Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4473

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
15/800182-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging afpersing, geen woningoverval maar wel uit de hand gelopen incasso.

Verwerping verweer nietigheid dagvaarding danwel niet-ontvankelijkheid OM nu ovj heeft nagelaten een deel van de tenlastelegging op de zitting voorgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800182-14 (P)

Uitspraakdatum: 2 juni 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 mei 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.T.C. de Vries en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. van Rooij, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en van diens schriftelijke slachtofferverklaring.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair

hij op of omstreeks 09 februari 2014 te [plaats], (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], te dwingen tot de afgifte van een horloge en/of geld, althans enig goed en/of geld toebehorende aan die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2],

en/of

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, (gedurende de voor

de nachtrust bestemde tijd in een woning) om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een horloge en/of geld, althans enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- naar die woning van die [benadeelde 1] is/zijn toe gegaan

- tegen die [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd/geschreeuwd dat hij/zij het horloge terug moesten hebben voor [medeverdachte 3], althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of

- die [benadeelde 1] diens woonkamer heeft/hebben ingeduwd en/of

- die [benadeelde 1] heeft/hebben opgedragen [benadeelde 2] te bellen en/of

- tegen die [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd/geschreeuwd: "Je gaat mee, je gaat mee", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of

- ( met kracht) (met een boksbeugel) tegen/op het gezicht van die [benadeelde 1] heeft/hebben geslagen en/of

- tegen die [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd/geschreeuwd: "Wij komen morgen weer", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking,

terwijl de uitvoering vandat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 februari 2014 te [plaats], tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een

persoon (te weten [benadeelde 1]) heeft/hebben mishandeld, immers heeft/hebben

hij, verdachte en/of zijn mederdader(s) (met kracht)

- tegen het lichaam van die [benadeelde 1] geduwd en/of

- ( met een boksbeugel) tegen/op het gezicht van die [benadeelde 1] geslagen, waardoor voornoemde [benadeelde 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 2:

hij op of omstreeks 09 februari 2014 te [plaats], tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2])

een ploertendoder en/of een oplader (merk: Samsung), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

2 Voorvragen

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot afpersing en de daarbij ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheden, nu dit deel van de dagvaarding op de terechtzitting niet is voorgedragen door de officier van justitie.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

De officier van justitie heeft ter zitting in een reactie op dit bij pleidooi gevoerde verweer erkend dat zij was vergeten het eerste deel van de tenlastelegging voor te dragen.

In artikel 284 van het Wetboek van Strafvordering (voordracht van de zaak) is bepaald dat de officier van justitie de zaak voordraagt. Deze verplichting is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. De procespartijen zijn in de regel bij de aanvang van het onderzoek allen op de hoogte van de inhoud van de tenlastelegging. Dat dat in dit geval ook zo was, blijkt al uit het feit dat de raadsman direct bij aanvang van zijn pleidooi heeft opgemerkt dat hem was opgevallen dat de officier van justitie een deel van de tenlastelegging niet had voorgedragen. Deze voordracht is echter geen strikte vereiste voor het bestaan van een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek (HR 5-11-1946, NJ 1947, 26 en HR 16-12-1947, NJ 1948, 95).

De rechtbank is ook van oordeel dat door het achterwege blijven van het voordragen van een deel van de tenlastelegging de rechten van de verdediging niet zijn geschaad. Het achterwege blijven ervan leidt daarom niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging diefstal met geweld en bedreiging met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen en van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van diefstal van een ploertendoder en een telefoonoplader.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte moet hebben gezien dat medeverdachte [medeverdachte 1] de ploertendoder heeft meegenomen en dat medeverdachte [medeverdachte 2] een telefoonoplader heeft meegenomen en dat verdachte op die momenten op geen enkele manier heeft ingegrepen, waar dit wel had gekund.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde op het standpunt dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het was slechts de bedoeling van verdachte om het slachtoffer [benadeelde 1] te vragen naar het geld dat hij schuldig zou zijn aan [medeverdachte 3]. Hij heeft daarbij nimmer het opzet gehad om geweld te plegen tegen het slachtoffer en heeft daarbij ook niet het oogmerk gehad om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen of om goederen, toebehorende aan die [benadeelde 1], zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.3.

Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 1] de ploertendoder van de aangever heeft meegenomen uit de woning van de aangever en dat medeverdachte [medeverdachte 2] de telefoonoplader heeft meegenomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de stukken in het dossier en uit het verhandelde op de terechtzitting niet worden vastgesteld dat het opzet van verdachte (ook niet in voorwaardelijke zin) bestond uit de wederrechtelijke toe-eigening van die goederen.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen op grond van het volgende.

Op 9 februari 2014 omstreeks 03.30 uur hebben verbalisanten De Winter en Mijnals de melding gekregen om te gaan naar de [adres 2] in [adres 2]. Hier zou een man in zijn woning zijn geslagen door drie mannen.

Aan de deur van de woning hebben verbalisanten de bewoner [benadeelde 1] aangetroffen. Zij zagen dat [benadeelde 1] een wond had aan de linkerzijde van zijn gezicht1.

In zijn aangifte heeft het slachtoffer [benadeelde 1] verklaard dat er op 9 februari 2014 rond 02.30 uur bij zijn woning werd aangebeld. Hij zag twee Nederlanders en een Turk voor zijn deur staan. De langste Nederlander zette meteen zijn voet tegen de deur, waardoor [benadeelde 1] de deur niet meer dicht kon doen. [benadeelde 1] werd zijn huiskamer ingeduwd door de langste Nederlandse man. Deze man had het telkens over een horloge en over geld. Op een gegeven moment zei de langste Nederlandse man dat [benadeelde 1] naar [benadeelde 2] moest bellen. [benadeelde 1] heeft vervolgens gebeld naar [benadeelde 2]. De langste man heeft de telefoon overgenomen en heeft ook met [benadeelde 2] gesproken.

Het slachtoffer heeft verklaard dat de sfeer vanaf het begin af aan dreigend was ook omdat de langste man steeds zei: “je gaat mee, je gaat mee”.

Nadat het telefoongesprek met [benadeelde 2] was beëindigd kreeg het slachtoffer uit het niets een knal in zijn gezicht van de kleine Nederlandse man. Het slachtoffer hoorde de langste Nederlandse man zeggen: “wij komen morgen weer”. Dit vond het slachtoffer bedreigend2.

Het slachtoffer is naar de huisartsenpost gegaan, alwaar hij is geholpen aan een scheurverwonding, links in het gelaat3.

De getuige [benadeelde 2] heeft op 9 februari 2014 verklaard dat er die afgelopen nacht rond 02.00 uur aan zijn voordeur werd gerommeld en dat een kwartier later iemand in de tuin stond en aan de deur zat te rommelen.

Diezelfde nacht rond 03.08 uur werd hij gebeld door [benadeelde 1] die hem vroeg te komen omdat er mensen bij hem zaten die even met [benadeelde 2] wilden praten. [benadeelde 2] kreeg vervolgens een man aan de telefoon die hem vroeg te komen of anders zijn deur te openen. Deze man wilde wat terug hebben of anders € 700,-. De man zou die avond terug komen en [benadeelde 2] moest zorgen dat hij die € 700,- had. Het telefoongesprek werd vervolgens beëindigd.

Even later, rond 03.16 uur werd [benadeelde 2] weer gebeld door [benadeelde 1], die vertelde dat hij klappen had gekregen van een kleinere man toen hij met een lange man stond te praten4.

Op 10 februari 2014 heeft verbalisant Tensen een bezoek gebracht aan [benadeelde 2] en zijn zoon [getuige]. [getuige] heeft vanaf zijn telefoon de telefoonnummers opgelezen van de telefoons met welke hij contact heeft gehad op 9 februari 2014 rond 03.00 uur, onder andere het telefoonnummer [telefoonnummer] 5. Na raadplegen van de politiesystemen is gebleken dat dit nummer in gebruik is bij [verdachte], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats]6.

Uit een printlijstonderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte [medeverdachte 3] op 9 februari 2014 rond 00.30 uur contact heeft met de telefoon van verdachte [verdachte]. Uit een SMS bericht van 00.39 uur blijkt dat [verdachte] opgehaald wil worden door [medeverdachte 3] . Om 00.42 uur bericht [verdachte] dat hij niet alleen wil gaan en dat hij naar Wormerveer moet om [medeverdachte 1] op te halen. Uit berichten later die dag is gebleken dat [verdachte] er echt heen is gegaan en dat [verdachte] die gasten wel wat moet geven7.

