Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4660

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
15/760071-14, 15/016142-15 (TTZ GEV) en 15/760978-12 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft onder ander verweer schending art. 8 EVRM bij 'doorzoeken' smartphone op basis van 94 Sv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 1
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2015/38
JBP 2015/95

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/760071-14, 15/016142-15 (TTZ GEV) en 15/760978-12 (TUL) (P)

Uitspraakdatum: 4 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 21 mei 2015 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.A. de Back en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Bijleveld, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

15/760071-14

Feit 1:

hij op of omstreeks 26 oktober 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een tuin en/of een schuur behorende bij een woning gelegen op/aan [adres] aldaar, heeft weggenomen een (cross)motor (merk Kawasaki type KX85), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Feit 2 (15/197635-14):

hij op of omstreeks 11 september 2014 te IJmuiden, gemeente Velsen, [naam] heeft mishandeld door genoemde [naam] een of meerma(a)l(en) op/tegen het hoofd te stompen en/of te slaan;

Feit 3 (15/198902-14):

Primair

hij op of omstreeks 05 september 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter/bromfiets (kenteken 52DVB9), welke scooter/bromfiets stond gestald op/aan [adres] aldaar , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking

en/of (een) valse sleutel(s);

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 05 september 2014 tot en met 14 september 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca, althans in Nederland, een scooter/bromfiets (kenteken 52DVB9) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/deze

scooter/bromfiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; artikel 417bis Wetboek van Strafrecht;

15/016142-15

hij op of omstreeks 26 januari 2015 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca,

(een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een balletjes-/mitrailleurpistool (kleur zwart, kaliber 6 mm), (dat qua vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een pistoolmitrailleur, merk Heckler&Koch MP5 9x19mm. parabellum), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Vrijspraak

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 onder 3 primair ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten onder parketnummer 15/760071-14 en van het bij dagvaarding met parketnummer 15/016142-15 ten laste gelegde feit. De verdediging heeft zich met betrekking tot laatstgenoemd feit op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een onrechtmatig onderzoek aan de telefoon van verdachte alsmede dat verdachte op onrechtmatige wijze is verhoord over de vindplaats van de op foto’s in zijn telefoon aangetroffen wapens. Daartoe is aangevoerd dat het onderzoek aan de telefoon een ontoelaatbare inbreuk op het recht van privacy als bedoeld in artikel 8 EVRM is, waarbij de raadsman gewezen heeft op een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:2954), waarin overeenkomstig is beslist. Voorts voert de verdediging aan dat verdachte is ondervraagd zonder dat hem voorafgaand de cautie is gegeven en zonder dat hem gelegenheid is gegeven voor consultatiebijstand.

3.3.

Vrijspraak
De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie en de raadsman dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen verdachte bij dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 onder 3 primair (diefstal door middel van braak, verbreking dan wel valse sleutel) ten laste is gelegd en is van oordeel dat hij daarvan dient te worden vrijgesproken, nu verdachte dit feit ontkent en het dossier voorts geen bewijsmiddelen met betrekking tot die diefstal bevat.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding met parketnummer 15/016142-15 ten laste is gelegd, zodat hij ook van dat feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het met betrekking tot laatst genoemd feit gevoerde verweren van de verdediging, kort gezegd inhoudende dat sprake is geweest van verschillende vormverzuimen in het vooronderzoek, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Voor het uitlezen van de smartphone van verdachte zijn ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad geen nadere bevoegdheden nodig, nu de inbeslagname die daaraan is vooraf gegaan, rechtmatig is geweest. Voorts is er ten aanzien van de aan verdachte gevorderde uitlevering van wapens geen sprake van een verhoorsituatie, zodat verdachte niet de cautie gegeven hoeft te worden en evenmin gewezen hoeft te worden op de mogelijkheid van consultatie- c.q. verhoorbijstand. Bovendien was de raadsman bij het verhoor dat later die dag om 14.55 uur heeft plaatsgevonden, aanwezig. Het voorgaande leidt de officier van justitie tot de conclusie dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank is tot het navolgende oordeel gekomen en overweegt daartoe als volgt.

Verbalisanten zien verdachte ’s nachts omstreeks 1.15 uur volledig in het donker gekleed over straat rennen in een buurt waarvan zij ambtshalve weten dat er vele inbraken hebben plaatsgevonden en treffen bij hem op het moment dat zij hem staande houden twee goudkleurige halskettingen, een schroevendraaier en een multitool aan. Verdachte wordt gelet hierop, en mede gelet op zijn volgens verbalisanten onlogische verklaring, aangehouden op verdenking van overtreding van de APV (het vervoeren van inbrekerswerktuigen). Tevens hebben de verbalisanten het vermoeden dat de goudkleurige kettingen afkomstig zouden kunnen zijn van een woninginbraak, dan wel andere inbraak. Bij zijn insluitingfouillering is vervolgens ook een glassnijder bij verdachte aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat op het politiebureau zonder toestemming van verdachte de inhoud van zijn telefoon (smartphone) is bekeken op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.). In de map whatsapp-afbeeldingen ziet de verbalisant drie foto’s met op echt gelijkende wapens, op één waarvan verdachte zelf met een wapen is afgebeeld.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in het hiervoor genoemde arrest van 22 april 2015 geoordeeld dat het onderzoek aan een smartphone door de politie op grond van artikel 94 Sv. een inbreuk vormt op de door artikel 8 EVRM verleende bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De bevoegdheid van de politie tot het maken van een inbreuk op dit recht moet voldoende kenbaar en voorzienbaar in de wet zijn omschreven. Daartoe overwoog het hof dat de technische ontwikkelingen anno 2015 met zich brengen dat er via een smartphone niet alleen toegang wordt verkregen tot verkeersgegevens, maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone. En dat zonder enige vorm van voorafgaande beoordeling van de subsidiariteit en/of proportionaliteit van de bevoegdheid. Dat brengt het hof tot het oordeel dat sprake is van een zodanig ingrijpende bevoegdheid dat, mede gelet op artikel 1 Sv, de algemene bevoegdheidsomschrijving van artikel 94 Sv. heden ten dage niet meer kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat als voldoende kenbaar en voorzienbaar kan worden aangemerkt bij de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Het kan derhalve de toets van artikel 8 EVRM niet (meer) doorstaan.

Het hof is van oordeel dat het onderzoek door de politie aan de smartphone van verdachte een schending van zijn recht op privacy oplevert. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv, aldus het hof.

De rechtbank neemt deze overwegingen van het hof over en is van oordeel dat het onderzoek door de politie aan de smartphone van de verdachte een schending van zijn recht op privacy oplevert. Aldus is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is, of en zo ja, welke rechtsgevolgen aan voormeld vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient de rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval met inachtneming van voormelde factoren kan worden volstaan met vaststelling van het verzuim en zal daaraan verder geen rechtsgevolgen verbinden.

Verdachte is vervolgens door de politie geconfronteerd met de op zijn telefoon aangetroffen foto’s van wapens. De verbalisant vordert aan verdachte de uitlevering van die wapens. Verdachte verklaart dat er twee nepvuurwapens op zijn slaapkamer in de ouderlijke woning liggen. Naar aanleiding van die verklaring van verdachte is de politie vervolgens naar de woning van verdachte gegaan ter inbeslagneming van de betreffende wapens.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er op het moment dat de politie op de smartphone van verdachte foto’s van op echt gelijkende wapens aantreft, sprake is van verdenking van een nieuw strafbaar feit en daaruit volgend van een nieuwe verhoorsituatie. Vastgesteld kan worden dat verdachte die ook toen nog geen 16 jaar was en dus minderjarig, voorafgaand aan dat verhoor niet in de gelegenheid is gesteld contact te hebben met een advocaat, waardoor de zogeheten Salduznorm is geschonden, terwijl hem evenmin de cautie is gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat dientengevolge in het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens vaste jurisprudentie volgt bij schending van de Salduznorm bewijsuitsluiting. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de naar aanleiding van de afgelegde verklaring van verdachte in diens woning aangetroffen wapens niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Dat de vader van verdachte toen verbalisanten ter plaatse in de woning waren, toestemming heeft gegeven voor binnentreden in de woning en kamer van verdachte, maakt dit oordeel niet anders. Nu zich voor het overige met betrekking tot dit feit geen bewijsmiddelen in het dossier bevinden, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

4 Bewijs

15/760071-14

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [naam], d.d. 26 oktober 2014.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.1

Op 11 september 2014 zat verdachte in een klas op het [college], samen met onder andere aangever [naam]. Er werden door aangever en verdachte elastiekjes naar elkaar geschoten. Op een gegeven moment stond aangever op om naar verdachte toe te lopen.23 Verdachte sloeg aangever hierop op zijn hoofd. 456

Vervolgens sloeg aangever verdachte en hierna gaf verdachte aangever meerdere klappen.7

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [naam], d.d. 6 september 2014;

  • -

    het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [naam] d.d. 14 september 2014;

  • -

    proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2014171194-13, opgemaakt op 16 oktober 2014 door verbalisant [verbalisant], inhoudende de verklaring van getuige [naam].

