Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4353

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
15/870448-14 en 14/701418-12 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Zeven jaar gevangenisstraf opgelegd aan verdachte die verdacht werd van zeven woninginbraken en drie pogingen daartoe. Eén inbraak op 5 maart 2014 sprong daarbij in het oog omdat verdachte in de woning werd betrapt door de 88-jarige bewoonster. Verdachte raakte in paniek en sloeg haar meermalen tegen het hoofd, waardoor zij viel en ernstig hoofd- en hersenletsel opliep. De rechtbank ziet geen causaal verband tussen de dood van het slachtoffer en het door verdachte gebruikte geweld, maar komt ook niet tot een poging tot doodslag wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/870448-14 en 14/701418-12 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 27 mei 2015

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 en 13 mei 2015 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [plaats].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Visser en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair

hij op of omstreeks 05 maart 2014 te Alkmaar opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer] één of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 10 oktober 2014 is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in/uit een woning, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging, althans alleen, van een onbekend gebleven hoeveelheid goed(eren) en/of geld en/of een goudkleurig sieraad, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (artikel 310 jo artikel 311 sub 3/4/5 Wetboek van Strafrecht),

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair

hij op of omstreeks 05 maart 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]) van het leven te beroven, die [slachtoffer] één of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam heeft en/of gestompt, welke voren omschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in/uit een woning, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging, althans alleen, van een onbekend gebleven hoeveelheid goed(eren) en/of geld en/of een goudkleurig sieraad, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (artikel 310 jo artikel 311 sub 3/4/5 Wetboek van Strafrecht),

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 05 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres feit 1] heeft weggenomen een onbekend gebleven hoeveelheid goed(eren) en/of geld en/of een goudkleurig sieraad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voornoemde [slachtoffer] één of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]

zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen bestaande uit ernstig schedel- en/of hersenletsel en/of (meerdere) hoofdletsel(s) en/of een gebroken neus en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken (linker) (grote) teen, en/of

- (vervolgens) op 10 oktober 2014 is overleden;

Feit 2

Primair

hij op of omstreeks 04 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 2] heeft weggenomen een horloge (merk: Panerai) en/of een of meer onbekend gebleven goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij op of omstreeks 04 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 2] weg te nemen een of meerdere goed(eren) van zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s) gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot bovengenoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s) althans alleen, naar bovengenoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, met een breekijzer, althans met enig voorwerp, heeft geprobeerd om een deur open te breken en/of (vervolgens) een schuifpui en/of (een raam van een) schuifdeur van bovengenoemde woning heeft ingeslagen en/of (vervolgens) bovengenoemde woning is binnen gegaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2013 tot en met 01 oktober 2013 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 3] heeft weggenomen één of meer siera(a)d(en) en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 4

hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 4] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar die woning is/zijn gegaan, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) een raam van die woning heeft/hebben opengebroken en/of die woning heeft/hebben betreden en/of zoekend rondgekeken in die woning en/of één of meer kastjes doorzocht en/of geprobeerd een (tussen)deur te verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 5

hij in of omstreeks de periode 04 februari 2014 tot en met 5 februari 2014, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 5] heeft weggenomen een televisietoestel en/of een ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 6

hij op of omstreeks 13 februari 2014, omstreeks 2:30 uur, althans op een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 6] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar die woning is/zijn gegaan, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) de (voor)deur van die woning heeft/hebben opengebroken en/of zoekend heeft/hebben rondgekeken in die woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 7

hij op of omstreeks 14 februari 2014, omstreeks 3:00 uur, althans een voor de nachtrust bestemd tijdstip, te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 7] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar die woning is/zijn gegaan, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben geprobeerd de voordeur van die woning open te breken met een breekvoorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 8

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2014 tot en met 19 februari 2014, gedurende een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 8] heeft weggenomen twee, althans één of meer, fotocamera's en/of een (macro)lens en/of een statief, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 9

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2014 tot en met 27 februari 2014, tussen (ongeveer) 23:00 uur en 7:00 uur, in elk geval een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 9] heeft weggenomen een laptop en/of een portemonnee en/of een portefeuille en/of een geldbedrag van (ongeveer) 350 Euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 10

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2014 tot en met 03 maart 2014 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres feit 10] heeft weggenomen één of meer geldbedrag(en) en/of één of meer siera(a)d(en) en/of een laptop en/of een telefoon merk Nokia) en/of een boormachine en/of een boormachine en/of een camera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1 feit 10] en/of [slachtoffer 2 feit 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op 5 maart 2014 komt bij de politie te Alkmaar de melding binnen dat in de woning gelegen aan de [adres feit 1] te Alkmaar een inbraak heeft plaatsgevonden waarbij de bewoonster, mevrouw [slachtoffer], zwaar gewond is geraakt. Ongeveer zeven maanden later is zij overleden. Verdachte heeft bekend dat hij de inbraak aan de [adres feit 1] heeft gepleegd en dat hij daarbij de bewoonster meermalen in het gezicht heeft gestompt.

Dit feit is primair aan verdachte ten laste gelegd als een gekwalificeerde doodslag, subsidiair als poging tot gekwalificeerde doodslag, en meer subsidiair, als een diefstal met geweld. Eén van de vragen die de rechtbank dient te beoordelen is hoe voornoemd handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd. Het antwoord hierop hangt in het bijzonder samen met de vraag naar het causaal verband tussen het aan het slachtoffer toegebrachte letsel en de oorzaak van haar overlijden 7 maanden later.