Verdachte [medeverdachte 3] heeft tegenover de politie verklaard dat [verdachte] op een gegeven moment naar hem toe kwam omdat [verdachte] nog geld van hem kreeg. [medeverdachte 3] heeft [verdachte] voorgehouden dat hij nog € 700,- kreeg van [benadeelde 1] en [verdachte] [benadeelde 2]. [medeverdachte 3] heeft aan [verdachte] voorgesteld om dat geld zelf maar te gaan halen bij [benadeelde 2] of [benadeelde 1]. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de woningen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] heeft aangewezen aan [verdachte], ene [medeverdachte 1] en nog een buitenlander. [medeverdachte 3] stond op een afstand van vijf of tien meter op het moment dat de anderen aanbelden bij de woning van [benadeelde 1] . Hij zag dat de deur werd geopend en dat [benadeelde 1] in de deuropening stond8.

De verdachte [verdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat hij nog geld kreeg van [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] op zijn beurt weer geld tegoed had van een achterbuurman. [medeverdachte 3] vroeg hem om naar de achterbuurman te gaan om het geld op te halen.

[verdachte] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en ene [medeverdachte 2] naar de woning van de achterbuurman is gegaan, nadat [medeverdachte 3] die woning had aangewezen, om te zeggen dat die buurman [medeverdachte 3] moest betalen.

[verdachte] heeft verklaard dat hij bij de woning aan de deur heeft geklopt en dat [medeverdachte 3] heeft aangebeld. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stonden op dat moment ook bij de deur. [verdachte] zag dat de bewoner open deed met een ploertendoder in zijn hand. [medeverdachte 1] pakte vervolgens de bewoner vast en pakte de ploertendoder af. Op dat moment stonden ze halverwege de gang van de woning. Op het moment dat [verdachte] de man vroeg naar het geld zag hij dat [medeverdachte 1] de man een klap gaf. [medeverdachte 2] stond er gewoon bij. [verdachte] is vervolgens meteen weggegaan. [medeverdachte 2] kwam achter hem aan en vertelde dat hij bij het weggaan nog een oplader had gepakt9.

In zijn tweede verklaring heeft [verdachte] verklaard dat hij op 8 februari 2014 [medeverdachte 1] heeft gebeld en hem heeft gevraagd om als back-up mee te gaan. Dit was bedoeld om indruk te maken.

[verdachte] had met [medeverdachte 1] afgesproken bij het Marktplein in Wormerveer. [verdachte] zag toen ook [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 1] in de auto. [verdachte] heeft verklaard dat zij die nacht ook bij een andere woning zijn geweest. Beide adressen zijn aangewezen door [medeverdachte 3].

Nadat [verdachte] op de deur van de woning van het slachtoffer had geklopt en een ander had aangebeld werd de deur door het slachtoffer open gedaan. Vervolgens waren [medeverdachte 1] en die man aan het duwen en trekken omdat die man met een ploertendoder in zijn handen stond. Later werd er normaal gesproken totdat [medeverdachte 1] de man een klap gaf. [verdachte] heeft verklaard dat het klopt dat het slachtoffer de andere buurman heeft gebeld en heeft gezegd dat het geld terug moest. [medeverdachte 1] gaf de man die klap, nadat er al was gebeld met de buurman10.

Verdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij door [verdachte] is gevraagd om mee te gaan om geld op te halen. [medeverdachte 2] is ook met hen meegereden naar [adres 2]. [verdachte] is uitgestapt bij een woning en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bleven in de auto wachten. [verdachte] kwam terug en vertelde dat ze bij een woning om de hoek moesten zijn. [medeverdachte 1] zag dat [medeverdachte 3] ook aan kwam lopen.

