Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4681

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
3535170 - cv expl 14-7603 (H.K.)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Niet tijdig geklaagd ex art. 6:89 BW na ontdekking gebrek in de prestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 3535170 \ CV EXPL 14-7603 (H.K.)

Uitspraakdatum: 17 juni 2015

Vonnis in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats], handelende onder de naam [naam X]

eisende partij in conventie / verweerder in reconventie

verder ook te noemen: [Y]

gemachtigde: C.W.M. Stam, gerechtsdeurwaarder te Purmerend

tegen

[naam ged.], wonende te [adres]

gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie

verder ook te noemen: [Z]

gemachtigde: mr. S.M.I. van Loon, advocaat te Veghel.

1 Het procesverloop

in conventie en in reconventie

  • -

    [Y] heeft bij dagvaarding van 21 oktober 2014 in conventie een vordering ingesteld.

  • -

    [Z] heeft in conventie bij antwoord verweer gevoerd en in reconventie een tegenvordering ingesteld.

  • -

    Vervolgens heeft [Y] bij antwoord in reconventie verweer gevoerd.

  • -

    Na beraad heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 21 januari 2015 een comparitie van partijen gelast, welke comparitie is gehouden op 20 mei 2015, waarbij partijen in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.

  • -

    De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

  • -

    Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

2 De vaststaande feiten

in conventie en in reconventie

2.1

Omstreeks de maanden februari en april 2014 heeft [Y] in opdracht en voor rekening van [Z] werkzaamheden verricht onder bijlevering van de daarvoor benodigde materialen. Hiervoor zijn een tweetal facturen gezonden aan [Z]:

 factuur van 14 februari 2014 ad € 2.200,-- voor het plaatsen van neuten en plinten;

 factuur van 22 april 2014 ad € 518,65 voor het 4 x vervangen van een raamboom en pasklaar maken en monteren van espagnolet en het monteren van voordeurslot.

De factuur van 22 april 2014 was een correctie op een eerder verstuurde factuur ad € 667,05.

2.2

Op 18 april 2014 stuurt [Z] een e-mailbericht aan [Y] met de volgende inhoud:

“Goede morgen,

Die facturen die gemaakt zijn kan ik zo niet voldoen.

Kan je mij van deze twee facturen de getekende opdrachtbevestiging toesturen zodat ik dat kan controleren met de rekeningen die door jou zijn verstuurd.

Ik weet dat er door jou werkzaamheden zijn uitgevoerd maar de gefactureerde prijzen die nu worden berekend naar mij zijn mij onbekend.

Om dit probleem snel te kunnen oplossen en niet veel geld en tijd aan advocaten uit te geven stel ik voor dat ik voor deze twee facturen (nummer 1 en 5) totaal 1500,-- betaal inclusief btw.

Mocht je het hier niet mee eens zijn kunnen we a.s. dinsdag daarover praten.”

2.3

Op 16 mei 2014 stuurt [Z] een ingebrekestelling aan [Y] en wijst hem op tekortkomingen aan de plinten en tevens op schade aan zijn vloer. Hij wenst nakoming.

2.4

Bij brief van 27 juni 2014 van de gemachtigde van [Z] aan de gemachtigde van [Y] vordert [Z] niet langer nakoming van de overeenkomst, maar vervangende schadevergoeding ex art. 6:87 BW.

3 De geschillen

in conventie en in reconventie

3.1

[Y] vordert in conventie veroordeling van [Z] tot betaling van € 3.238,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, kosten rechtens.

3.2

[Z] vordert in voorwaardelijke reconventie veroordeling van [Y] tot betaling van € 3.250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot de dag der voldoening, kosten rechtens.

3.3

Nu de tegeneis voortvloeit uit het verweer in conventie en de vorderingen in nauw verband tot elkaar staan, worden deze hierna gezamenlijk behandeld.

3.4

[Y] heeft het volgende -zakelijk weergegeven- gesteld als grondslag van zijn vordering en als verweer tegen de reconventionele vordering.

[Y] vordert betaling van voormelde twee facturen ad in totaal € 2.718,65, de vertragingsrente ad € 123,04, de buitengerechtelijke kosten ad € 396,87en de verdere wettelijke rente.