Tijdens zijn verhoren heeft verdachte naast voornoemde inbraak ook een aantal andere inbraken, dan wel pogingen daartoe, bekend. In totaal zijn, naast het feit gepleegd aan de [adres feit 1] te Alkmaar, nog negen andere (pogingen tot) inbraken aan verdachte ten laste gelegd. De rechtbank dient te beoordelen of deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Verdachte heeft aangegeven dat hij voornoemde feiten, met uitzondering van de onder feit 1 ten laste gelegde geweldshandelingen, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte

[medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) heeft gepleegd. Verdachte heeft daartoe verklaard dat hij de feiten in opdracht van [medeverdachte], en/of op zijn aangeven, heeft gepleegd in verband met een schuld aan twee personen in het drugscircuit. [medeverdachte] zou bij de eerste woninginbraak aanwezig zijn geweest en bij de andere inbraken alle informatie over de woningen waar verdachte moest inbreken aan hem hebben verstrekt, met verdachte voorverkenningen hebben verricht, de weggenomen goederen in ontvangst hebben genomen en, aan verdachte het breekijzer waarmee hij de inbraken pleegde ter beschikking hebben gesteld.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 gerekwireerd tot vrijspraak van het primair aan verdachte ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde. De officier van justitie concludeert tot vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, omdat zij van mening is dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er causaal verband bestaat tussen de geweldshandelingen van verdachte en de latere dood van het slachtoffer. Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en dat verdachte dientengevolge heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven, welke poging tot doodslag gepaard ging met een inbraak in de woning van het slachtoffer. Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet op de levensberoving van het slachtoffer heeft de officier van justitie betoogd dat dit uit het handelen van verdachte, te weten het geven van diverse vuistslagen op een kwetsbare plek als het hoofd, in samenhang met diens wetenschap dat het slachtoffer een oude vrouw betrof, kan worden afgeleid.

Ten aanzien van de overige aan verdachte ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring, met dien verstande dat zij ten aanzien van feit 2 het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotitie, vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en subsidiair aan verdachte ten laste gelegde. Kort gezegd is de raadsman evenals de officier van justitie van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van causaal verband tussen het handelen van verdachte en de dood van het slachtoffer. Voorts kan zijns inziens niet worden bewezen dat het opzet van verdachte gericht was op de dood van het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke zin. Wel acht de raadsman het meer subsidiair aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 2 primair, feit 7 en feit 10 tenlastegelegde. De raadsman is tot slot van mening dat de feiten voor het overige wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3.

Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair, feit 2 primair en, onder feit 7, ten laste is gelegd en dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Feit 1 primair

Onder feit 1 primair wordt verdachte verweten dat hij mevrouw [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, welke doodslag is gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een gekwalificeerde diefstal.

Op 5 maart 2014 heeft verdachte ingebroken in de woning van het slachtoffer waarbij hij het slachtoffer meermalen met gebalde vuist met redelijk veel kracht tegen het hoofd heeft gestompt. Op 10 oktober 2014, 7 maanden later, is het slachtoffer overleden.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake is van een causaal verband tussen de door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte vuistslagen en het daardoor opgelopen letsel van het slachtoffer, en haar overlijden 7 maanden later.

De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen.

Blijkens eerdere rechtspraak moet vooropgesteld worden dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de door verdachte verrichte geweldshandelingen en de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan verdachte kan worden toegerekend.

Daarvoor is vereist dat ten minste kan worden vastgesteld dat de gedragingen een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.

Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer] is door mevrouw [patholoog NFI], arts en patholoog bij het NFI, een gerechtelijke sectie verricht.

Bij sectie werd een ziekelijk vergroot hart geconstateerd met tekenen van juist voor het overlijden opgetreden hartspierschade. Bij microscopie werden er ziekelijke veranderingen in de hartspier waargenomen die kunnen passen bij doorgemaakt zuurstofgebrek in het verleden. Een ziekelijk vergroot hart geeft een verhoogd risico op het optreden van hartritmestoornissen met het overlijden tot gevolg.

Onderzoek van de hersenen toonde een subdurale neomembraan (tussen de hersenvliezen) passend bij een toestand na een subduraal hematoom (bloeding tussen de hersenvliezen), welke waarschijnlijk meerdere maanden voor het overlijden zijn opgetreden. Voorts werd links frontaal een gelokaliseerde, oude laesie gezien, passend bij een subarachnoïdale bloeding met onderliggende contusie van de oppervlakkige cortex.

De conclusie van de patholoog is dat het slachtoffer waarschijnlijk is overleden als gevolg van de verwikkelingen van een ziekelijk vergroot hart.

Zij geeft voorts aan dat het niet mogelijk is om op grond van alleen de sectiebevindingen een direct verband tussen de mishandeling en de aangetroffen hersenafwijkingen te leggen. Ook is het niet mogelijk om een direct causaal verband te leggen tussen de ziekelijke hersenafwijkingen en het intreden van de dood.

Naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] is door de heer [forensisch arts 2], forensisch arts, op 15 januari 2015 een geneeskundig onderzoek verricht. In zijn rapport stelt hij vast dat het slachtoffer op 5 maart 2014 is aangetroffen met letsels door mishandeling en dat zij tot het moment van die mishandeling vrijwel volledig zelfstandig leefde. [forensisch arts 2] stelt dat het overlijden van het slachtoffer zonder het geweldsincident niet te verwachten was.

Zijns inziens dient het hersenletsel opgelopen tijdens de inbraak zonder meer als causaal te worden beschouwd aan het overlijden. Dit omdat er tussentijds geen herstelsituatie bereikt is die te vergelijken was met de gezondheidstoestand van het slachtoffer voor 5 maart 2014. Voor de mishandeling leefde het slachtoffer vrijwel volledig zelfstandig en genoot een bovengemiddeld functioneringsniveau lichamelijk, psychisch en sociaal. Voor het incident was er slechts sprake van een hoge bloeddruk. Het overlijden op 10 oktober 2014 trad op na een zeven maanden durende cascade van complicaties van schedelhersenletsel, waarbij tussentijds geen herstelsituatie bereikt werd die bij benadering te vergelijken was met de gezondheidstoestand van vóór 5 maart 2014.

