Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4393

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5458
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:775, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het oprichten van een crematorium.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6940
OGR-Updates.nl 2015-0146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 14/5457, 14/5458, 15/226 en 15/178

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2015 in de zaken tussen

1. [eiser 1], [eiser 2] en tweeëntwintig anderen te [woonplaats] (gemachtigde: W. Jongebloet),

2. [eiser 3] en [eiser 4]te [woonplaats]

(gemachtigde: W. Jongebloet),

3. De besloten vennootschap [naam 1] B.V., te [plaats 1]

(gemachtigde: mr. A.A. van den Brand),

4. De stichting [naam 2],te [plaats 2],

eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigden: mr. B. Wedding en J.M. Tjon Jaw Chong).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap [naam 3] B.V., te [plaats 3] (gemachtigde: mr. A.J.B. Bakhuijsen)

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een crematorium op de locatie [adres 1], kadastraal bekend als gemeente [plaats 4], sectie [letter], nrs. [nummer 1] en [nummer 2].

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. Eisers sub 1 en 2 zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen [eiser 1] en [naam 4]. Eiseres sub 3 is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 5] en [naam 6]. Eiseres sub 4 is vertegenwoordigd door
[naam 7] en [naam 8]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Derde-partij is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 9].

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank is gehouden de ontvankelijkheid van de beroepen ambtshalve te beoordelen.

2.1

Met betrekking tot het beroep dat is ingesteld door [eiser 1] namens [eiser 2] en tweeëntwintig anderen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.2

In het door de rechtbank binnen de beroepstermijn ontvangen pro forma beroepschrift van 30 december 2014 van [eiser 1] heeft hij vermeld dat hij beroep instelt tegen het bestreden besluit. In dat beroepschrift heeft [eiser 1] niet vermeld dat dit beroep mede namens anderen wordt ingesteld. Eerst in het na afloop van de beroepstermijn door de rechtbank ontvangen aanvullende beroepschrift van 27 januari 2015 heeft [eiser 1] aangegeven dat hij mede namens [eiser 2] en tweeëntwintig anderen beroep instelt tegen het bestreden besluit en heeft hij de namen van die personen kenbaar gemaakt. Het namens [eiser 2] en tweeëntwintig anderen ingestelde beroep is niet tijdig ingesteld.

2.3

Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.4

Door of namens [eiser 2] en tweeëntwintig anderen zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim zijn geweest ten aanzien van de te late indiening van hun beroep. De enkele omstandigheid dat zij in de veronderstelling verkeerden dat zij zich konden aansluiten bij het door [eiser 1] ingestelde beroep, vormt daarvoor geen grond.

2.5

Het voorgaande betekent dat het beroep van [eiser 2] en tweeëntwintig anderen niet-ontvankelijk is.

3.1

Met betrekking tot de beroepen die zijn ingesteld door [eiser 1] voor zich zelf en eisers sub 2 overweegt de rechtbank als volgt.

3.2

Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.3

Het antwoord op de vraag of de belangen van [eiser 1] en eisers sub 2 rechtstreeks zijn betrokken bij het bestreden besluit moet worden bepaald aan de hand van de afstand waarop hun woningen van het project zijn gelegen, het zicht dat zij hebben op het project en de ruimtelijke uitstraling die het project heeft op het plaatselijke landschap en in de directe (woon)omgeving van eisers. In dat verband is van belang dat het project voorziet in de nieuwbouw van een crematorium. De locatie bevindt zich in de zuidwestelijke stadsrandzone van Alkmaar, net buiten de rondweg [nummer 3] ([naam weg 1]) en net buiten de bebouwde kom in een overwegend landelijk gebied. De nieuwbouw bestaat uit één bouwvolume van circa 2.000 m2. In het gebouw is een geleding aangebracht. Boven het gebouw steken verticale accenten uit van de gebogen zijmuren van de zaalruimten. Het hoogste punt bevindt zich op circa 17 meter.

3.4

De rechtbank is – anders dan verweerder – van oordeel dat de belangen van
[eiser 1] door verwezenlijking van het project rechtstreeks kunnen worden geraakt en overweegt hiertoe als volgt. Hoewel [eiser 1] op relatief grote afstand van de projectlocatie woonachtig is (circa 875 meter) en daar, zeker in de zomermaanden, niet volop zicht op heeft, heeft hij ter zitting – door verweerder niet weersproken – gesteld dat er twee toegangswegen naar de projectlocatie leiden (één via de [nummer 3] en één via de [naam weg 2]).
[eiser 1] is woonachtig aan de [adres 2], over welke weg moet worden gereden indien de projectlocatie via de toegangsweg de [naam weg 2] wordt bezocht. Niet uitgesloten is aldus dat ten gevolge van het project voertuigen langs de woning van [eiser 1] zullen rijden. Evenmin is uitgesloten dat ten gevolge van het project – in feitelijke zin – sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen in de directe (woon)omgeving van
.

3.5

De rechtbank is voorts – anders dan verweerder – van oordeel dat de belangen van eisers sub 2 door verwezenlijking van het project rechtstreeks kunnen worden geraakt en overweegt hiertoe als volgt. De woning van eisers sub 2 ligt op een afstand van circa 175 meter van het geprojecteerde crematorium. Eisers sub 2 hebben onbeperkt zicht op het crematorium. Voorts is de ruimtelijke uitstraling van het crematorium gelet op de daarin aangebrachte geleding, de hoogte daarvan en de plaatsing in het verder relatief vlakke en open landschap, dusdanig dat niet kan worden geoordeeld dat de belangen van eisers sub 2, ondanks de betrekkelijk grote afstand van hun woning tot het crematorium, niet rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken.

3.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser 1] en eisers sub 2 als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het bestreden besluit zijn aan te merken. Dit betekent dat de rechtbank hun beroepen, net als die van eisers sub 3 en 4, in het hierna volgende inhoudelijk zal beoordelen.