De werkzaamheden zijn naar behoren uitgevoerd en [Z] dient de facturen gewoon te betalen. Op 18 april 2014 stuurt [Z] een e-mail aan [Y], maar hierin wordt niet geklaagd over de werkzaamheden, maar over de hoogte van het bedrag. Niet eerder dan 16 mei 2014, na ruim drie maanden, wordt geklaagd over de werkzaamheden. Dit is naar de mening van [Y] ontijdig, gelet op art. 6:89 BW. Voor zover wel tijdig wordt geklaagd, is [Y] van mening dat hij het werk correct heeft uitgevoerd en dat geen sprake is van enige schade aan de vloer. Ten tijde van de werkzaamheden was niet duidelijk wat voor kranen op de radiatoren zouden worden gemonteerd. [Y] kan dan ook niet worden verweten dat er nadien radiatorkranen werden gemonteerd. [Z] heeft dit toen niet aangegeven.

Voor zover wordt geoordeeld dat [Z] wel tijdig heeft geklaagd, dan is de schade niet deugdelijk onderbouwd. Het schaderapport van Bouwbedrijf de Jong gaat uit van algehele vervanging, terwijl dit niet nodig is. Aan de vloer is in het geheel geen schade te zien.

3.5

Als verweer tegen de vordering van [Y] en als grondslag voor zijn tegeneis heeft [Z] -zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

[Y] heeft zijn werkzaamheden niet deugdelijk verricht. Partijen kwamen onder meer overeen dat [Y] plinten zou aanleggen. De verwarmingselementen en bijbehorende leidingen waren reeds aangelegd. Alleen de thermostaatkranen waren nog niet aanwezig.

Op 16 en 17 februari 2014 heeft [Y] deze werkzaamheden uitgevoerd.

Medio maart 2014 heeft [Y] ten behoeve van het woonhuis van [Z] vervolgens een voordeurslot geleverd en gemonteerd. Tijdens deze laatste werkzaamheden wenste [Y] niet in te gaan op klachten van de echtgenote van [Z] ter zake de plinten en de beschadigingen aan de vloer. Hij was ontstemt over het feit dat [Z] een ander bedrijf had ingeschakeld voor het aanleggen van de lambrisering.

Telefonisch heeft [Z] daarna contact gehad met [Y] om de problemen van de plinten en de beschadigde vloer te bespreken. In dat licht heeft [Z] voorgesteld om € 1.500,-- tegen finale kwijting te voldoen.

Op 16 mei 2014 heeft [Z] [Y] formeel in gebreke gesteld. [Z] is van mening dat dit, gelet op voormelde omstandigheden, tijdig is gebeurd.

[Z] is van mening dat [Y], als deskundige, hem in februari 2014 ex art. 7:754 BW had moeten waarschuwen dat de plinten te dicht op de thermostaatkranen zouden komen te liggen, zodat deze niet meer te bedienen waren.

[Z] heeft als deskundige Bouwbedrijf de Jong ’t Veld B.V. ingeschakeld om de schade te begroten. Deze deskundige heeft de schade begroot op € 3.250,-- incl. btw.

In conventie verzoekt [Z] verrekening van zij schade met de vordering van [Y].

Voor zover verrekening niet wordt toegestaan, vordert [Z] in reconventie voormeld schadebedrag.

4 De beoordeling van de geschillen

in conventie

4.1

Partijen zijn het erover dat de betreffende opdracht voor de plinten c.a. en de werkzaamheden betreffende de voordeur door [Z] aan [Y] is verstrekt. Ter terechtzitting is niet geheel duidelijk geworden of de opdracht voor de werkzaamheden aan de voordeur tegelijkertijd met de plintenopdracht is verstrekt of dat dit nadien is gebeurd. Wat hier ook van zij, de hoogte van de 2 facturen, zoals die thans in deze procedure aan de orde zijn, is inhoudelijk niet gemotiveerd betwist door [Z]. Zijn betwisting ziet op de in zijn ogen ondeugdelijke prestatie van [Y].