In een aanvullende brief van 30 maart 2015 geeft [forensisch arts 2] desgevraagd nog aan dat bij het slachtoffer ongeveer twintig jaar geleden hoge bloeddruk is vastgesteld, op grond waarvan het waargenomen ziekelijk vergrote hart verklaard zou kunnen worden. Hij acht het daarom waarschijnlijk dat de hartvergroting reeds langer aanwezig was. [forensisch arts 2] herhaalt vervolgens dat blijkend uit de beschikbare stukken deze kwalen echter tot het moment van het geweldsincident verenigbaar waren met een ‘bovengemiddeld lichamelijk, psychisch en psychosociaal functioneringsniveau’.

Ter terechtzitting van 12 mei 2015 heeft [forensisch arts 2], als deskundige gehoord, verklaard dat hij de conclusie dat het waarschijnlijk is dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van het vergrote hart onderschrijft. Volgens hem heeft de situatie van bedlegerigheid waarin het slachtoffer door het geweld is gebracht de situatie rondom het al bestaande vergrote hart doen verslechteren. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat in zijn algemeenheid immobiliteit de gezondheidssituatie van mensen met een vergroot hart verslechterd. De mate van waarschijnlijkheid dat de immobiliteit van het slachtoffer, die het gevolg was van het tegen haar gepleegde geweld, daadwerkelijk van negatieve invloed is geweest kan hij evenwel niet vaststellen.

Tot slot heeft [forensisch arts 2] ter terechtzitting aangegeven dat de woorden ‘zonder meer’ in zijn rapport van 15 januari 2015 niet betekenen dat het niet anders kan dan dat er causaal verband bestaat tussen het geweld en het overlijden van het slachtoffer, maar dat hij met het begrip zonder meer bedoelde ‘ook zonder bijkomende feiten kan dit verklaren dat’.

Op verzoek van de verdediging is door de heer [forensisch arts 2], forensisch arts bij de GGZ Amsterdam, een contra-expertise verricht. In zijn schriftelijke bevindingen van 28 april 2015 geeft hij aan dat naast uitwendige letsels aan het hoofd van het slachtoffer afwijkingen aan de hersenen (kneuzing en bloedingen) werden vastgesteld die zonder meer als het gevolg van het [forensisch arts 2] geweld tegen het hoofd kunnen worden geduid. Het is zijns inziens zeer aannemelijk dat de grote achteruitgang in het functioneren van het slachtoffer een gevolg is van het toegebrachte schedelhersenletsel. Wat betreft de (mogelijke) doodsoorzaak verwijst [forensisch arts 2] naar de conclusie van [patholoog NFI] dat het slachtoffer waarschijnlijk is overleden als gevolg van verwikkelingen van een ziekelijk vergroot hart. [forensisch arts 2] benadrukt dat een andere doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld. [forensisch arts 2] stelt voorts dat een (ziekelijke) hartvergroting meestal een gevolg is van chronische aandoeningen. Met andere woorden, het ontstaat meestal langzaam over een lange periode. Hij geeft aan dat in het algemeen gesteld kan worden dat er geen relatie bestaat tussen toegebracht hersenletsel (in de vorm van kneuzingen en bloedingen) en afwijkingen aan het hart. [forensisch arts 2] stelt dat daarom het ziekelijk vergrote hart en/of het hartinfarct niet kunnen worden gezien als gevolgen van het hersenletsel. Ook in de door hem geraadpleegde medische database is daarvan niet gebleken.

[forensisch arts 2] concludeert derhalve dat er geen causaal verband is aangetoond tussen het op 5 maart 2014 toegebrachte hersenletsel en het overlijden van het slachtoffer op 10 oktober 2014. Het is volgens [forensisch arts 2] eerder aannemelijk dat er geen causaal verband bestaat tussen de cardiale doodsoorzaak en het opgelopen hersenletsel.

Ter zitting als deskundige gehoord heeft [forensisch arts 2] voormelde conclusies gehandhaafd en nader toegelicht.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende is gebleken dat de gedragingen van verdachte een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van het slachtoffer [slachtoffer], hebben geleid, noch dat aannemelijk is dat deze dood met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedragingen is veroorzaakt. Het is niet komen vast te staan dat de verwikkelingen omtrent het ziekelijk vergrote hart zijn veroorzaakt, of op zijn minst zijn verergerd, door de gedragingen van verdachte. De patholoog [patholoog NFI] geeft in haar rapportage aan dat zij op grond van alleen de sectiebevindingen deze vraag niet kan beantwoorden. De beide deskundigen [forensisch arts 2] en [forensisch arts 2] zijn het met de patholoog eens dat de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer naar alle waarschijnlijkheid is gelegen in de verwikkeling rondom het vergrote hart. Tevens stellen beiden vast dat de gedragingen van verdachte het bij het slachtoffer geconstateerde hersenschedelletsel hebben veroorzaakt. Zij blijven evenwel van mening verschillen over het causaal verband tussen de voornoemde waarschijnlijke doodsoorzaak en het hersenschedelletsel. Wel heeft [forensisch arts 2] zijn conclusie dat er zonder meer sprake is van causaal verband ter terechtzitting genuanceerd.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het overlijden van het slachtoffer niet redelijkerwijs aan verdachte als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

Wel vast staat dat er een causaal verband bestaat tussen de vuistslagen die verdachte op

5 maart 2014 aan het slachtoffer heeft toegebracht en het ernstig schedelhersenletsel dat vervolgens is ontstaan, maar niet is komen vast te staan dat sprake is van een causaal verband tussen het schedelhersenletsel en het overlijden van mevrouw [slachtoffer] op 10 oktober 2014.

De conclusie luidt daarom dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het door verdachte veroorzaakte hersenletsel een noodzakelijke schakel heeft gevormd voor het overlijden van het slachtoffer 7 maanden later en verdachte hierom van het onder 1 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Feit 1 subsidiair

Onder feit 1 subsidiair wordt verdachte verweten dat hij heeft getracht mevrouw [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, welke poging tot doodslag is gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een gekwalificeerde diefstal.

Bij de beantwoording van deze vraag dient de rechtbank te beoordelen of verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Van aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake was van vol opzet bij verdachte, dat wil zeggen dat verdachte willens en wetens het slachtoffer van het leven wilde beroven, is niet gebleken. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet is van belang of kan worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood van het slachtoffer ten gevolge kon hebben. De vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. De kans op het intreden van het gevolg moet naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk worden geacht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat

het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard. Van dit laatste is in het onderhavige geen sprake.

Zoals hiervoor al is aangehaald, heeft verdachte het slachtoffer meermalen met gebalde vuist met enige kracht tegen het hoofd gestompt. In zijn algemeenheid geldt dat de kans dat een willekeurig slachtoffer als gevolg van stompen tegen het hoofd komt te overlijden, naar algemene ervaringsregels, niet zonder meer aanmerkelijk te noemen is. Dit geldt eveneens voor oudere slachtoffers, hoewel de kans ten opzichte van jongere slachtoffers hoger zal liggen nu het een feit van algemene bekendheid is dat oudere mensen brozere botten en in het algemeen een fragieler gestel hebben dan jongere mensen. Indien sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals in het door de officier van justitie aangehaalde geval (ECLI-nummer ECLI:NL:RBARN:2011:BU5205), kan dat anders zijn.

In het onderhavige geval ontbreken dergelijke bijkomende omstandigheden. Afgezien daarvan geldt dat verdachte het slachtoffer in het donker in de woning nauwelijks heeft gezien, maar slechts heeft gehoord waardoor de rechtbank er, anders dan de officier van justitie, niet van overtuigd is dat verdachte zich er daadwerkelijk bewust van was dat hij te maken had met een veel ouder, kwetsbaar, slachtoffer. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer geen sprake zodat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1, subsidiair ten laste gelegde.

Feit 2 primair

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair ten laste is gelegd en dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Onder feit 2 primair wordt verdachte verweten dat hij tezamen en in vereniging heeft ingebroken in de woning aan de [adres feit 2] te Alkmaar en dat hij daarbij een horloge heeft weggenomen. Verdachte bekent dat hij, op aanwijzingen van [medeverdachte], heeft ingebroken in de woning, maar ontkent dat hij daar goederen heeft weggenomen. Tegenover deze verklaring van verdachte staat de aangifte waarin wordt gesteld dat er wel goederen, te weten een horloge, uit de woning zijn weggenomen. Hoewel voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is, ontbreekt bij de rechtbank de overtuiging voor een bewezenverklaring van dit ten laste gelegde feit. De rechtbank heeft in dit verband in het bijzonder overwogen dat zij de grotendeels bekennende verklaringen van verdachte consistent en betrouwbaar acht. Hierbij is mede van belang dat verdachte door zijn verklaringen zelf een groot aantal strafbare feiten aan het licht gebracht heeft en dat hij bij zijn daartoe afgelegde verklaringen bovendien zichzelf, – ook wat betreft de andere tenlastegelegde feiten – zeker niet spaart. De verklaringen van verdachte worden ondersteund door overige bewijsmiddelen en objectieve feitelijke gegevens in het dossier.

De rechtbank ziet daarom in de verklaring van aangever, die bovendien op een aantal punten onduidelijk blijft, geen aanleiding om op dit punt te twijfelen aan de verklaring van verdachte. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder feit 2 primair ten laste gelegde woninginbraak.

Feit 7

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 7 ten laste is gelegd en dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 7 bevindt zich in het dossier een aangifte van [slachtoffer feit 7] betreffende de poging tot inbraak in de woning aan de [adres feit 7] te Alkmaar. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij heeft geprobeerd in te breken in een woning aan de [adres feit 7] te Alkmaar maar deze verklaring is zeer summier en dusdanig algemeen dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte hiermee doelt op een andere woning aan de [adres feit 7]. Aanvullend bewijs bevat het dossier niet. De rechtbank kan, gelet op het vorenstaande, niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het de woning aan de [adres feit 7] was waar verdachte heeft geprobeerd in te breken. De rechtbank zal verdachte daarom eveneens vrij spreken van hetgeen hem onder feit 7 ten laste is gelegd.

4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten die verdachte heeft bekend

Feit 1 meer subsidiair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2015 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 13 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 845 tot en met 870);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 15 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 888 tot en met 895);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verhoor van getuige [getuige 1 feit 1] d.d. 5 maart 2014 (dossierpagina’s 202 tot en met 205);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisanten] d.d. 5 maart 2014 (dossierpagina’s 49 en 50);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van 7 maart 2014 opgemaakt door forensisch arts [forensisch arts 1] (Forensisch dossier pagina's 143-144);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een geschrift van 18 maart 2014 van aios neuroloog [neuroloog] van het Medisch Centrum Alkmaar (Forensisch dossier pagina's 148-149);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 9 april 2014 (dossierpagina’s 180 en 181).

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander de diefstal met braak heeft gepleegd doch volgt hieruit niet dat ten aanzien van de geweldshandelingen sprake is geweest van medeplegen.

Feit 2 subsidiair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2014 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 13 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 845 tot en met 870);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door

[slachtoffer feit 2] d.d. 10 maart 2014 (dossierpagina’s 735 tot en met 738);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 6 mei 2014 (dossierpagina’s 761 tot en met 763).

Feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2015 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 15 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 888 tot en met 895);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door

[slachtoffer feit 3] d.d. 1 oktober 2013 (dossierpagina’s 764 tot en met 766);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 1 juli 2014 (dossierpagina’s 769 tot en met 779).

Feit 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 4. ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2015 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 15 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 888 tot en met 895);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer feit 4] d.d. 29 januari 2014 (dossierpagina’s 780 tot en met 782).

Feit 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 5. ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2015 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 21 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 896 tot en met 912);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer feit 5]

d.d. 5 februari 2014 (dossierpagina’s 784 tot en met 785).

Feit 6

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 6. ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2015 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 21 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 896 tot en met 912);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer feit 6]

d.d. 13 februari 2014 (dossierpagina’s 788 tot en met 789).

