Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4418

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
C/15/212581 FA RK 14-1118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze beschikking heeft de meervoudige kamer geoordeeld over een verzoek tot beëindiging van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw op grond van artikel 1:160 BW. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man aangetoond dat niet alleen sprake is van een affectieve relatie tussen de vrouw en X en dat zij met elkaar samenwonen als waren zij gehuwd, maar dat bovendien sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Het door de wet hieraan verbonden gevolg is dat van rechtswege een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/212581 / FA RK 14-1118

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 6 mei 2015

in de zaak van:

[De man] ,

wonende te Haarlem,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.F. Kalff, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[De vrouw] ,

wonende in het Verenigd Koninkrijk,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.M. de Vries, kantoorhoudende te Amsterdam..

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2014 en de daarin vermelde stukken;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man van 20 oktober 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de man van 27 oktober 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw van 29 oktober 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de man van 30 oktober 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de man van 3 november 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw van 6 november 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de man van 11 november 2014;

- het F-formulier van de advocaat van de vrouw van 14 november 2014;

- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 6 maart 2015;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 12 maart 2015.

1.2

De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van
23 maart 2015 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. S.F. Kalff en de vrouw bijgestaan door mr. P.M. de Vries en een tolk in de Engelse taal.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij tussenbeschikking van 22 oktober 2014 is – totdat de rechtbank nader heeft beslist – de door de man aan de vrouw te bepalen partnerbijdrage op nihil gesteld met ingang van de datum waarop de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen niet meer op de man van toepassing is. De beslissing is voor het overige pro forma aangehouden en de advocaten van partijen zijn verzocht zich schriftelijk uit te laten over de vraag of zij instemmen met mediation. Indien één van partijen dan wel beide partijen niet instemmen met mediation zal de rechtbank de zaak verwijzen naar een zitting van de meervoudige kamer.

2.2

Beide partijen hebben aangegeven mediation te wensen maar partijen stemmen over en weer niet in met de daarbij aan elkaar gestelde voorwaarden.

De rechtbank heeft vervolgens de zaak verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer.

1:160 BW

2.3

Primair stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw sinds begin 2013 samenwoont met een ander, te weten [partner vrouw] [naam partner] (hierna: [naam partner]), in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.4

Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt - voorzover hier van belang - een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze wederpartij is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. Als criteria voor het samenleven als waren zij gehuwd gelden de duurzaamheid van de samenleving, het leven in gezinsverband en het vormen van een economische eenheid. Daarnaast heeft de Hoge Raad de eis gesteld dat moet blijken dat de samenlevenden elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

2.5

Als onweersproken staat vast dat de vrouw en [naam partner] elkaar al kennen sinds de periode dat de vrouw in Spanje woonde. Nadat de vrouw aanvankelijk na terugkomst in december 2011 vanuit Spanje bij haar ouders is gaan wonen, heeft [naam partner] in 2012 het huidige pand 43 Hobsic Close – op loopafstand van de ouders van de vrouw – aangekocht. De vrouw heeft volgens eigen zeggen, met [naam partner] afgesproken dat zij op vriendschappelijke basis in zijn woning mag verblijven en hem geen huur betaalt maar werkzaamheden verricht in en om het huis. Voorts heeft zij erkend dat ook (een deel van) haar kleding in die woning ligt. Volgens het kiesregister staat zij op dit adres geregistreerd.

2.6

Uit de door de man overgelegde [detectivebureau] blijkt dat een Engelse detective op 8, 9, 17, 18, 19 en 27 april 2013, 9 mei 2013, 6, 8, 9 en 14 januari 2014 en 25 september 2014 de vrouw (en [naam partner]) heeft geobserveerd op het adres 43 Hobsic Close. Ook zijn er GPS Tracker Reports van 18 april 2013, 15 mei 2013, 14 en 29 januari 2014, 19 en 30 september 2014 overgelegd.

Onder meer blijkt uit voorgaande stukken dat de detective op 19 april 2013 ’s ochtends de vrouw en [naam partner] een kus ziet geven waarna de vrouw vanaf het adres van [naam partner] wegrijdt in een auto en dat op 14 januari 2014 de vrouw en [naam partner] ’s ochtends samen de woning uitkomen, de vrouw wegrijdt in een auto en [naam partner] weer de woning binnengaat.

Voorts blijkt uit de overgelegde Observations Reports dat de vrouw op de geobserveerde dagen steeds vanaf de woning van [naam partner] naar haar werk en terugrijdt en daar de hele avond verblijft.

Tenslotte heeft [detective], particulier onderzoeker onder de naam Private International Research, bij brief van 29 september 2014 verklaard dat de vrouw en [naam partner] desgevraagd aan hem hebben geantwoord dat zij in de straat (Hobsic Close) wonen. Voorts heeft een buurtbewoner tegenover hem bevestigd dat de vrouw en [naam partner] een paar jaar terug op het adres 43 Hobsic Close zijn komen wonen. In deze brief heeft de onderzoeker ook vermeld dat de vrouw en [naam partner] samen boodschappen doen.

