Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4894

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
15/800100-15 en 15/215514-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld wegens inbraak en bedreiging. Rechtbank legt gevangenisstraf op die lager is dan de tijd die verdachte voor deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Rechtbank bepaalt naar analogie van artikel 90 lid 4 Wetboek van Strafvordering gelasten dat de tijd die verdachte reeds op grond van het bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in de hoofdzaak in detentie heeft doorgebracht op de tenuitvoerlegging (TUL) in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 90
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/800100-15, 15/215514-14 (Tul) en 15/224522-12 (Tul) (P)

Uitspraakdatum: 22 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 juni 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

[geboortedatum],

feitelijk verblijvende te[woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.E. van der Plas en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 22 februari 2015 en/of 23 februari 2015 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pizzeria gelegen aan de [straat] heeft weggenomen 10, althans een of meer fles(sen) sterke drank en/of een schoudertas en/of een kassalade bevattende 350 euro en/of 4, althans een of meer, scootersleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Restaurant [P], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 2:

hij op of omstreeks 15 januari 2015 te [plaats], [S.] en/of [H.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend - een stoel boven zijn, verdachtes, hoofd opgetild en/of die [S.] en/of [H.] de woorden toegevoegd:"Als ik nu mijn geld niet krijg, dan sla ik je kop in met deze stoel!" en/of deze stoel met kracht weggegooid en/of met een prikstok gezwaaid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal van de scootersleutels en de diefstal van het geldbedrag ter hoogte van € 350,-. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit.

3.3.

De feiten, afzonderlijk beoordeeld

Feit 1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 24 februari 2015, met bijbehorende bijlage goederen, dossierpagina’s 11, 12, 15, 16, 17 en 18;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2015, dossierpagina’s 74,75 en 76.

Bewijsoverweging

Uit de aangifte blijkt dat er bij de inbraak in restaurant [P] op of omstreeks 23 februari 2015 zowel een geldbedrag ter hoogte van € 350,- als vier scootersleutels zijn weggenomen. De aangifte is daarna – anders dan de raadsman ter zitting beweerde - niet meer gecorrigeerd. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van vier scootersleutels en de diefstal van een geldbedrag ter hoogte van € 350,-.

Feit 2

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 15 januari 2015 bevond [H.], werkmeester bij Actief Talent, zich in het pand van Actief Talent in [plaats], waar verdachte op hetzelfde moment aanwezig was.2 [H.] was met verdachte in gesprek over een geldbedrag dat Actief Talent volgens verdachte vanwege zijn werkzaamheden bij Actief Talent aan verdachte verschuldigd was. Verdachte pakte tijdens dit gesprek een stoel en hield deze boven zijn hoofd.3 [S.], coördinator bij Actief Talent, hoorde verdachte vervolgens zeggen: “Als ik nu mijn geld niet krijg, dan sla ik je kop in met deze stoel.”4 Ook [G.], werkmeester bij Actief Talent, hoorde dat verdachte dreigde om met een stoel te slaan.5

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op of omstreeks 23 februari 2015 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant gelegen aan de [straat] heeft weggenomen 10 flessen sterke drank, een schoudertas, een kassalade bevattende 350 euro en 4 scootersleutels, toebehorende aan Restaurant [P], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

Feit 2:

hij op 15 januari 2015 te [plaats], [H.] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een stoel boven zijn, verdachtes, hoofd opgetild en die [H.] de woorden toegevoegd: "Als ik nu mijn geld niet krijg, dan sla ik je kop in met deze stoel!".

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De rechtbank leest in feit 1 voor “pizzeria” “restaurant”. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2:

bedreiging met zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden, waarvan 1 (één) maand voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, en dat aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden, zoals weergegeven in het door GGZ Reclassering Palier opgestelde reclasseringsadvies d.d. 3 juni 2015.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een straf bepleit die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de opgemaakte rapportage is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een inbraak in een restaurant. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte overlast en financiële schade berokkend aan de eigenaar van dit restaurant. Verdachte heeft dit feit - naar moet worden aangenomen - enkel gepleegd ten behoeve van zijn eigen gewin en dat van zijn mededaders, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerde. Daar komt nog eens bij dat brutale en zeer ergerlijke feiten als de onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving versterken.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [H.], een medewerker van zorginstelling Actief Talent waar verdachte werkzaam was. Door aldus te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer was bovendien hulpverlener van verdachte. Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers vaak gevoelens van angst en onveiligheid met zich meebrengt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 26 mei 2015, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden herhaaldelijk ter zake van vermogensdelicten en bedreigingen onherroepelijk is veroordeeld. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank tevens gelet op