4. Eiseres sub 3 betoogt dat verweerder de zienswijze die zij op 31 juli 2013 tegen de ontwerpbeschikking heeft ingebracht en die door verweerder op 1 augustus 2013 is ontvangen niet heeft vermeld in en heeft betrokken bij het nemen van het bestreden besluit. Verweerder heeft bij een aan eiseres sub 3 gericht e-mailbericht van 4 december 2014 alsmede ter zitting bevestigd dat hij haar zienswijze ten onrechte niet heeft betrokken bij het nemen van het bestreden besluit. Het bestreden besluit is gelet hierop in strijd met het in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb neergelegde zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel genomen.

5.1

[eiser 1] betoogt dat de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar ten behoeve van het project ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) heeft afgegeven.

5.2

Op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor wordt, voor zover van belang, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft (…).

Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Op grond van artikel 3.11, derde lid, van de Wabo, voor zover van belang, kunnen zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Awb naar voren worden gebracht, mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring. Voor zover dat het geval is, zendt het bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag.

5.3

De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad met het voor dit geding van belang zijnde raadsbesluit van 10 december 2012 heeft beoogd gebruik te maken van de aan hem in artikel 6.5, derde lid, van het Bor gegeven bevoegdheid om categorieën van gevallen aan te wijzen waarin een verklaring, als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, niet is vereist. Onder 7 is in het raadsbesluit de volgende categorie aangewezen: “Als het ontwerpbesluit en de ontwerpverklaring van geen bedenkingen ter inzage hebben gelegen en er door belanghebbenden geen relevante zienswijzen zijn ingediend, is geen definitieve verklaring van geen bedenkingen vereist.”

5.4

De rechtbank ziet zich allereerst (ambtshalve) gesteld voor de vraag of onderdeel 7 zoals dat is neergelegd in het raadsbesluit van 10 december 2012 in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel een algemeen rechtsbeginsel.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in zijn uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3207, heeft heeft overwogen bevat artikel 6.5, derde lid, van het Bor geen vereisten voor de aanwijzing en houdt dat artikel evenmin een beperking in voor de categorieën die opgenomen kunnen worden in de aanwijzing.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aanwijzing in onderdeel 7 in strijd is met artikel 6.5 van het Bor. Gelet op de tekst van artikel 6.5, derde lid, van het Bor dient de gemeenteraad categorieën van gevallen aan te wijzen waarin een verklaring niet is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever hiermee beoogd aan de gemeenteraad de ruimte te laten om projecten en activiteiten te benoemen ten aanzien waarvan hij het aan het college overlaat te beoordelen of van het geldende bestemmingsplan kan worden afgeweken. Onderdeel 7 is naar het oordeel van de rechtbank niet als een zodanig geval aan te merken, omdat dat onderdeel, anders dan de overige onderdelen die in het raadsbesluit zijn opgenomen, niet ziet op een project of een activiteit. Met onderdeel 7 is in feite beoogd de in artikel 3.11, derde lid, van de Wabo geregeld procedure die moet worden gevolgd indien een vvgb is vereist en tegen de ontwerp-vvgb zienswijzen zijn ingebracht te omzeilen. Onderdeel 7 moet dan ook in strijd met de onder 5.2 weergegeven wettelijke voorschriften worden geacht.

In beginsel brengt het voorgaande met zich dat aan onderdeel 7 van het raadsbesluit van
10 december 2012 verbindende kracht moet worden ontzegd. De rechtbank stelt echter vast dat de gemeenteraad op 21 januari 2015 – en daarmee na het bestreden besluit – een nieuw raadsbesluit heeft genomen waarbij hij wederom zeven gevallen heeft aangewezen waarin geen vvgb is vereist. Het daarin opgenomen nieuwe onderdeel 7 komt overeen met het oude onderdeel 7. Met het nieuwe raadbesluit kan het raadsbesluit van 10 december 2012 en het daarvan onderdeel uitmakende onderdeel 7 geacht worden te zijn vervangen, zodat dat onderdeel thans niet meer onverbindend kan worden verklaard.

Dit laat echter onverlet dat verweerder zich, gelet op het voorgaande, ten tijde hier van belang niet op onderdeel 7 van het raadsbesluit van 10 december 2012 heeft kunnen baseren. Dit betekent dat een (definitieve) vvgb op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor was vereist.

De rechtbank stelt vast dat deze niet is verleend. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder het kopje “Verklaring van geen bedenkingen” onder verwijzing naar het voornoemde onderdeel 7 ook gesteld dat deze niet is verleend, omdat deze niet was vereist. Het enkel ter inzage leggen van de bij het raadsbesluit van 12 juni 2014 afgegeven ontwerp-vvgb tegelijkertijd met de definitieve omgevingsvergunning maakt niet, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, dat de ontwerp-vvgb als een definitieve vvgb kan worden aangemerkt. Daarvoor is immers afzonderlijke besluitvorming door de gemeenteraad vereist.

5.5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning voor het project te verlenen. De beroepsgrond slaagt.

6. De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat het project in strijd is met de ter plaatse op grond van het bestemmingsplan “Westerland Zuid” geldende bestemmingen “Detailhandel (DH)” en “Waarde-Ecologie-weidvogelleefgebied (WR-E-WVLG)”.

7. Verweerder heeft voor het project met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning verleend voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

8. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan een omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

9. De beslissing om al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

10. Verweerder heeft aan het bestreden besluit de “Ruimtelijke onderbouwing. Crematorium [adres 3]” van Buro SRO (de ruimtelijke onderbouwing) ten grondslag gelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder voorts op de ingebrachte zienswijzen, met uitzondering van die van eiseres sub 3, gereageerd.

11.1

Eisers betogen dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, omdat uit de ruimtelijke onderbouwing – in strijd met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – niet blijkt dat het project voorziet in een actuele regionale behoefte. Uit een door eiseres sub 3 overgelegd rapport “Toetsing van de ruimtelijke onderbouwing. Crematorium Alkmaar” van [naam bedrijf 1] ingenieurs en adviseurs van 29 januari 2015 - dat eiseres sub 4 bij brief van 31 maart 2015 heeft onderschreven - blijkt ook dat het project niet in zo een behoefte voorziet.

11.2

Op grond van artikel 5.20 van het Bor zijn, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden: er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

Op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in dit besluit en de hierop berustende bepalingen verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

11.3

Verweerder heeft zich in het verweerschrift, in afwijking van de ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt gesteld dat het project niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat artikel 3.1.6., tweede lid, van het Bro in dit geval toepassing mist. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. De rechtbank overweegt daartoe dat met het project een volledige functiewijziging mogelijk wordt gemaakt, welke functie bovendien niet binnen reeds bestaande bebouwing kan worden uitgeoefend. Ter plaatse is op grond van de huidige bestemming detailhandel toegestaan. Het project voorziet in de bouw van een crematorium. Het ter plaatse gevestigde tuincentrum dient daartoe te worden gesloopt. Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze omstandigheden sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro dient te worden getoetst.

11.4

In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat de onderbouwing inzake artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro overeenkomt met die inzake de artikelen 14 en 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV).

In paragraaf 2.2.2 “Provinciale Structuurvisie/Provinciale Ruimtelijke Verordening” van de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat de gemeente Alkmaar op dit moment geen eigen crematorium heeft. In de huidige situatie functioneren meerdere crematoria in de regio Alkmaar waarbij de zuidelijk gelegen crematoria Velsen, Zaandam en Haarlem het grootste marktaandeel hebben. In noordelijke richting is de vestiging in Schagen het grootste. Alkmaar ligt daar precies tussenin. Als verzorgingsgebied voor een crematorium wordt doorgaans een straal van 15 kilometer aangehouden. Bij de beoordeling is uitgegaan van zeven crematoria, inclusief het nieuwe crematorium in Heerhugowaard.

In diezelfde paragraaf is aangegeven dat naast de toename in het aantal crematies thans een toenemende wens vanuit de maatschappij bestaat voor een persoonlijke benadering van crematiediensten met ruimte en tijd voor individuele invulling van de uitvaart. Met het project is hiermee rekening gehouden.

Daarnaast is aangegeven dat voor circa 1.700 overlijdens per jaar een beroep zal worden gedaan op uitvaartvoorzieningen in Alkmaar, waarvan het aandeel crematies circa 60% bedraagt, zodat een aantal crematies van circa 1.000 per jaar wordt verwacht. Het crematorium in Alkmaar zal niet de gehele regio bedienen, mede gezien de al aanwezige crematoria. Voor de crematoria in Alkmaar en Heerhugowaard wordt in totaal een aantal crematies verwacht van circa 1.700. Het reeds bestaande crematorium in Heerhugowaard en het nieuwe crematorium in Alkmaar kunnen dan ook gezond naast elkaar bestaan. Hiermee is het nut en de noodzaak van het crematorium in Alkmaar aangetoond, zo staat verder in de ruimtelijke onderbouwing vermeld.

11.5

In het door eiseres sub 3 overgelegde en door eiseres sub 4 onderschreven rapport [naam bedrijf 1] is voor de beoordeling uitgegaan van dezelfde zeven bestaande crematoria als in de ruimtelijke onderbouwing.

Aangegeven is dat sprake is van een sterke overlap van verzorgingsgebieden van de zeven bestaande crematoria. Blijkens het rapport moet thans van een jaarlijks aantal crematies van 5.186 worden uitgegaan binnen de afgebakende regio. Dat aantal zal tot circa 7.727 oplopen in 2039. Indien de berekende, uiterste crematiebehoefte in 2039 vergeleken wordt met de bestaande capaciteit in de regio, blijkt dat binnen de afgebakende regio ruim voldoende crematiecapaciteit bestaat om in de behoefte te voorzien, nu en na 2039. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat alle binnen het onderzoek beschreven crematoria zijn ingericht op de capaciteit van het aantal ovens dat ze vertegenwoordigen.

Voorts is in het rapport aangegeven dat de afstand tot een crematorium voor inwoners van doorslaggevend belang is. 69,3% van de crematiebehoefte wordt thans opgevangen door de vier crematoria die het dichtst bij de kern van Alkmaar zijn gelegen op afstanden van respectievelijk 11,3, 21,3, 24,7 en 28,1 kilometer. Het gaat om een aantal van circa 3.595 crematies per jaar. Indien de behoefte wordt afgezet tegen de bestaande capaciteit blijkt volgens het rapport dat binnen de regio Alkmaar een capaciteit bestaat van 7.500 crematies per jaar en daarmee een overcapaciteit van circa 3.905.

Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in de regio Alkmaar op dit moment geen behoefte bestaat aan uitbreiding van de crematiecapaciteit. Slechts indien een sterke stijging van de crematiebehoefte zou plaatsvinden met meer dan 3.905 crematies per jaar zou de kwaliteit van de dienstverlening in de regio Alkmaar onder druk komen te staan. Het is volgens het rapport echter niet aannemelijk dat zo een stijging zal plaatsvinden.

In het rapport wordt verder geconcludeerd dat voor de oprichting van een crematorium in of nabij Alkmaar geen aangetoonde noodzaak bestaat. De bestaande crematoria zijn in staat om bij een crematiecijfer van 61% en bij een gehandhaafd sterftepromillage geheel in de crematiebehoefte te voorzien. De kwaliteit en de capaciteit van dienstverlening staan door de crematiebehoefte – zowel in de grotere, afgebakende regio als in de regio Alkmaar – in de huidige situatie niet onder druk.

11.6

De rechtbank overweegt dat in de toelichting behorende bij artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (Staatsblad 2012, 388, p. 49 e.v.), voor zover van belang, het volgende is overwogen: “Teneinde zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren, acht het kabinet het van belang dat provincies en gemeenten de benutting van ruimte motiveren in alle categorieën ruimtelijke besluiten. (…) Onderdeel a van het tweede lid (nieuw) verplicht provinciale en gemeentelijke overheden om nieuwe stedelijke ontwikkelingen af te stemmen op de geconstateerde actuele behoefte, en de wijze waarop in die behoefte wordt voorzien ook regionaal af te stemmen. Op deze wijze wordt over- en ondercapaciteit zoveel mogelijk voorkomen. De behoefte kan zowel kwantitatief als kwalitatief van aard zijn. Deze verplichting moet leiden tot een regionale afstemming bij de invulling van een kwantitatieve of kwalitatieve woningbehoefte (in verschillende segmenten en woonmilieus) of bij een behoefte aan bedrijventerreinen (in verschillende milieucategorieën), kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen. Deze trede bewerkstelligt dat, wanneer wordt overwogen om nieuwe stedelijke ontwikkelingen ruimtelijk mogelijk te maken, overheden beoordelen of er concreet behoefte bestaat aan de betreffende vorm van verstedelijking van de betreffende kwaliteit. Of de behoefte actueel is, wordt onder meer bepaald aan de hand van de vraag of reeds elders in de regio een stedelijke ontwikkeling is gepland of plaatsvindt die in die behoefte kan voorzien. (…) Naast de kwantitatieve behoefte (aantal hectares of aantallen woningen) gaat het ook om kwalitatieve behoefte (bijvoorbeeld een bedrijventerrein waar zware milieuhinder mogelijk is of een specifiek woonmilieu) op regionale schaal. Bij deze beoordeling dient de behoefte te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. In dat aanbod zitten ook de leegstaande woningen, kantoren, winkelpanden en bedrijventerreinen.”

11.7

Gelet op deze toelichting is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling of aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is voldaan de kernvraag is of in de regio Alkmaar behoefte bestaat aan een nieuw crematorium. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder, gelet op het onder 11.4 overwogene, slechts heeft onderzocht hoeveel mensen binnen de regio Alkmaar zich willen laten cremeren en of het beoogde nieuwe crematorium in Alkmaar en het reeds bestaande crematorium in Heerhugowaard na de komst van het nieuwe crematorium gezond naast elkaar kunnen bestaan. Verweerder heeft daarmee, gelet op de voornoemde toelichting en anders dan en afgezet tegen het concreet onderbouwde rapport van [naam bedrijf 1] waarin wel op voormelde kernvraag is ingegaan, een te beperkt onderzoek verricht. Verweerder heeft aan het door hem verrichte onderzoek dan ook niet zonder meer de vergaande conclusie kunnen verbinden dat met het project in een actuele regionale behoefte wordt voorzien. Althans niet zonder de bevindingen uit het rapport van [naam bedrijf 1] concreet gemotiveerd te weerspreken. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd en niet voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

11.8

Ook deze beroepsgrond slaagt.

12.1

[eiser 1] en eisers sub 2 voeren verder aan dat het beoogde gebouw veel hoger is dan de huidige bebouwing en bovendien wordt voorzien van een opvallende dakbedekking. Het landelijke uitzicht wordt hierdoor verminderd. Eisers sub 3 en 4 betogen daarnaast dat het project in strijd is met de Structuurvisie Alkmaar Westrand structuurvisie 2030 (de Structuurvisie), omdat daarin is gespeculeerd op het in de toekomst laten aansluiten van de locatie op dan wel het integreren van de locatie in het open weidevogelgebied. Het project detoneert echter met het open weidevogelgebied.

12.2

In de Structuurvisie is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “In de meest zuidelijke punt van het plangebied ligt een tuincentrum (…). Deze blijft op de huidige locatie gehandhaafd. Indien het tuincentrum in de toekomst verdwijnt, dient gestreefd te worden naar een functie waarbij de inrichting van het terrein transparanter wordt. In het meest ideale geval wordt het weer open weidegebied, indien dat niet mogelijk blijkt zou het terrein rond de bebouwing een meer open karakter moeten krijgen zodat er vanaf de [naam weg 1] meer zicht op het open weidegebied achter de kavel ontstaat.”

12.3

In de paragrafen 2.3.1 “Structuurvisie Westrand Alkmaar” en 2.3.2 “Ruimtelijke uitgangspunten” van de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op uitgangspunten inzake de inpassing van het crematorium in de omgeving. In de onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing uitmakende “Crematorium [adres 3]. Uitwerking Ruimtelijke Kwaliteit” (Uitwerking Ruimtelijke Kwaliteit) is gedetailleerd op de inpasbaarheid van het project in de omgeving ingegaan. Hierbij zijn betrokken en is acht geslagen op de (openheid van de) omgeving, de architectonische vormgeving van het beoogde gebouw en de positionering, uitstraling en detaillering daarvan.

12.4

Hoewel eisers niet kan worden ontzegd dat met het project niet in het ideale scenario als omschreven in de Structuurvisie wordt voorzien, stelt de rechtbank vast dat er in de ruimtelijke onderbouwing en de daaraan ten grondslag gelegde Uitwerking Ruimtelijke Kwaliteit uitgebreid aandacht is besteed aan de inpasbaarheid van het project in de omgeving. Uitgebreid en concreet is gemotiveerd waarom het aanvaardbaar is het onderhavige project op de beoogde plek in te passen. Eisers hebben deze uitgebreide en concrete onderbouwing niet concreet gemotiveerd bestreden, zodat er onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat het project in zoverre niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

12.5

De beroepsgrond slaagt niet.

13.1

[eiser 1] en eisers sub 2 en 3 betogen voorts dat ten gevolge van het project een absolute toename van het aantal verkeersbewegingen is te verwachten, welk een negatieve invloed heeft op het landschap. Het aantal verkeersbewegingen waarvan in de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan is niet realistisch. Het huidige tuincentrum is niet rendabel en trekt maximaal 15 auto’s per dag. In de ruimtelijke onderbouwing is er verder ten onrechte van uitgegaan dat er vier diensten per dag in het crematorium plaatsvinden. Er had van acht diensten moeten worden uitgegaan.

13.2

In paragraaf 3.2 “Verkeer en parkeren” van de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat voor het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van CROW, publicatie 317. Voor het tuincentrum moet volgens die publicatie worden uitgegaan van de oppervlakte van zowel bebouwing als buiten verkoopruimte. Dit betreft 2.000 m2 bebouwing en 1.500 m2 buitenruimte, in totaal 3.500 m2. Voor het crematorium is uitgegaan van vier diensten per dag. Voor het overige is als uitgangspunt voor de berekening de ligging in het “buitengebied” gehanteerd.

Het tuincentrum genereert, uitgaande van een norm van minimaal 15,1 en maximaal 18,0 voertuigen per 100 m2 bvo, minimaal 528 en maximaal 630 verkeersbewegingen.

Het crematorium genereert, uitgaande van een norm van minimaal 34,8 en maximaal 48,6 voertuigen per dienst, minimaal 139 en maximaal 194,4 verkeersbewegingen. Geconcludeerd wordt gelet hierop dat de te verwachten verkeersgeneratie van het crematorium lager ligt dan die van het tuincentrum. Bovendien komt het vrachtverkeer van en naar het tuincentrum te vervallen. Vanuit dit oogpunt is de [adres 3] dan ook voldoende ingericht om een adequate en veilige afwikkeling van het verkeer mogelijk te maken, zo staat in de ruimtelijke onderbouwing vermeld. Wel zal sprake zijn van een groter piekaanbod van verkeer. De verkeersbewegingen vonden bij het tuincentrum meer gespreid over de dag plaats. Daarom moet rekening worden gehouden met passeerbewegingen en het langzame verkeer. De komst van het crematorium heeft tot gevolg dat er op piekmomenten een grotere uitwisseling plaatsvindt van wegrijdend en aankomend autoverkeer op de [adres 3]. Om het onderling passeren van het autoverkeer mogelijk te maken is het noodzakelijk dat de weg voor het gedeelte tussen het crematorium en het kruispunt met de [nummer 3] naar minimaal vijf meter te verbreden. De omgevingsvergunning voorziet ook daarin.

13.3

De rechtbank overweegt dat verweerder uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient te onderzoeken hoeveel verkeersbewegingen de met het project toegestane functie met zich brengt. Verweerder heeft hierbij beleidsvrijheid ten aanzien van de te hanteren verkeersnormen. Verweerder kon derhalve bij dit onderzoek gebruik maken van de CROW kengetallen.

13.4

De rechtbank overweegt verder dat bij de beoordeling hoeveel verkeersbewegingen het voorziene project met zich brengt een vergelijking moet worden gemaakt tussen het maximaal aantal mogelijke verkeersbewegingen onder het huidige en het toekomstige planologische regime. De feitelijke situatie is niet van belang.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing een dergelijke vergelijking heeft gemaakt. Ter zitting heeft verweerder verder verduidelijkt dat hij er op basis van door derde-partij aangeleverde gegevens van uitgaat dat per dag maximaal vier diensten in het crematorium zullen plaatsvinden. Dit aantal diensten is ook terug te lezen in zowel paragraaf 2.2.2 “Provinciale Structuurvisie/ Provinciale Ruimtelijke Verordening” als in paragraaf 3.2 “Verkeer en parkeer” van de ruimtelijke onderbouwing. Omdat de ruimtelijke onderbouwing deel uitmaakt van het bestreden besluit is het aantal diensten dat per dag in het crematorium op basis van de onderhavige omgevingsvergunning is toegestaan beperkt tot vier per dag. Voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het aantal verkeersbewegingen uit had dienen te gaan van acht diensten in het crematorium per dag bestaat, nog daargelaten dat eisers dat aantal niet aan de hand van objectieve, concrete gegevens hebben onderbouwd, gelet hierop, onvoldoende grond.

13.5

De rechtbank stelt vast dat eisers de door verweerder verrichte berekening inzake het aantal verkeersbewegingen niet concreet gemotiveerd hebben bestreden, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet aan de uitkomsten van die berekening te twijfelen. Zelfs als bij de berekening van het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie zou zijn uitgegaan van een maximaal aantal verkeersbewegingen van 15,1 per dag per 100 m2 bvo en daarmee van de minimum- in plaats van de maximumnorm, zou tot de conclusie zijn gekomen dat de te verwachten verkeersgeneratie van het crematorium (ver) achterblijft bij die van het bestaande tuincentrum (194,4 verkeersbewegingen versus 528 verkeersbewegingen).

Ook op dit punt bestaat er onvoldoende grond voor het oordeel dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

13.6

De beroepsgrond slaagt niet.

14.1

Eisers sub 2 betogen voorts dat het project met 148 parkeerplaatsen in te weinig parkeerplaatsen voorziet. De parkeerbehoefte bestaat, uitgaande van twee gelijktijdige diensten, uit 180 parkeerplaatsen.

14.2

In paragraaf 3.2 “Verkeer en parkeren” van de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat het parkeren op eigen terrein wordt opgelost. In het ontwerp zijn voor het gebouw 148 parkeerplaatsen opgenomen. De te hanteren parkeernorm bedraagt 30 parkeerplaatsen per dienst, uitgaande van vier diensten per dag. Bij gelijktijdige diensten zijn derhalve minimaal 120 parkeerplaatsen nodig. Hoewel geen sprake zal zijn van vier gelijktijdige diensten, voldoet het aantal parkeerplaatsen aan die norm.

14.3

De rechtbank stelt vast dat eisers sub 2 de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen zoals opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing niet met concrete, objectieve gegevens hebben bestreden. De enkele stelling dat het project volgens eisers sub 2 voorziet in een behoefte aan 180 parkeerplaatsen acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank ziet, mede gelet op het onder 13.4 overwogene, dan ook geen aanleiding aan de juistheid van de door verweerder verrichte berekening te twijfelen.