Feit 8

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 8. ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2015 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 21 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 896 tot en met 912);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer feit 8]

d.d. 26 februari 2014 (dossierpagina’s 800 tot en met 801) met als bijlage een goederenlijst (dossierpagina 802);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige feit 8] d.d. 27 juni 2014 (dossierpagina’s 804 tot en met 805).

Feit 9

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 9. ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2015 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor door de politie

d.d. 21 mei 2014, waarin opgenomen de bekennende verklaring van verdachte (dossierpagina’s 896 tot en met 912);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door
wijlen [slachtoffer feit 9] d.d. 14 maart 2014 (dossierpagina’s 812 tot en met 814).

4.5.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 10 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 10. ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Uit de aangifte blijkt dat op 3 maart 2014 [slachtoffer 2 feit 10] naar de woning van haar ouders gaat aan de [adres feit 10] (een tussenwoning), nadat zij daar voor het laatst op

1 maart 2014 is geweest. De ouders van [slachtoffer 1 feit 10] zijn op vakantie. [slachtoffer 1 feit 10] ziet bij de woning dat de linker kozijnstijl van de voordeur stuk is en dat de deur open staat. In de woning ziet [slachtoffer 1 feit 10] dat er goederen missen. [slachtoffer 1 feit 10] doet aangifte mede namens

[slachtoffer 2 feit 10].2 In de woning aan de [adres feit 10] zijn een laptop, een telefoon van het merk Nokia, een videocamera, een boormachine, twee gouden ringen en geld weggenomen.3

Verdachte heeft verklaard dat hij in een huis aan de [adres feit 10] heeft ingebroken en dat hij daar een laptop en mogelijk een camera heeft weggenomen. Verdachte heeft daarop doorgevraagd aangegeven dat hij niet meer precies weet wat hij uit de desbetreffende woning heeft weggenomen. Verdachte is binnen gekomen met behulp van een koevoet.

Medeverdachte [medeverdachte] stond op verdachte te wachten in het park. Het adres van de woning heeft verdachte van [medeverdachte] gekregen. [medeverdachte] vertelde verdachte dat in de woning spullen te halen waren waarmee verdachte zijn schuld kon afbetalen.4 [medeverdachte] heeft verdachte op enig moment een whatsappbericht gestuurd en daarna heeft [medeverdachte] verdachte de woning laten zien. [medeverdachte] vertelde dat daar wat te halen viel en dat de mensen binnenkort weg zouden zijn. Verdachte moest dan zijn slag slaan.5

Verdachte zou niet lang voor de inbraken aan [adres feit 1] en de [adres feit 2] hebben ingebroken in de woning aan de [adres feit 10]. Verdachte heeft verklaard dat het huis een rijtjeshuis betrof. Het was het huis voor het hoekhuis.6 Er was een voortuin, rechts was een schuur en links was het keukenraam. Rechts van het keukenraam was de voordeur.7

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 10 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu de goederen waarvan de aangever stelt dat deze zijn weggenomen niet overeenkomen met de goederen waarvan verdachte verklaard heeft deze te hebben weggenomen.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] de onder feit 10 ten laste gelegde woninginbraak heeft gepleegd. Dat de goederen die verdachte noemt niet geheel overeenkomen met de in de aangifte genoemde weggenomen goederen doet daar niet aan af.

De verklaring van verdachte is wat betreft de pleegperiode en wat betreft de omschrijving van de woning aan de [adres feit 10] voldoende concreet. Daarbij komt dat verdachte zich niet precies meer kan herinneren welke goederen hij uit die woning heeft weggenomen.

4.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, meer subsidiair, feit 2 subsidiair, de feiten 3 tot en met 6 en de feiten 8 tot en met 10 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

Meer subsidiair

hij op 5 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres feit 1] heeft weggenomen een goudkleurig sieraad, toebehorende aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte voornoemde [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft gestompt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen bestaande uit ernstig schedel/hersenletsel en meerdere hoofdletsels en een gebroken neus en een gebroken oogkas en een gebroken linker grote teen;

Feit 2

Subsidiair

hij op 4 maart 2014 te Alkmaar, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 2] weg te nemen een of meerdere goederen van zijn, verdachtes en/of zijn mededader’s gading, toebehorende aan [slachtoffer feit 2], en zich daarbij de toegang tot bovengenoemde woning te verschaffen door middel van braak, naar bovengenoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, met een breekijzer, heeft geprobeerd om een deur open te breken en een schuifpui en een raam van een schuifdeur van bovengenoemde woning heeft ingeslagen en vervolgens bovengenoemde woning is binnen gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3

hij in de periode van 29 september 2013 tot en met 1 oktober 2013 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 3] heeft weggenomen sieraden en geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer feit 3], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

Feit 4

hij op 29 januari 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 4] weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer feit 4], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, naar die woning is gegaan, waarna verdachte een raam van die woning heeft opengebroken en die woning heeft betreden en zoekend rondgekeken in die woning en kastjes doorzocht en geprobeerd een tussendeur te verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 5

hij in de periode 4 februari 2014 tot en met 5 februari 2014, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 5] heeft weggenomen een televisietoestel en een ketting, toebehorende aan [slachtoffer feit 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

Feit 6

hij op 13 februari 2014, omstreeks 2:30 uur, een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 6] weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer feit 6], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, naar die woning is gegaan, waarna verdachte de voordeur van die woning heeft opengebroken en heeft rondgekeken in die woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 8

hij in de periode van 18 februari 2014 tot en met 19 februari 2014, gedurende een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 8] heeft weggenomen twee fotocamera's en een macrolens en een statief, toebehorende aan

[slachtoffer feit 8], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

Feit 9

hij in de periode van 26 februari 2014 tot en met 27 februari 2014, tussen 23:00 uur en 7:00 uur, een voor de nachtrust bestemde tijd, te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 9] heeft weggenomen een laptop en een portemonnee en een portefeuille en een geldbedrag van 350 Euro, toebehorende aan [slachtoffer feit 9], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

Feit 10

hij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 3 maart 2014 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres feit 10] heeft weggenomen een geldbedrag en een sieraad en een laptop en een telefoon merk Nokia en een boormachine en een camera, toebehorende aan [slachtoffer 1 feit 10] en/of [slachtoffer 2 feit 10], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, meer subsidiair

diefstal door twee of meer verenigde personen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

en

diefstal, voorafgegaan van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Ten aanzien van feit 2, subsidiair en feit 6

Telkens: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van feit 3 en feit 10

Telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van feit 4

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van feit 5, feit 8 en feit 9

Telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij de bepaling van haar strafeis – kort samengevat – rekening gehouden met de ernst van de feiten, en dan met name de ernst van feit 1, en het leed dat verdachte aan het slachtoffer van dat feit en aan haar familieleden heeft toegebracht. Het slachtoffer was extra kwetsbaar gelet op haar hoge leeftijd. Wat betreft de woninginbraken heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de richtlijn van het Openbaar Ministerie waarin is vermeld dat voor een woninginbraak als uitgangspunt zes maanden gevangenisstraf wordt geëist. Ook bij de woninginbraken waren de slachtoffers, gelet op hun leeftijd, merendeels kwetsbare personen.

De officier van justitie heeft voorts rekening gehouden met de recidive van verdachte. Anderzijds heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de strafeis van de officier van justitie te matigen. De raadsman heeft de rechtbank hiertoe – kort gezegd – gewezen op de oorzaak van het plegen van de inbraken door verdachte, te weten dat verdachte zich erg onder druk gezet voelde door [medeverdachte] en zijn twee schuldeisers uit het drugscircuit. Voorts heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte – waaronder diens verstandelijke beperking en het feit dat de psycholoog hem licht verminderd toerekeningsvatbaar acht – en met de oprechte spijtbetuigingen en de proceshouding van verdachte.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is ’s nachts met de bedoeling om daar in te breken de woning van de toen 88-jarige mevrouw [slachtoffer] binnengegaan door haar raam met een breekijzer in te slaan. Verdachte werd betrapt door het slachtoffer dat tevergeefs heeft getracht verdachte uit haar woning te krijgen. Verdachte heeft het slachtoffer vervolgens meermalen tegen het hoofd gestompt waardoor zij op de grond is gevallen en onder meer ernstig schedelhersenletsel heeft opgelopen. Hierna heeft verdachte, zonder zich om het slachtoffer te bekommeren alsnog de woning doorzocht en uiteindelijk een goedkoop kettinkje gevonden dat hij heeft weggenomen. Ook na het verlaten van de woning heeft verdachte op geen enkel moment, getracht hulp te zoeken voor het weerloze slachtoffer, dat hij ernstig gewond heeft achtergelaten in haar woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het slachtoffer is ten gevolge van het door verdachte jegens haar uitgeoefende geweld zeer ernstig gewond geraakt en is na het feit nooit meer de oude geworden. De dochter van het slachtoffer heeft ter terechtzitting de vreselijke periode beschreven die haar moeder in het ziekenhuis en aansluitend in het verzorgingstehuis heeft moeten doorbrengen, omdat zij niet meer in staat was zelfstandig te wonen. Het slachtoffer kon zich nog maar moeilijk verstaanbaar maken, ze was nauwelijks meer mobiel en kon niet meer eten en drinken. In eerste instantie werd haar voeding toegediend via een neussonde, hetgeen haar erg veel pijn deed. Ook de kleindochters van het slachtoffer hebben ter terechtzitting in aangrijpende verklaringen verteld wat de gevolgen van het feit voor hen en hun oma zijn geweest. Onomstotelijk is komen vast te staan dat de laatste maanden van haar leven voor het slachtoffer ondragelijk zijn geweest en daardoor is aan haar en aan haarnabestaanden onherstelbaar leed toegebracht.

Verdachte heeft zich daarnaast tezamen en in vereniging met een ander schuldig gemaakt aan vijf (andere) woninginbraken en drie pogingen daartoe die merendeels ’s nachts zijn gepleegd. Een woning is bij uitstek de plek waar men zich (zeker ’s nachts) veilig en geborgen moet kunnen voelen.
Ook hierbij was voorts veelal sprake van slachtoffers van oudere leeftijd. Inbraken en pogingen daartoe veroorzaken niet alleen materiële schade bij de gedupeerden, maar maken bovendien een ernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer, hetgeen maatschappelijke onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengt. Verdachte en zijn medeverdachte hebben bij hun handelen geen enkel respect getoond voor andermans eigendom en hebben uitsluitend oog gehad voor hun eigen belangen, hetgeen de rechtbank hen aanrekent.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 21 januari 2015, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogens- en

geweldsmisdrijven is veroordeeld. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het pro justitia rapport gedateerd 17 juli 2014, opgemaakt door [psycholoog],
GZ-psycholoog.

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 23 juli 2014 van [reclasseringswerker] als reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland.

Uit het psychologisch rapport volgt onder meer dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis die in de adolescentie is begonnen als een ernstige gedragsstoornis. Verdachte is een zwakbegaafde jongeman die sociaal-emotioneel op een jongere leeftijd functioneert en die op alle levensgebieden al langere tijd vastloopt. De gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens van verdachte was ook aanwezig tijdens het tenlastegelegde en beïnvloedde het handelen van verdachte tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten. Verdachte stelt dat hij zich door diverse personen heeft laten verleiden tot dealen in drugs om meer geld te verkrijgen. Hierbij heeft hij de verleiding niet kunnen weerstaan om een deel van de opbrengst voor zichzelf uit te geven, waardoor hij nog meer in de problemen is beland. In de aanloop naar de ten laste gelegde feiten stelt verdachte dat er sprake was van voortdurende druk van de medeverdachte en de schuldeisers naar hem toe, om in te breken en zo zijn schuld af te lossen. Verdachte handelde ten tijde van het plegen van feit 1 vanuit paniek en angst, en vanuit het feit dat hij onder druk stond; daarnaast handelde hij impulsief waarbij hij de consequenties van zijn handelen niet heeft overzien.