4.4.

Bewijsoverweging

15/760071-14

Feit 2:

De verdediging heeft zich met betrekking tot de ten laste gelegde mishandeling op het standpunt gesteld dat verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld. Verdachte heeft geslagen nadat hij door aangever hard tegen een tafel werd geduwd. De handelswijze van verdachte was proportioneel gelet op deze harde duw. Bovendien was de handelswijze ook gepast, aangezien uit het dossier blijkt dat aangever achter verdachte aanzat. Verdachte stond met zijn rug tegen de tafel waar hij tegenaan was geduwd. In deze omstandigheden kon niet van verdachte worden gevergd dat hij zou vluchten. Nu noodweer bij een verdenking van mishandeling het wederrechtelijk aspect wegneemt, dient vrijspraak te volgen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, nu zowel aangever als getuige [naam] hebben verklaard dat verdachte als eerste heeft geslagen en zij beiden niets verklaren over een duw die door aangever aan verdachte zou zijn gegeven. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan hun verklaringen.

4.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 subsidiair onder parketnummer 15/760071-14 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 26 oktober 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een tuin behorende bij een woning gelegen aan [adres] aldaar, heeft weggenomen een crossmotor, merk Kawasaki type KX85, toebehorende aan [naam];

Feit 2:

hij op 11 september 2014 te IJmuiden, gemeente Velsen, [naam] heeft mishandeld door genoemde [naam] meermalen op het hoofd te stompen;

Feit 3:

Subsidiair

hij in de periode van 5 september 2014 tot en met 14 september 2014 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca, een bromfiets, kenteken 52DVB9, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die bromfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: diefstal

Feit 2: mishandeling

Feit 3 subsidiair: opzetheling

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich verplicht dient te melden bij de jeugdreclassering en zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en dat verdachte zal meewerken aan een goede dagbesteding. De officier van justitie kan zich vinden in de bevindingen van de deskundige en is er bij haar eis vanuit gegaan dat verdachte voor alle feiten die bewezen kunnen worden verklaard, verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman merkt met betrekking tot het onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 tenlastegelegde feit op dat de aanhouding van verdachte buiten heterdaad door burgers is verricht, hetgeen volgens de wet niet is toegestaan. Deze aanhouding is zeer hardhandig toegegaan, hetgeen voor verdachte een beangstigende ervaring geweest. Verdachte heeft daarbij verwondingen opgelopen. Tevens zijn daarbij een shirt en een ketting kapot getrokken. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een medische verklaring en kort nadien gemaakte foto’s over gelegd. Weliswaar kan het door burgers toegepaste geweld niet aan het Openbaar Ministerie worden verweten, maar bij de op te leggen straf zou rekening daarmee rekening gehouden moeten worden.

De verdediging verzoekt de rechtbank voorts de eis van de officier van justitie te matigen gelet op de door hem bepleite vrijspraken, de persoonlijke omstandigheden en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de volgende rapportages is gebleken:

  • -

    het Pro Justitia rapport van [psychiater], kinder- en jeugdpsychiater van 31 december 2014 naar aanleiding van het bij dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 onder 1 ten laste gelegde feit;

  • -

    het uitgebreid advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 april 2015.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een crossmotor door deze uit een tuin van een woning mee te nemen. Verdachte heeft dit, zo verklaart hij zelf, gedaan omdat hij zelf altijd een dergelijke motor wilde hebben. Diefstal is een ergerlijk feit, dat specifiek schade bij de desbetreffende persoon veroorzaakt en in het algemeen bij de benadeelde en anderen in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid oproept. Tevens heeft verdachte een bromfiets voorhanden gehad, waarvan hij wist dat die bromfiets gestolen was. Door het plegen van opzetheling blijft er een afzetmarkt voor gestolen goederen bestaan, hetgeen eveneens bijdraagt aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarbij komt dat verdachte met het plegen van deze feiten ook onvoldoende respect heeft getoond voor de eigendommen van anderen. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een klasgenoot door hem meermalen op het hoofd te stompen. Hij heeft zijn klasgenoot daarmee pijn bezorgd en letsel toegebracht.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 maart 2015, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld en bovendien ten tijde van het plegen van de feiten nog in een proeftijd liep. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden te recidiveren.