4.2

Vaststaat dat [Z] voor het eerst hierover schriftelijk heeft geklaagd bij brief van 16 mei 2014 van zijn gemachtigde. Weliswaar stelt [Z] dat hij eerder mondeling en/of telefonisch over de kwaliteit van het werk heeft geklaagd, maar dit verweer wordt verworpen, nu dit gemotiveerd wordt weersproken en in de e-mail van 18 april 2014 van [Z] aan [Y] met geen woord over de kwaliteit van het werk wordt gerept. In de e-mail wordt alleen melding van de onbekendheid met de gefactureerde prijzen en wordt voorgesteld om akkoord te gaan met € 1.500,--, omdat anders een advocaat zal worden ingeschakeld door [Z]. Er wordt dus niet gezegd, dat [Z] het bedrag te hoog vindt

vanwege gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden. Het is daarom niet geloofwaardig dat eerder zou zijn geklaagd en dat dit mailtje hier een vervolg op is.

4.3

[Y] stelt dat niet tijdig is geklaagd, zoals aangegeven in art. 6:89 BW.

Dit artikel luidt: “De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.”

In dit geval dient de vraag, of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied, te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of [Y] nadeel lijdt door het tijdsverloop totdat is geklaagd. Een vaste termijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor [Z] ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin [Y] is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken.

4.4

In dit geval kan er van worden uitgegaan dat is geprotesteerd drie maanden na de geleverde prestatie. Uit betoog van [Z] kan immers worden afgeleid dat hij van aanvang af niet tevreden was met de werkzaamheden.

Weliswaar heeft [Z] betoogd, dat de situatie na drie maanden nog gelijk was aan de situatie van drie maanden daarvoor, waardoor [Y] geen nadeel lijdt, maar daar staat tegenover dat in de e-mail van 18 april 2014 in het geheel niet wordt geklaagd over de kwaliteit van de werkzaamheden, terwijl in de optiek van [Z] zelf de klachten op dat moment al twee maanden bij hem bekend waren. Het had daarom op dat moment op zijn weg gelegen gemotiveerd en gedetailleerd aan te geven welke klachten hij had en hoe en wanneer [Y] deze klachten zou kunnen verhelpen. Dit alles is niet gebeurd.

Gelet op deze omstandigheden, maar ook op andere omstandigheden die door partijen zijn aangevoerd – zoals de vraag of [Y] erop bedacht had moeten zijn dat thermostaatkranen gemonteerd zouden worden – is de kantonrechter van oordeel dat in de gegeven omstandigheden [Z] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd, zodat niet wordt toegekomen aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak. De gevorderde hoofdsom ad € 2.718,65 is dan ook toewijsbaar, evenals de vertragingsrente ad € 123,04 en de verdere wettelijke rente.

4.5

De medegevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 396,87 worden afgewezen,

nu niet gesteld of gebleken is dat aan [Z] een aanmaning is verzonden waarin aan hem

een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven, zoals vereist door art. 6:96 lid 6 BW.

4.6

[Z] dient als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten te worden veroordeeld.

in reconventie

4.7

Nu in conventie is overwogen, dat wegens het niet tijdig protesteren inhoudelijk niet op de zaak kan worden ingegaan, heeft dit in reconventie tot consequentie dat niet kan worden beoordeeld of [Y] zijn werkzaamheden deugdelijk heeft verricht. De eis in reconventie dient daarom te worden afgewezen.

4.8

[Z] in dient in reconventie in de proceskosten te worden veroordeeld, maar deze proceskosten zullen wegens de nauwe samenhang van de zaak in conventie en die in reconventie worden vastgesteld op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1

Veroordeelt [Z] om aan [Y] tegen kwijting te betalen € 2.841,69, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.718,65, te rekenen vanaf 21 oktober 2014 tot de dag van betaling.

5.2

Veroordeelt [Z] in de proceskosten, die tot heden in conventie voor [Y] worden vastgesteld op een bedrag van € 648,15 [€ 79,15 explootkosten, € 219,-- griffierecht en € 350,-- voor salaris van de gemachtigde van [Y]].

5.3

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4

Wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

5.5

Wijst de vordering van [Z] af.

5.6

Veroordeelt [Z] in de proceskosten, die tot heden in reconventie voor [Y] worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 17 juni 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter