Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4406

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
06-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1225
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1388, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bestuurlijke boete - Arbeidsomstandighedenwet

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 14/1225

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Stojkovic).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete van € 36.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Bij besluit van 11 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet - voor zover hier van belang – wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Ingevolge het tiende lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.

Ingevolge artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.

Ingevolge artikel 9.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften die zijn opgenomen in artikel 3.17.

Bij de uitvoering van de bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet geregelde bevoegdheden heeft verweerder de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de beleidsregel) toegepast.

Volgens beleidsregel 1, elfde lid, kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en achtereenvolgens leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

1°. indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd, een veilige werkwijze heeft ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van de Arbeidsomstandighedenwetgeving, deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld en de verdere nodige maatregelen heeft getroffen wordt de bestuurlijke boete gematigd met eenderde;

2°. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de bestuurlijke boete gematigd met nog eenderde; en

3°. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.

2. Een werknemer van eiseres (hierna: het slachtoffer) heeft op 18 april 2013 ernstig, blijvend, letsel opgelopen bij het verwisselen van een volle puincontainer voor een lege. Het slachtoffer raakte met zijn hand bekneld tussen beide containers. Van zijn rechterhand is van vier vingers de helft geamputeerd.

De chauffeur die met het slachtoffer de puincontainers verwisselde, was op de bovenste container geklommen omdat hij niet goed bij de hijskettingen kon komen. Het slachtoffer had zijn hand op de rand van de onderliggende container. Toen de chauffeur op de bovenste container klom, zakte deze iets naar beneden, waardoor de hand van het slachtoffer bekneld raakte.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, in dit geval twee puincontainers, niet heeft voorkomen. De chauffeur die met het slachtoffer de puincontainers verwisselde, was onlangs ingeleend en aan het werk gezet zonder dat hij was voorzien van de benodigde voorlichting en instructie. Daarmee heeft eiseres artikel 16, tiende lid van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in samenhang met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit overtreden. Voorts is niet gebleken van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel een zeer beperkte verwijtbaarheid, op grond waarvan van boeteoplegging dient te worden afgezien, dan wel de opgelegde boete dient te worden gematigd, aldus verweerder.

4. Eiseres heeft in het beroepschrift aangevoerd dat verweerder een onjuist criterium hanteert bij de vraag of sprake is van overtreding van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Ter zitting heeft eiseres deze grond echter laten vallen. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat eiseres dit artikel heeft overtreden.

5. Eiseres voert voorts aan dat geen sprake is van verwijtbaarheid nu zij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het ongeval zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en aan het slachtoffer en de chauffeur, die door het slachtoffer werd begeleid, voldoende instructies met betrekking tot deze werkzaamheden zijn gegeven. Zo waren beide werknemers zeer ervaren en had de chauffeur, alhoewel ingeleend via een uitzendbureau, bij een vorige werkgever reeds een uitgebreide instructie gehad. Het slachtoffer fungeerde als zijn mentorchauffeur, zodat ervaring voldoende gewaarborgd was. Bovendien, zo stelt eiseres, was het slachtoffer degene die heeft gehandeld in strijd met de instructie door zijn hand op de container te leggen.

Eiseres heeft voorts in de ‘Voorlichting en instructie’ voor alle medewerkers onder punt 8 (Specifieke risico en maatregelen) onder 4 (Beknelling handen) de volgende instructies opgenomen:

- Pak de container niet op de plaats waar de belading aangrijpt,

  • -

    Zoek contact met collega alvorens de installatie te bedienen,

  • -

    Voorkom beknelling tussen containers, bewegende delen en aangrijpingspunten.

Nieuwe medewerkers krijgen deze instructie ook gepresenteerd in een PowerPoint presentatie. Eiseres stelt dat uit de instructie voldoende duidelijk is dat de container niet bij de rand mag worden vastgepakt.