14.4

De rechtbank overweegt verder dat ter zitting is komen vast te staan dat ten onrechte de tekening “CVri d000. Bouwaanvraag, Situatie” van 22 april 2014, waarop 112 in plaats van 148 parkeerplaatsen zijn ingetekend, als tot het bestreden besluit behorend gewaarmerkt document is aangemerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden nu uit het bestreden besluit duidelijk blijkt dat onderdeel van dat besluit vormt de tekening “CVri d000. Situatie” van 10 november 2014, waarop, naar verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld, 148 parkeerplaatsen zijn ingetekend. Daarnaast zijn eisers door deze omissie van de zijde van verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in hun belangen geschaad, nu zij er bij hun betoog van zijn uitgegaan dat het project in 148 parkeerplaatsen voorziet.

Ook op dit punt bestaat er gelet op het voorgaande onvoldoende grond voor het oordeel dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

14.5

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

15.1

[eiser 1] en eisers sub 2 en 3 voeren verder aan dat het opvallend is dat met het project wordt afgeweken van het bestemmingsplan “Westerland Zuid” dat zeer recent is vastgesteld. Volgens eisers is het project ten onrechte niet meegenomen bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Hierdoor zijn zij in hun inspraak- en beroepsmogelijkheden beperkt.

15.2

De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid de bevoegdheid heeft om door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning af te wijken van een bestemmingsplan, ook indien dat recent is vastgesteld. Belanghebbenden hebben ook gedurende een vergunningprocedure voldoende mogelijkheden om hun bezwaren kenbaar te maken.

15.3

De beroepsgrond slaagt niet.

16.1

Eisers voeren voorts aan dat het project in strijd is met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de PRV, nu de noodzaak van het project niet is aangetoond. Uit het rapport van [naam bedrijf 1] blijkt dat sprake is van een overschot aan uitvaartfaciliteiten en dat een eventuele groei aan crematies in de toekomst eenvoudig met de bestaande faciliteiten kan worden opgevangen.

16.2

Op grond van artikel 14, eerste lid, van de PRV in samenhang bezien met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de PRV mag de omgevingsvergunning niet voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in

artikel 2 van deze verordening, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking

als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening.

Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de PRV, voor zover van belang, kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13, indien: de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond.

16.3

Niet in geschil is dat het project voorziet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de PRV.

16.4

De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling of aan de afwijkingsregel als neergelegd in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de PRV is voldaan de kernvraag is of het crematorium noodzakelijkerwijs moet komen op de beoogde locatie. Verweerder heeft ter zitting, in afwijking van de ruimtelijke onderbouwing, gesteld dat het bij de invulling van het begrip “noodzaak” met name gaat om de vraag of het noodzakelijk is het gebied ter plaatse verder te (her)ontwikkelen en daaraan een kwaliteitsimpuls te geven. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd.

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (GS) hebben zich in hun brief van 17 juni 2014 weliswaar op het standpunt gesteld dat de noodzaak van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wat hun betreft is aangetoond, niet duidelijk is evenwel op basis van welke gegevens GS hun standpunt hebben gebaseerd. Voor zover GS zich hebben gebaseerd op de gegevens als vermeld in de ruimtelijke onderbouwing inzake artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en de artikelen 14 en 15 van de PRV, konden zij, gelet op het onder 11.7 overwogene, op basis daarvan niet de vergaande conclusie trekken dat de noodzaak van het project is aangetoond.

16.5

Ook deze beroepsgrond slaagt.

17.1

Eisers betogen voorts dat het project in strijd is met artikel 25 van de PRV. De verbreding van de [adres 3] heeft een negatieve invloed op het weidevogelgebied. Er rijdt veel verkeer overheen. Er is geen groot openbaar belang met het project gediend en de noodzaak ontbreekt. De verkeersgevolgen zullen groter zijn dan bij het tuincentrum. Dit levert een verstoring op.

17.2

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de PRV in samenhang bezien met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de PRV voorziet een omgevingsvergunning die betrekking heeft op weidevogelleefgebieden, zoals op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven, niet in:

a de mogelijkheid van nieuwe bebouwing, anders dan binnen een bestaand bouwblok

of een uitbreiding daarvan;

b de mogelijkheid van aanleg van nieuwe weginfrastructuur;

c de mogelijkheid van aanleg van bossen of boomgaarden;

d de mogelijkheid verstorende activiteiten, buiten de huidige agrarische activiteiten, te verrichten die het weidevogelleefgebied verstoren, en;

e de mogelijkheid werken uit te voeren die realisatie van nieuwe peilverlagingen

mogelijk maken.

Op grond van artikel 25, derde lid, van de PRV kan in afwijking van het eerste lid een

omgevingsvergunning wel voorzien in de in dat lid omschreven ontwikkelingen indien dit

geschiedt ten behoeve van:

a een ingreep waarvoor geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is en waarmee

bovendien een groot openbaar belang wordt gediend;

b. (…);

c. (…) of;

d een ingreep die netto geen verstoring van het weidevogelleefgebied geeft.

17.3

In de ruimtelijke onderbouwing is in paragraaf 2.2.2. “Provinciale Structuurvisie/Provinciale Ruimtelijke Verordening” onder het kopje “Onderbouwing artikel 25 PRV” geconcludeerd dat geen sprake is van schade aan het weidevogelleefgebied. In dit kader is verwezen naar het “Flora- en faunaonderzoek. [adres 3]” van Bureau [naam bedrijf 2] van 18 december 2013 (het flora en fauna-onderzoek). Uit dit onderzoek blijkt, zo staat in de ruimtelijke onderbouwing vermeld, dat het effect van het project op het weidevogelleefgebied als te verwaarlozen kan worden beschouwd. Hierbij is in aanmerking genomen dat rond het plangebied al weinig weidevogels voorkomen en dat rond het plangebied verschillende verstoringsvormen optreden, zodat het gebied nooit een hoogwaardig weidevogelgebied zal worden. Bovendien is het waarschijnlijk dat de dunne vinnen die op het beoogde gebouw zijn aangebracht minder verstorend zullen zijn dan een massief gebouw met dezelfde hoogte als de vinnen. Het aandeel van de extra hoogte zal relatief klein zijn.