Volgens deskundige [psychiater] is verdachte gediagnosticeerd met ADHD, een gedragsstoornis NAO en (verbale) zwakbegaafdheid. Vanuit de gediagnosticeerde ADHD is het verklaarbaar dat het wegnemen van de motor een impulsieve daad betreft, ingegeven vanuit jaloezie en de sterke wens zelf een crossmotor te bezitten. Vanuit de gedragsstoornis kan worden verklaard waarom hij zich niet heeft laten leiden door de (maatschappelijke) norm dat je van andermans spullen af moet blijven, ook al staan deze onder handbereik. Zijn zwakbegaafdheid lijkt een geringe rol te hebben gespeeld. Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid kan worden vastgesteld dat deze hierdoor verminderd is.

Zijn impulsiviteit en de te geringe invloed van maatschappelijke normen op het handelen van verdachte zijn factoren die de kans op een recidive vergroten. In specifieke situaties kan zijn (verbale) zwakbegaafdheid een aanvullend risico vormen, waarbij verdachte zichzelf niet in staat zou achten een situatie verbaal op te lossen en zou overgaan tot handelen.

Gezien het feit dat verdachte het op school niet naar zijn zin heeft, levert dit hem stress op. Vanuit deze stress op school, in combinatie met de eerder beschreven impulsiviteit en gebrekkige toepassing van maatschappelijke normen is er een vergrote kans op uitageren van deze stress. In algemene zin kan worden vastgesteld dat hoe groter de ervaren stress is, hoe groter de wens op het zich kunnen ontladen zal worden of hoe groter het risico is op het uitageren hiervan.

Het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke straf lijkt nu gerechtvaardigd, zodat verdachte kan ervaren wat de maatschappelijke reactie op het plegen van strafbare feiten is.

Het vertrouwen van de ouders in verdachte is weg en hij staat veelal onder direct toezicht van met name zijn vader. Verdachte lijkt de huidige inperking van zijn vrijheid nog maar moeilijk te verdragen en ageert hiertegen. In de toekomst zal hem weer geleidelijk aan het vertrouwen gegeven moeten worden om zich verder te kunnen ontwikkelen tot jong-volwassene. Het lijkt raadzaam dat dit proces begeleid wordt. Andere elementen die hierbij aandacht verdienen zijn: stress-management, invulling van vrije tijd en het verdragen van zijn schoolgang. Ook dienen de wettelijke en maatschappelijke normen verder verankerd te worden bij verdachte. Deze onderwerpen en aandachtspunten zouden begeleid moeten worden door een jeugdreclasseerder en uitgevoerd kunnen worden door bijvoorbeeld de Waag, waar verdachte inmiddels ook al eerste gesprekken heeft gevoerd. Om dit proces te waarborgen zou kunnen worden gedacht aan het (deels) voorwaardelijk opleggen van een taakstraf. De deskundige adviseert een deels onvoorwaardelijke taakstraf en een deels voorwaardelijke taakstraf.

De rechtbank kan zich vinden in de rapportage en conclusies van de deskundige en maakt deze tot de hare. Gelet op de inhoud van de rapportage ziet de rechtbank, evenals de officier van justitie, aanleiding verdachte ook voor de overige bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Volgens de Raad voor de Kinderbescherming is de hulpverlening vanuit de Waag gestopt. Ouders en verdachte lijken hiervoor op dit moment niet open te staan. Het lijkt dat de basisvoorwaarde van een passende dagbesteding hierin een rol speelt. Ouders schatten in dat dit het gedrag van verdachte in positieve zin kan veranderen, maar dat er op dit moment sprake is van een negatieve cirkel. Verdachte krijgt door het gedrag wat hij op school laat zien, maar ook door zijn houding over het volgen van een stage niet de mogelijkheden die hij gezien zijn kwaliteiten wel aan zou kunnen. De Raad kan hierin de visie van ouders en de jeugdreclassering wel volgen. De Raad is echter ook van mening dat er wel sprake is van ernstige gedragsproblemen en dat de kans op recidive hoog is. De vraag is of een passende dagbesteding de oplossing zal zijn voor het verminderen van de kans op recidive.