het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 3 juni 2015 van GGZ Reclassering Palier, waarin wordt geadviseerd bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Deze voorwaarden betreffen naast een meldplicht bij de reclassering, een langdurige klinische behandeling in de Forensische Verslavingskliniek De Boog van GGNet in Warnsveld of een soortgelijke intramurale instelling en een ambulante behandelverplichting, waaronder begrepen een eventuele kortdurende klinische opname, bij een forensisch FACT-team van een GGZ-instelling in de woonomgeving van verdachte, voor de relatie tussen de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, zijn middelenproblematiek en zijn delictgedrag, en een verplichting mee te werken aan een verblijf in een begeleide of beschermde woonvoorziening. Verdachte heeft zich ter zitting tot het meewerken aan deze voorwaarden bereid verklaard.

De rechtbank heeft in haar overwegingen omtrent de op te leggen straf tevens mede de LOVS-oriëntatiepunten in ogenschouw genomen, waarin – bij verdachte op basis van zijn documentatie als uitgangspunt frequente recidive geldt – voor een inbraak in een bedrijfspand vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt vermeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal hieraan de bijzondere voorwaarde van verplicht contact met GGZ Reclassering Palier verbinden, alsmede alle overige voorwaarden zoals hiervoor vermeld.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/224522-12

Bij vonnis van 7 februari 2013 in de zaak met parketnummer 15/224522-12 heeft de politierechter te Noord-Holland verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 14 april 2014 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 26 maart 2014 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting niet verzet tegen toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank zal daarbij echter naar analogie van artikel 90 lid 4 Wetboek van Strafvordering gelasten dat de tijd die verdachte reeds op grond van het bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in de hoofdzaak in detentie heeft doorgebracht op de tenuitvoerlegging in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/215514-14

Bij vonnis van 16 januari 2015 in de zaak met parketnummer 15/215514-14 heeft de politierechter te Noord-Holland verdachte ter zake van diefstal, meermalen gepleegd, en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 4 februari 2015 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 31 januari 2015 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke gevangenisstraf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit. Verdachte is op 16 januari 2015 bij verstek veroordeeld en was ten tijde van het plegen van de feiten niet op de hoogte van het gegeven dat hij in een proeftijd liep. Door deze omstandigheid heeft verdachte geen gelegenheid gehad aan te tonen dat hij zich aan de algemene voorwaarde kan houden dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in beginsel behoort te worden gelast. De rechtbank ziet evenwel in de specifieke persoonlijke omstandigheden van verdachte en het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies in de hoofdzaak aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met één jaar.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 57, 63, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) maand niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (119 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt daarbij als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich uiterlijk drie dagen na dit vonnis meldt bij de bureaudienst GGZ Reclassering Palier, en zich hierna zal blijven melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

  • -

    zich gedurende een periode van maximaal 18 maanden zal laten opnemen in de Forensische Verslavingskliniek De Boog van GGNet in Warnsveld, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

  • -

    zich voor de relatie tussen de persoonlijkheidsproblematiek van veroordeelde, zijn middelenproblematiek en zijn delictgedrag onder behandeling zal stellen van een forensisch FACT-team van een GGZ-instelling in de woonomgeving De Waag of een soortgelijke ambulante (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Onder de ambulante behandelverplichting wordt tevens begrepen een eventuele kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de duur van maximaal zeven weken.

  • -

    zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten RIBW, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Geeft opdracht aan GGZ Reclassering Palier tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/224522-12 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland d.d. 7 februari 2013.

Bepaalt dat de tijd die verdachte reeds op grond van het bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in de hoofdzaak in detentie heeft doorgebracht op de tenuitvoerlegging in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verlengt de bij vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 15/215514-14 opgelegde proeftijd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met één jaar.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Wagenaar,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juni 2015.

mr. E.J.M. Tuijp en mr. R.M. Wagenaar zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte door [H.] d.d. 16 januari 2015, dossierpagina’s 25 en 26.

3 Proces-verbaal van aangifte door [H.] d.d. 16 januari 2015, dossierpagina 26; proces-verbaal van verhoor van getuige [H.] d.d. 23 februari 2015, dossierpagina 35.

4 Proces-verbaal van aangifte door [H.] d.d. 16 januari 2015, dossierpagina 26.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [G.] d.d. 11 februari 2015, dossierpagina 33.