Eiseres stelt voorts dat het gebruikelijk is dat een werknemer op de container klimt en niet voorzienbaar was dat de container hierop zou inzakken. Bovendien, zo heeft eiseres ter zitting aangegeven, is de gebruikelijke gang van zaken dat de chauffeur alleen werkt.
Ook gelet op deze omstandigheden treft haar geen verwijt, aldus eiseres.

5.1

Zoals volgt uit eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5468, bevat artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit geen opzet of schuld als bestanddeel en staat derhalve de overtreding vast indien aan de materiële voorwaarden van dat artikel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken, zal hij dit aannemelijk moeten maken.

In situaties waarin de verwijtbaarheid volledig ontbreekt, wordt van boeteoplegging afgezien. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. Verweerder heeft dit uitgewerkt in beleidsregel 1, elfde lid.

Onder 1° van deze beleidsregel is te lezen dat indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd, een veilige werkwijze heeft ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van de Arbeidsomstandighedenwetgeving, deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld en de verdere nodige maatregelen heeft getroffen, de bestuurlijke boete wordt gematigd met eenderde. De in genoemde beleidsregel genoemde factoren zijn cumulatief. Dat houdt in dat als niet wordt voldaan aan hetgeen is gesteld onder 1°, niet wordt toegekomen aan de factoren genoemd onder 2° en 3°.

De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

5.2

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet heeft voldaan aan de eerste matigingsgrond van beleidsregel 1, elfde lid en 1°. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat van verweerder had mogen worden verwacht dat zij veel concreter in haar instructie had gewezen op het risico van beknelling bij het vastpakken van de rand van een maxicontainer. Het feit dat deze situatie zich in de praktijk nauwelijks voor zal doen, omdat de chauffeur vaak alleen werkt en dan niet in staat is de rand vast te pakken, doet daar niet aan af. Datzelfde geldt voor de instructie ‘Zoek contact met collega alvorens de installatie te bedienen’. De rechtbank vermag niet in te zien dat – juist ter voorkoming van incidenten als de onderhavige – een zorgvuldige communicatie tussen collega’s van belang is. Ook hier doet het gegeven dat er meestal slechts één persoon bezig is met het wisselen van containers en het communiceren of contact maken met een collega derhalve niet aan de orde is, niet af aan het belang van het opnemen van een duidelijke instructie op dit punt. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiseres de risico’s onvoldoende heeft geïnventariseerd en onderzocht en dat de instructie onvoldoende concreet is.

Dat het slachtoffer, door actief mee te helpen met de chauffeur, heeft gehandeld in strijd met de aan hem opgedragen taken en bevoegdheden, speelt in dit verband geen rol omdat de in geding zijnde norm zich richt tot de werkgever.

Nu niet is voldaan aan de eerste matigingsgrond kan – gegeven het cumulatieve karakter – niet worden toegekomen aan een beoordeling van de overige in de beleidsregel opgenomen matigingsgronden. Het betoog faalt.

6. Eiseres betoogt tot slot dat zij door het opleggen van de boete onevenredig wordt getroffen. Zij voert daartoe aan dat nu de chauffeur niet alleen werkte – zoals te doen gebruikelijk – maar werd begeleid door een mentorchauffeur die voorts in strijd met zijn werkinstructie actief meehielp bij het wisselen van de containers, sprake is van een zodanige unieke situatie dat eiseres deze niet had kunnen voorzien en derhalve niet kon voorkomen.

6.1

Er bestaat reden tot matiging van de opgelegde boete indien gelet op de financiële situatie de werkgever onevenredig wordt getroffen door de opgelegde boete (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:61). Het betoog van eiseres dat de boete onevenredig is en daarom gematigd moet worden, kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet slagen. Daartoe is redengevend dat eiseres een professioneel bedrijf is, het letsel van het slachtoffer zeer ernstig is en bovendien niet gebleken is dat financiële situatie van eiseres tot gevolg heeft dat zij onevenredig wordt getroffen door de boete. Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.