De Raad zet vraagtekens bij de haalbaarheid voor de ingezette lijn met betrekking tot de dagbesteding, maar zal deze lijn in het strafadvies volgen. Mocht blijken dat het voor verdachte gezien zijn gedragsproblematiek teveel gevraagd is en dit traject stagneert, dan dient de jeugdreclassering in te zetten op systeemgerichte hulpverlening/behandeling of eventueel de mogelijkheid tot een uithuisplaatsing te onderzoeken.

De Raad adviseert een deels voorwaardelijke en een deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder de algemene voorwaarde dat verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    zijn medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit;

  • -

    zijn medewerking verleent aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte wordt verplicht mee te werken aan passende dagbesteding, waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten de jeugd- en gezinsbeschermers te Haarlem opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De rechtbank is tevens van oordeel dat de dagbesteding van verdachte nauwlettend in de gaten moet worden gehouden.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte bij de aanhouding te stevig is aangepakt. Hoewel het Openbaar Ministerie hiervan geen verwijt kan worden gemaakt, zal de rechtbank bij de op te leggen straf in enigerlei mate rekening houden met de gevolgen die dit voor verdachte heeft gehad, zoals ter zitting is gebleken.

De rechtbank heeft voorts, gelet op de vrijspraak voor het onder parketnummer 15/016142-15 ten laste gelegde feit aanleiding gevonden enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd.

8 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [naam] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het bij dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat op grond van het dossier niet is vast te stellen dat de geleden schade door de mishandeling van verdachte is ontstaan.

Ook de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Uit het dossier volgt niet dat verdachte verantwoordelijk is voor de gestelde schade aan de telefoon. Van rechtstreekse schade is daarom geen sprake.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bij voormelde dagvaarding onder 2 bewezenverklaarde feit en zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

9 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 22 november 2012 in de zaak met parketnummer 15/760978-12 heeft de kinderrechter te Haarlem verdachte ter zake van diefstal in vereniging, diefstal in vereniging door middel van braak, meermalen gepleegd, diefstal in vereniging door middel van valse sleutels en verduistering veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie.

Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 9 oktober 2014 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 7 december 2012 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog geen drie maanden geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 300, 310, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte bij dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 onder 3 primair en bij dagvaarding met parketnummer 15/016142-15 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bij dagvaarding met parketnummer 15/760071-14 onder 1, 2 en 3 subsidiair van de dagvaarding bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERD (100) UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door VIJFTIG (50) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot VIJFTIG (50) UREN, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door VIJFENTWINTIG (25) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich meldt bij de Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem en zich daarna gedurende de proeftijd en op door de Jeugd- en Gezinsbeschermers te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    gedurende de proeftijd wordt verplicht mee te werken aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding.

Geeft opdracht aan de Jeugd- en Gezinsbeschermers tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie noodzakelijk oordeelt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam].

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/760978-12 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van VIJFTIG (50) UREN subsidiair VIJFENTWINTIG (25) dagen jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter d.d. 22 november 2012.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. C.M. Cichowski-van der Kleijn en mr. M.E. van Zutphen, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier W. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juni 2015.

Mr. M.E. van Zutphen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal met nummer PL1100-2014168158-1, opgemaakt op 11 september 2014 door verbalisant [verbalisant], inhoudende de aangifte van [naam].

3 Verklaring verdachte ter zitting van 21 mei 2015.

4 Proces-verbaal met nummer PL1100-2014168158-1, opgemaakt op 11 september 2014 door verbalisant [verbalisant], inhoudende de aangifte van [naam].

5 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2014168158-4, opgemaakt op 11 september 2014 door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], inhoudende de verklaring van getuige [naam].

6 Verklaring verdachte ter zitting van 21 mei 2015.

7 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2014168158-4, opgemaakt op 11 september 2014 door verbalisanten [verbalisant] en A [verbalisant], inhoudende de verklaring van getuige [naam].