2.7

De vrouw ontkent dat sprake is van een affectieve relatie tussen haar en [naam partner] en dat zij samenwonen als waren zij gehuwd. Volgens de vrouw blijkt dit uit het feit dat haar officiële adres het adres van haar ouders is. Dit verweer kan niet slagen. Deze stellingname van de vrouw is immers onderbouwd met niet meer dan met een enkele verklaring van betrokkenen aan haar zijde, te weten van [naam partner], de moeder van de vrouw en van een vriendin. Bezien in het licht van de hiervoor vastgestelde feiten, kunnen deze verklaringen de rechtbank niet overtuigen.

2.8

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de man heeft aangetoond dat niet alleen sprake is van een affectieve relatie tussen de vrouw en [naam partner] en dat zij met elkaar samenwonen als waren zij gehuwd, maar dat bovendien sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.

Het door de wet hieraan verbonden gevolg is dat van rechtswege een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de man.

2.9

De rechtbank is van oordeel dat (in ieder geval) vanaf 8 april 2013 – de aanvang van de [detectivebureau] – gesproken kan worden van een feitelijke samenwoning van de vrouw en [naam partner], zodat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw van rechtswege op 8 april 2013 is geëindigd.

terugbetalingsverplichting

2.10

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de alimentatie die is betaald sedert de datum waarop de alimentatieplicht is geëindigd, onverschuldigd is voldaan. Daaruit vloeit voort een terugbetalingsverplichting van de alimentatiegerechtigde jegens de alimentatieplichtige. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de vrouw uit voornoemde verplichting dient te worden ontslagen.

Echter, nu de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage met ingang van
29 juli 2011 op nihil is gesteld, heeft de man – naar het oordeel van de rechtbank – geen belang bij zijn verzoek. Het verzoek zal in zoverre dan ook worden afgewezen.

proceskosten en kosten recherchebureaus

2.11

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is om aan de man te vergoeden de gemaakte juridische kosten alsmede de kosten van de ingeschakelde recherchebureaus. Aan dit verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat de vrouw de samenwoning tot op heden verzwegen heeft ondanks haar plicht tot melding van deze relevante feiten en dat deze houding en handelwijze van de vrouw als een onrechtmatige daad moet worden gekwalificeerd waardoor hij schade heeft geleden die vergoed dient te worden.

Tegen dit verzoek heeft de vrouw als verweer gevoerd dat deze vordering met een dagvaarding dient te worden ingeleid en de Nederlandse rechter bij een dergelijke vordering niet bevoegd is nu de vrouw in het Verenigd Koninkrijk woont. Voorts stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man geen schade heeft geleden nu zijn inkomen zodanig laag was dat hij nooit in staat kan zijn geweest zelf de kosten van het rechercheonderzoek te dragen. Voorts voert zij aan dat deze recherchekosten niet onder de vermogensschade ex artikel 6:96 lid 2 BW vallen nu deze kosten behoren tot de kosten van artikel 241 WBRv.

bevoegdheid ten aanzien van de kosten recherchebureaus

2.12

De door de man ingestelde vordering tot schadevergoeding is zodanig nauw verbonden met het verzoek tot beëindiging/nihil-stelling van de partnerbijdrage, dat de rechtbank van oordeel is dat zij bevoegd is hierover te oordelen. Zou dit anders zijn dan zou dit tot het - naar het oordeel van de rechtbank onwenselijke - resultaat leiden dat partijen ter beslechting van dit onderdeel van het geschil door de rechter, gedwongen zouden zijn zich tot een andere (buitenlandse) rechter te wenden die zonder kennis van de alimentatieprocedure, zich een oordeel zou moeten vormen over de vordering tot schadevergoeding.

2.13

Ten aanzien van de door de man gestelde onrechtmatigheid aan de zijde van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. De door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage is met ingang 29 juli 2011 op nihil gesteld. Van een verplichting aan de zijde van de vrouw om aan de man mee te delen dat zij samenwoont met een derde als waren zij gehuwd, was in deze periode daarom geen sprake, zodat de in die periode gemaakte recherchekosten niet kunnen worden gegrond op een onrechtmatig handelen van de vrouw. Daaraan doet niet af dat de vrouw nadien steeds heeft volgehouden dat zij niet samenwoont als ware zij gehuwd, nu zij dit pas heeft aangevoerd nadat de kosten reeds gemaakt waren.

Voorts overweegt de rechtbank dat het voorgaande onverlet laat de beantwoording van de vraag of de man, gelet op zijn (uiterst) geringe inkomsten in die periode, zelf deze schade heeft geleden nu hij niet in staat geacht kan worden een rekening van € 14.000 aan recherchekosten te voldoen. Omdat hij dienaangaande niets, althans onvoldoende heeft gesteld zal de rechtbank ook in zoverre het standpunt van de man als onvoldoende onderbouwd terzijde stellen en de vordering afwijzen.

2.14

De rechtbank zal de proceskosten compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1

Bepaalt dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd per 8 april 2013.

3.2

Compenseert de proceskosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.3

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, voorzitter, en mrs. J.H. Dubois en P.R. de Geus, rechters, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier, mr. H. van Kamperdijk, op 6 mei 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.