Op een gegeven moment stonden ze met z’n vieren voor de woning. Er werd door [verdachte] aangebeld en de deur werd vervolgens geopend door een man. [medeverdachte 1] stond op dat moment pal naast [verdachte] bij de deur en [medeverdachte 2] stond ongeveer 2 a 3 meter achter hem. [medeverdachte 1] hoorde dat er over en weer werd geschreeuwd en dat de bewoner vervolgens naar buiten kwam en om zich een begon te zwaaien met een ploertendoder. [medeverdachte 3] is vervolgens weggelopen. [medeverdachte 1] heeft de man een vuistslag in zijn gezicht gegeven en de ploertendoder afgepakt. [verdachte] deed zijn voet voor de deur, zodat de deur niet dicht kon en is vervolgens met de man de woning ingegaan11.

3.5.

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte medepleger is van de poging tot afpersing met geweld en bedreiging met geweld. Verdachte heeft bij de voorbereiding en de uitvoering van het feit een dusdanig significante rol gespeeld dat gesproken kan worden van nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.

Verdachte is door medeverdachte [medeverdachte 3] gevraagd om een openstaande vordering bij het slachtoffer te incasseren. Verdachte [verdachte] heeft vervolgens versterking (back-up) geregeld in de persoon van medeverdachte [medeverdachte 1]. Medeverdachte [medeverdachte 2] is ook meegegaan. Nadat medeverdachte [medeverdachte 3] de woning van het slachtoffer had aangewezen, is verdachte vervolgens met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning gegaan en heeft vervolgens direct zijn voet tussen de deur gezet en het slachtoffer zijn woning ingeduwd nadat deze de deur had geopend.

De rechtbank acht niet bewezen dat het medeplegen van verdachte ziet op de door medeverdachte [medeverdachte 1] gegeven klap tegen het gezicht van het slachtoffer. Er is geen bewijsmiddel, waaruit blijkt van enige bewuste samenwerking op dit onderdeel van de tenlastelegging.

Hoewel de onder de gedachtenstreepjes als bedreiging met geweld hierna bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en zijn mededaders op zichzelf geen bedreiging met geweld inhouden is de rechtbank van oordeel dat er toch sprake is van bedreiging met geweld.

Het slachtoffer werd midden in de nacht aan de deur van zijn woning geconfronteerd met drie hem onbekende personen. Eén van deze personen deed meteen de voet tussen de deur en begon direct tegen het slachtoffer te schreeuwen. Vervolgens werd het slachtoffer zijn woning ingeduwd en werd hem dreigend te verstaan gegeven dat hij zijn schuld aan [medeverdachte 3] moest voldoen.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd, dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van zijn zijde gerechtvaardigd was.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 9 februari 2014 te [plaats], gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [benadeelde 1],

- naar de woning van die [benadeelde 1] is toegegaan en

- die [benadeelde 1] diens woonkamer heeft ingeduwd en

- die [benadeelde 1] heeft opgedragen [benadeelde 2] te bellen en

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Je gaat mee, je gaat mee", en

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Wij komen morgen weer",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd twee jaar. De officier van justitie heeft voorts gevorderd om aan het voorwaardelijk deel van de straf te koppelen de bijzondere voorwaarde dat verdachte de training Cognitieve Vaardigheden zal volgen. De officier van justitie heeft bij de bepaling van haar eis rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van woningovervallen.

6.2.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit verdachte vrij te spreken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bij bewezenverklaring verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de duur van de voorlopige hechtenis op te leggen, gelet op de baan van verdachte en zijn overige persoonlijke omstandigheden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met zijn mededaders op dreigende, agressieve en intimiderende manier geprobeerd om een vermeende schuld te innen bij het slachtoffer. Het slachtoffer is bij die gelegenheid midden in de nacht aan de deur van zijn woning geconfronteerd met verdachte en zijn mededaders. Er werd direct verhinderd dat het slachtoffer de deur zou dichtdoen. Het slachtoffer is zijn woning ingeduwd en hem is op dreigende wijze te verstaan gegeven dat hij zijn schuld aan verdachte moest voldoen. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededaders inbreuk gemaakt op de privacy en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke “incassopraktijken” moeten voor het slachtoffer zeer beangstigend zijn geweest. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet alleen betrokken is geweest bij de uitvoering van het door hem en zijn mededaders gepleegde feit, maar dat hij ook een rol heeft gehad in de voorbereiding. Nadat verdachte door zijn mededader [medeverdachte 3] was gevraagd om een vermeende schuld te innen bij het slachtoffer [benadeelde 1], heeft verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] verzocht om als backup/versterking mee te gaan. Dit was volgens verdachte bedoeld om indruk te maken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte en zijn mededaders niet aan te merken valt als een woningoverval, waarop volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Strafinhoud hoge gevangenisstraffen zijn gesteld, maar wel als een zeer ongewenste vorm van eigenrichting.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 april 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

De rechtbank heeft voorts met betrekking tot de persoon van verdachte rekening gehouden met het reclasseringsrapport van 21 maart 2014 en het voortgangsverslag toezicht van Palier, gedateerd 4 mei 2015.