De psycholoog acht het zeer zorgelijk dat verdachte, naast het slaan met de vuist in het gezicht van het slachtoffer, verder is gegaan met het doorzoeken van het huis nadat hij het slachtoffer had geslagen. Ook heeft hij geen hulp geboden, noch heeft hij hulp ingeschakeld. De gewetensvorming van betrokkene is hierin lacunair te noemen en de empathische vermogens zijn sterk verminderd terwijl het eigen belang voorop staat.

Verdachte kan onvoldoende weerstand bieden aan direct gewin, maar is tegelijkertijd niet in staat om adequaat voor zichzelf op te komen. Hij is hierin beïnvloedbaar en zeer kwetsbaar als persoon waarbij hij gebruikt wordt door anderen. Echter, daarnaast spelen de trekken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis ook een grote rol vanwege de grote behoefte aan behoeftebevrediging (het zo snel mogelijk hebben van geld) en het impulsieve en het riskante van steeds weer inbreken. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, dan acht de psycholoog betrokkene licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met verplicht toezicht en begeleiding van de reclassering. Die begeleiding zou volgens de psycholoog een begeleid woon traject voor zwakbegaafden moeten inhouden en daarnaast zou verdachte een EMDR-therapie, of een soortgelijke therapie, en een Cova+training moeten volgen.

Met de conclusie van dit rapport wat betreft de toerekeningsvatbaarheid van verdachte kan de rechtbank zich verenigen en zij zal verdachte dan ook beschouwen als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Uit het reclasseringsrapport volgt dat het recidiverisico hoog is gezien de risicofactoren die bij verdachte bestaan op diverse leefgebieden (financiën, werk, huisvesting, sociale contacten), de diagnose van zwakbegaafdheid, de trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en de delictsgeschiedenis van verdachte. Op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de eventuele interventies in het verleden acht de reclassering een toezicht op bijzondere voorwaarden geïndiceerd. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de psycholoog.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het feit dat verdachte door de vrijwel directe bekentenis van de feiten ervan heeft blijk gegeven in te zien dat hij verkeerd heeft gehandeld. Hij heeft er ook ter terechtzitting blijk van gegeven spijt te hebben van het geweld dat door hem jegens het slachtoffer van de inbraak op de Helderseweg is uitgeoefend. Deze spijtbetuiging is bij de rechtbank authentiek over gekomen.

De rechtbank acht gezien de ernst van de feiten alleen een gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats. Voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zoals wordt geadviseerd door de psycholoog en reclassering, ziet de rechtbankgeen ruimte. Wel ziet de rechtbank in het feit dat de rechtbank tot deels een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie aanleiding om de door haar gevorderde gevangenisstraf te matigen. Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de LOVS oriëntatiepunten. Hierbij geldt als uitgangspunt dat op een kale woninginbraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden staat. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de ter zake geldende verzwarende omstandigheden zoals medeplegen, recidive, kwetsbaarheid van de slachtoffers, tijdstip en de omvang van de schade. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van hierna bepaalde duur passend en geboden is.

8 Beslag

8.1.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

1. 1.00 STK Schroevendraaier Kl: zwartblauw

503004 (B.01.02.003)

2. 1.00 STK Beitel steen

503005 (B01.07.001)

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

8.2.

Teruggave aan rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

3. 3.00 STK Munt

(B.01.10.001) zakje met 3 Nederlandse munten

dienen te worden teruggegeven aan T.J. Spronssen, aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Vordering benadeelde partijen [slachtoffer] en [dochter slachtoffer 1]

De vorderingen

Mr. E.M. Diesfeldt heeft, op de ochtend van het onderzoek ter terechtzitting, kenbaar gemaakt dat zij met de verschillende door haar ingediende voegingsformulieren heeft bedoeld namens wijlen mevrouw [slachtoffer] en haar dochter mevrouw [dochter slachtoffer 1] schadevergoeding te vorderen tegen verdachte ter zake van immateriële en materiële schade die zij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde naar gesteld hebben geleden.

In de vordering betreffende wijlen mevrouw [slachtoffer] wordt schadevergoeding ter hoogte van in totaal € 31.275,67 gevorderd, waarvan € 25.000, - aan immateriële schade en
€ 6.275,67 aan materiële schade. De vordering is op 6 mei 2015 ondertekend door
mr. Diesfeldt voornoemd, waarbij zij haar handtekening heeft geplaatst naast de tekst ‘handtekening benadeelde’ van betreffende Dit omdat zoals zij ter zitting heeft toegelicht, mevrouw [dochter slachtoffer 1], blijkens de aan dit voegingsformulier gehechte verklaring van executele, bevoegd is de nalatenschap van haar moeder te beheren en daarover te beschikken.

In de vordering betreffende mevrouw [dochter slachtoffer 1] wordt in totaal € 27.777,83 euro aan schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 25.000, - aan immateriële schade,

€ 2.613,83 aan reiskosten en € 164, - aan eigen bijdrage voor ziektekosten. De reiskosten betreffen overgehevelde kosten van voornoemde vordering van mevrouw [slachtoffer]. De immateriële schade betreft de schade die mevrouw [dochter slachtoffer 1] naar gesteld heeft geleden door het aantreffen van haar moeder na de inbraak met geweld en de periode daarna die haar moeder in het ziekenhuis en aansluitend een verpleegtehuis, moest doorbrengen en de dood van haar moeder. Ook deze vordering is door mr. Diesfeldt ondertekend naast de tekst ‘handtekening benadeelde’, waarbij een datum ontbreekt.

Standpunten officier van justitie en verdediging

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben de rechtbank verzocht de benadeelde partij(en) niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen aangezien deze vorderingen zich volgens hen om verschillende redenen niet lenen voor behandeling in het strafgeding.