In het bestreden besluit is daarnaast betoogd dat het project voorziet in het verbreden van een bestaande weg van 4 meter naar 5 meter. De weg ligt aan de rand van het weidevogelleefgebied. Daarnaast bevindt zich in de directe omgeving, aan de overkant van de randweg, een bomensingel. De weg grenst niet direct aan het weidegebied. Er bevindt zich een sloot of het perceel van de het crematorium tussen de weg en het weidegebied. Hierdoor is de impact op het leefgebied minimaal.

17.4

De rechtbank is van oordeel dat met het onder 17.3 overwogene concreet gemotiveerd is uiteengezet waarom het project netto geen verstoring van het weidevogelleefgebied geeft als bedoeld in artikel 25, derde lid, aanhef en onder d, van de PRV. Eisers hebben deze uiteenzetting niet met concrete, objectieve gegevens bestreden.

Omdat de situaties als omschreven in artikel 25, derde lid, van de PRV, gelet op het woord “of” in artikel 25, derde lid, aanhef en onder c, van de PRV, niet cumulatief zijn geformuleerd, behoefde in de ruimtelijke onderbouwing, anders dan eisers hebben verondersteld, niet ook nog te worden ingegaan op de vraag of het een project betreft waarvoor geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is en waarmee bovendien een groot openbaar belang wordt gediend.

17.5

De beroepsgrond slaagt niet.

18.1

Eisers sub 2 betogen voorts dat de verbreding van de [adres 3] een negatieve invloed heeft op het weidevogelgebied.

18.2

In artikel 21.1 van de planregels, voor zover van belang, is bepaald dat de als 'Waarde - Ecologie - Weidevogelleefgebied' aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van het weidevogelleefgebied, (…).

In artikel 21.5, onder a en onder 5, van de planregels is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het

aanleggen) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren:

het aanleggen en verharden van wegen, paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

In artikel 21.5, onder c, van de planregels is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het aanleggen kan worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden, sprake zou zijn van een onevenredige aantasting van het leefgebied van weidevogels.

In artikel 21.5, onder d, van de planregels is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het aanleggen slechts kan worden verleend indien een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de betreffende werkzaamheden voor het leefgebied van de weidevogels heeft

plaatsgevonden.

18.3

De rechtbank is, onder verwijzing naar het onder 17.3 en 17.4 overwogene, van oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing concreet gemotiveerd is uiteengezet waarom het project netto geen verstoring van het weidevogelleefgebied geeft en aldus dat het project geen onevenredige aantasting van het leefgebied van weidevogels teweegbrengt als bedoeld in artikel 21.5, onder c, van de planregels. Eisers hebben de uiteenzetting, zoals hiervoor overwogen, niet met concrete, objectieve gegevens bestreden.

18.4

De beroepsgrond slaagt niet.

19.1

[eiser 1] en eisers sub 2 betogen verder dat voor het project een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (Ffw) is vereist en dat deze ten onrechte niet is verleend. Een paarverblijf van de beschermde Gewone Dwergvleermuis zal worden verstoord en vernietigd, zo volgt uit het “Najaarsonderzoek Vleermuizen. [adres 1]” van 21 oktober 2014 van Bureau [naam bedrijf 2] (het najaarsonderzoek).

19.2

Op grond van artikel 75b, eerste lid, van de Ffw is de afdeling 2a “Omgevingsvergunning” van toepassing op handelingen:

a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en

b. die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan Onze Minister op grond van artikel 75, derde lid, bevoegd is ontheffing te verlenen

Op grond van artikel 75c, eerste lid, van de Ffw draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag tevens betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 75b, eerste lid.

19.3

Gelet op artikel 75c, eerste lid, van de Ffw moet worden bezien of verweerder zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is aangevraagd en verleend geen handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, van de Ffw omvatten.

19.4

Voor zover eisers hebben bedoeld te betogen dat de onderhavige omgevingsvergunning niet eerder kon worden verleend dan nadat een ontheffing op grond van de Ffw wegens verstoring van een paarverblijf van de beschermde gewone dwergvleermuis zou zijn verleend, overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens het flora- en faunaonderzoek is een zogeheten quick scan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied uitgevoerd. Wat betreft de vaste verblijfsplaatsen van de door eisers genoemde vleermuizen is volgens het onderzoek nader onderzoek gewenst.

Vervolgens is door de opsteller van het flora- en faunaonderzoek het najaarsonderzoek opgesteld. In het najaarsonderzoek is geconcludeerd is dat in de gebouwen vleermuizen aanwezig kunnen zijn, zodat daarom voor de sloop daarvan werende maatregelen dienen te worden genomen om de vleermuizen naar elders te bewegen.

Uit de hiervoor genoemde onderzoeken volgt dat als de vleermuizen waar eisers op doelen al vestoord zouden kunnen geraken, dit vanwege het slopen van reeds bestaande bebouwing (behorende bij het tuincentrum) zou zijn. De rechtbank stelt echter vast dat de onderhavige omgevingsvergunning niet ziet op het slopen van reeds bestaande bebouwing. Er is vergunning verleend voor de activiteiten bouwen, aanleggen, strijd met het bestemmingsplan, uitweg, kappen en reclame. De activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is aangevraagd en verleend omvatten wat betreft de door eisers genoemde vleermuizen dan ook geen handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw waarvoor een ontheffing op grond van die wet is vereist.

19.5

De beroepsgrond slaagt niet.

20.1

Eiseres sub 3 betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Uit een brief van verweerder van 14 mei 2007 gericht aan eiseres sub 3 volgt dat verweerder heeft toegezegd dat er in Alkmaar geen crematorium komt, indien er in Heerhugowaard een crematorium komt. Zelfs als er geen crematorium in Heerhugowaard komt, dan heeft verweerder aangegeven te zullen overwegen en beoordelen of Alkmaar een geschikt alternatief is. Eiseres sub 3 heeft inmiddels in Heerhugowaard een uitvaartcentrum met crematorium gerealiseerd en sinds medio 2014 in gebruik genomen.

