededelingen van het Examenloket kunnen vooralsnog niet aan dit oordeel afdoen. Niet duidelijk is wat de vraagstelling van het Jan Arentsz aan het Examenloket is geweest, met name of zij de specifieke situatie van [eiser] aan het Examenloket heeft voorgelegd.

4.18.

Bij dit alles komt nog dat de commissie van beroep [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep mondeling toe te lichten. Blijkens artikel 11 en 12 van het PTA behoort dat tot de mogelijkheden indien een leerling het niet eens is met een toegekend cijfer, of toegekende beoordeling dan wel de gang van zaken tijdens een examen. In de onderhavige situatie, waar het om ingrijpende(r) gevolgen gaat, had de commissie dit fundamentele beginsel van procesrecht moeten honoreren, hetgeen is nagelaten.

4.19.

Dit alles overziende komt de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel dat de beslissing van de commissie van beroep in verband met haar inhoud en de wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aldus acht de voorzieningenrechter het voldoende waarschijnlijk dat de bodemrechter zal overgaan tot vernietiging van de beslissing van de commissie van beroep.

4.20.

Dit betekent dat de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening zal toewijzen, behoudens het navolgende. Gelet op het feit dat het eerste tijdvak van het Centraal Examen ten tijde van deze uitspraak reeds is verstreken, zal de voorzieningenrechter het Jan Arentsz veroordelen om [eiser] toe te laten tot het tweede en, voor zover [eiser] aan de betreffende voorwaarden voldoet, het derde tijdvak van het Centraal Examen VWO 2015. De voorzieningenrechter zal voorts geen dwangsommen aan het Jan Arentsz opleggen, nu hij ervan uitgaat dat een instelling als het Jan Arentsz de aan haar opgelegde veroordeling zonder meer nakomt.

4.21.

Het Jan Arentsz zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.22.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt het Jan Arentsz om [eiser] onvoorwaardelijk en op de kortst mogelijke termijn toe te laten tot het tweede tijdvak en, voor zover [eiser] aan de betreffende voorwaarden voldoet, het derde tijdvak van) het Centraal Examen VWO 2015,

5.2.

veroordeelt het Jan Arentsz in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 362,84 voor verschotten en op € 816,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.