In 2013 heeft verdachte een reclasseringstoezicht positief afgerond. Tijdens dit toezicht heeft hij een agressieregulatie behandeling en een leefstijltraining gevolgd en positief afgesloten. De sociale integratie van verdachte is goed. Hij heeft een eigen dakdekkersbedrijf en woont samen met zijn vriendin.

Tijdens het huidige schorsingstoezicht heeft verdachte zich een aantal keren niet gehouden aan de meldplicht. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij door drukke werkzaamheden niet in de gelegenheid was om zich te melden. Hij heeft dit wel op latere momenten ingehaald, wat in het voortgangsverslag wordt bevestigd. De Reclassering Nederland adviseert om een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de meldplicht en de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden.

Alles afwegende en rekening houdend met de Wet beperking taakstraffen is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Hiernaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van het na te noemen aantal uren opleggen.

Tenslotte zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te melden duur en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding om naast de algemene voorwaarden, bijzondere voorwaarden op te leggen.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.237,75 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

7.1.

standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

standpunt verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, gelet op de door de raadsman bepleitte vrijspraak.

7.3.

oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van € 107,75 rechtstreeks voortvloeit uit het onder primair bewezen verklaarde feit. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor tot een bedrag van € 500,-, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan dat deel van de vordering, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van poging tot afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.6 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 3 jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op de opgelegde straf en bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 607,75, bestaande uit € 107,75 voor de materiële en € 500,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten zal zijn betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 607,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. [verdachte]. Swier, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2015,

zijnde mr. [verdachte]. Swier buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL11ZN-2014008945-2, gedateerd 9 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M. de Winter en A.S. Mijnals, doorgenummerde blz. 18 en 19.

2 Het proces-verbaal met het nummer PL11CR-2014008945-1, gedateerd 9 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar S.A.M. Dennekamp, houdende de aangifte door [benadeelde 1], doorgenummerde blz. 21 tot en met 25.

3 Een geschrift, zijnde een medische verklaring van de huisarts G. Cleyndert d.d. 9 februari 2014, doorgenummerde blz. 26.

4 Het proces-verbaal met het nummer PL11DR-2014008945-6, gedateerd 9 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar F.T. Tensen, houdende de verklaring van de getuige [benadeelde 2], doorgenummerde blz. 56 tot en met 60.

5 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL11DR-2014008945-14, gedateerd 11 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar F.T. Tensen, doorgenummerde blz. 66 en 67.

6 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL11DR-2014008945-16, gedateerd 11 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar F.T. Tensen, doorgenummerde blz. 73.

7 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer 17 met bijlagen, gedateerd 5 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.M. Reuzenaar, doorgenummerde blz. 104 t/m 123.

8 Het proces-verbaal met het nummer 2014008945, gedateerd 22 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren G.A. Sluis en F.T. Tensen, houdende de 1e verklaring van verdachte R. [medeverdachte 3], doorgenummerde blz. 214 t/m 219.

9 Het proces-verbaal met het nummer 31, gedateerd 18 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verdachte].J. Kooistra en M. Kuil-Oppenhuizen, houdende de 1e verklaring van verdachte [verdachte]. [verdachte], doorgenummerde blz. 248 t/m 258.

10 Het proces-verbaal met het nummer 34, gedateerd 19 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J.M. Reuzenaar en [verdachte].J. Kooistra, houdende de tweede verklaring van verdachte [verdachte]. [verdachte], doorgenummerde blz. 259 t/m 269.

11 Het proces-verbaal met het nummer 2014008945, gedateerd 3 april 2014, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren G.A. Sluis en [verdachte].J. Kooistra, houdende de 4e verklaring van verdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1], doorgenummerde blz. 327 t/m 333.