20.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling – zie bijvoorbeeld de uitspraak van

25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3895 ‒ is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

20.3

In de brief van 14 mei 2007 van verweerder aan eiseres sub 3 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Al enige tijd is de gemeente Alkmaar naar aanleiding van verschillende verzoeken (onder meer van uw organisatie) de mogelijkheden aan het onderzoeken voor de vestiging van een crematorium in Alkmaar. Daarbij zijn verschillende locaties aan de orde en door het college is een potentiele locatie aangewezen voor verder onderzoek naar de haalbaarheid. Tijdens recent overleg tussen de gemeente Alkmaar en de gemeente Heerhugowaard is gebleken dat ook in Heerhugowaard de mogelijkheden voor de vestiging van een crematorium worden onderzocht. In Heerhugowaard is er zelfs sprake van een raadsuitspraak ten gunste van een crematorium. In alle contacten met u heeft de gemeente Alkmaar steeds aangegeven een crematorium als voorziening voor de regio zeer belangrijk te vinden, maar tegelijkertijd is steeds aangegeven dat dit niet noodzakelijkerwijs in Alkmaar hoeft te zijn. Om die reden is er nader overleg geweest met de gemeente Heerhugowaard. Op grond daarvan is geconcludeerd dat er reële kansen zijn op vestiging van een crematorium in Heerhugowaard en dat er geen reden is op dit terrein als buurgemeenten te gaan concurreren. Besloten is dan ook vooralsnog het onderzoek naar vestigingsmogelijkheden in Alkmaar te staken en de resultaten van de ontwikkelingen in Heerhugowaard af te wachten. (…) Mocht onverhoopt de ontwikkeling binnen Heerhugowaard geen doorgans vinden, dan kan alsnog bekeken worden of Alkmaar dan nog een alternatief is.”

20.4

De rechtbank is van oordeel dat in de brief van 14 mei 2007 geen toezegging namens verweerder aan eiseres sub 3 is vervat die inhoudt dat er geen crematorium in Alkmaar zal komen, indien er een crematorium in Heerhugowaard komt. In de brief is namens verweerder aan eiseres sub 3 slechts aangegeven dat het onderzoek naar de vestigingsmogelijkheden in Alkmaar vooralsnog zal worden gestaakt en de resultaten van de ontwikkelingen in Heerhugowaard zullen worden afgewacht.

20.5

Het beroep dat eiseres sub 3 op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan slaagt niet.

21.1

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen van [eiser 1] en eisers sub 2 tot en met 4 gegrond zijn. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen onder 4, 5, 11 en 16 is overwogen, een nieuw besluit op de aanvraag van derde-partij te nemen.

21.2

Wat betreft het onder 5 geconstateerde gebrek dient verweerder op grond van artikel 3.11, derde lid, van de Wabo alsnog de tegen de ontwerp-vvgb ingebrachte zienswijzen van eisers naar de gemeenteraad door te sturen en aan de gemeenteraad te vragen of hij bereid is een definitieve vvgb af te geven. Eerst indien de gemeenteraad een definitieve vvgb heeft afgegeven is verweerder bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank hecht eraan in dit verband op te merken dat, hoewel het raadsbesluit van 21 januari 2015 en het daarin opgenomen onderdeel 7 in dit geding niet ter toetsing voorliggen, het, gelet op hetgeen onder 5.4 is overwogen, niet in de rede ligt dat verweerder zich bij het nieuw te nemen besluit daarop beroept.

21.3

Wat betreft het onder 11 geconstateerde gebrek dient verweerder alsnog te onderzoeken of er een actuele behoefte bestaat aan een crematorium in de regio Alkmaar met inachtneming van hetgeen daarover in de toelichting behorende bij artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is opgenomen en zo ja, te onderbouwen hoe zijn conclusie zich verhoudt tot die genoemd in het rapport van [naam bedrijf 1].

21.4

Wat betreft het onder 16 geconstateerde gebrek dient verweerder alsnog te onderzoeken of en zo ja, aan te tonen dat het crematorium noodzakelijkerwijs moet komen op de beoogde locatie. Indien verweerder tot de conclusie komt dat de noodzaak van het project niet kan worden aangetoond, dient hij in overleg te treden met Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (GS). In het geval de noodzaak van het project niet valt aan te tonen is namelijk sprake van strijd met de PRV waarvoor GS een als vvgb aan te merken ontheffing dienen te verlenen alvorens verweerder tot omgevingsvergunningverlening kan overgaan. De rechtbank verwijst naar artikel 6.6, eerste lid, van het Bor en artikel 4.1a, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

21.5

De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat met name ten aanzien van de onder 11 en 16 geconstateerde gebreken onduidelijk is of en zo ja, binnen welke termijn deze kunnen worden hersteld. Voorts is onduidelijk of besluitvorming door GS in het kader van het onder 16 geconstateerde gebrek nodig is en zo ja, hoeveel tijd daarmee is gemoeid.

22. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de beroepsgrond van eiseres sub 3 dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar alternatieven onbesproken laten.

23. Omdat de rechtbank de beroepen van [eiser 1] en eisers sub 2 tot en met 4 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door hen betaalde griffierecht van in totaal € 992,00 (€ 165,00 ([eiser 1]) + € 165,00 (eisers sub 2) + € 331,00 (eiseres sub 3) en € 331,00 (eiseres sub 4) vergoedt.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres sub 3 gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van [eiser 2] en tweeëntwintig anderen niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen van [eiser 1] en eisers sub 2 tot en met 4 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van derde-partij;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 992,00 aan eisers te vergoeden op de wijze als hiervoor vermeld;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres sub 3 tot een bedrag van
€ 980,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.

de griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.