Oordeel van de rechtbank

Voor de rechtbank staat vast dat zowel aan mevrouw [slachtoffer] als aan de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer] onbeschrijfelijk leed is toegebracht als gevolg van het handelen van verdachte. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of dit leed op enigerlei wijze in juridische zin vertaald kan worden in een schadevergoeding.

Over de vordering betreffende wijlen mevrouw [slachtoffer]:

Met de ter zitting gegeven uitleg door mr. Diesfeldt begrijpt de rechtbank deze vordering aldus dat is bedoeld dat de raadsvrouw namens mevrouw [dochter slachtoffer 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam onder algemene titel voor schade die is veroorzaakt bij haar moeder, de vordering tot schadevergoeding heeft ingediend.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv de erfgenamen zich voor deze onder algemene titel verkregen vordering wat betreft vermogensschade kunnen voegen in het strafproces, wanneer het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden. Wanneer het slachtoffer later, door een andere oorzaak, is overleden kan de nabestaande zich niet voegen als benadeelde voor de door hem of haar onder algemene titel verkregen vordering. Volgens de Hoge Raad is in een dergelijk geval geen sprake van rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f, eerste lid, Sv. Gelet hierop dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in dit deel van de vordering te worden verklaard.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade, niet zijnde vermogensschade, volgt uit artikel 6:106, tweede lid, BW als voorwaarde, dat de overledene bij leven kenbaar heeft gemaakt hierop aanspraak te willen maken. Dit laatste is gesteld noch gebleken, zodat de benadeelde partij ook voor dit deel van de vordering niet kan worden ontvangen in haar vordering.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering. Wel kan zij de vordering desgewenst, voorzien van een deugdelijke onderbouwing, bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Over de vordering betreffende mevrouw [dochter slachtoffer 1]:

Wat betreft de gestelde materiële schade geldt het volgende. Alleen degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. Hieruit volgt dat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen. Ook in dit geval kan, gelet op het meest recente voegingsformulier en de ter zitting gegeven toelichting, niet met recht gesteld worden dat mevrouw [dochter slachtoffer 1] behoort tot bedoelde kring van gerechtigden tot schadevergoeding in het strafproces. Dat geldt in ieder geval wat betreft de gevorderde eigen bijdrage ziektekosten ten bedrage van € 164, -.

Wat betreft de gestelde materiële schade ten bedrage van € 2.613,00 ter zake van bezoeken van mevrouw [dochter slachtoffer 1] aan haar moeder kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden vastgesteld of sprake is van verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 BW en of het derhalve kosten betreft die mogelijk wel als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f lid 1 Sv zijn aan te merken. Gelet op al het vorenstaande is mevrouw [dochter slachtoffer 1] in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Wat betreft de gestelde immateriële schade (shockschade) geldt het volgende. Onder shockschade wordt geestelijk letsel verstaan dat is veroorzaakt door de directe waarneming van of confrontatie met een ongeval of misdrijf dat een naaste overkomt. Shockschade valt onder aantasting in de persoon ex artikel 6:106, eerste lid onder b, BW en kan daardoor aanspraak geven op vergoeding van immateriële schade. Er moet dan wel sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (Taxibusarrest, HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt voorts dat een vordering tot shockschade zich in het algemeen niet leent voor behandeling in de strafprocedure. Maatstaf is of de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan in dit geval sprake is. Zoals hiervoor uiteen is gezet gaat het om een juridisch en feitelijk gecompliceerde schadevergoedingskwestie. Zo is het bijvoorbeeld de vraag of thans voldoende vaststaat dat sprake is van een door de psychiatrie erkend ziektebeeld als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. In het dossier bevindt zich daartoe alleen een korte brief van 15 februari 2015 van huisarts [huisarts]. De rechtbank is van oordeel dat een zorgvuldige beantwoording van deze vraag nader onderzoek en tijd vergt en dat de burgerlijke rechter bij uitstek het forum is waar deze vraag en andere civielrechtelijke vragen beantwoord moeten worden. Een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen door de rechtbank in de onderhavige strafprocedure zou een aanzienlijke vertraging en aldus een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom bepalen dat dit deel van de vordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer 1] evenmin ontvankelijk is. Ook hier geldt dat zij de vordering desgewenst, voorzien van een deugdelijke onderbouwing, bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

10 Vordering benadeelde partij [slachtoffer feit 3]

De benadeelde partij [slachtoffer feit 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 300, - ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder feit

3 ten laste gelegde naar gesteld heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank komt vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

1 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Voorts zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

11 Vordering benadeelde partij [slachtoffer feit 7]

De benadeelde partij [slachtoffer feit 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 213,14 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder feit 7 ten laste gelegde zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 7 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

12 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 1 november 2013 in de zaak met parketnummer 14/701418-12 heeft de politierechter te Alkmaar verdachte ter zake van openlijke geweldpleging veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op

22 november 2013 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 16 november 2013 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 33a, 36f, 45, 55, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

14 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1, primair en subsidiair, feit 2, primair en feit 7 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1, meer subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 3 tot en met feit 6 en feit 8 tot en met 10 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven [7] jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Verklaart verbeurd:

1. 1.00 STK Schroevendraaier Kl: zwartblauw

503004 (B.01.02.003)

2. 1.00 STK Beitel steen

503005 (B01.07.001)

 Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

3. 3.00 STK Munt

(B.01.10.001) zakje met 3 Nederlandse munten

 Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

 Verklaart de benadeelde partij [dochter slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij

[slachtoffer feit 3] geleden schade tot een bedrag van € 300, -, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer feit 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer

[slachtoffer feit 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 300, -, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zes [6] dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer feit 7] niet-ontvankelijk in de vordering.

 Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14/701418-12 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee [2] maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Alkmaar d.d. 1 november 2013.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Cuvelier, voorzitter,

mr. D.D.M. Hazeu en mr. M.L.M. van der Voet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. van den Brink,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 mei 2015.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2 feit 10] mede namens [slachtoffer 2 feit 10] d.d. 3 maart 2014, pagina’s 818 en 819.

3 Bijlage weggenomen goederen, als bijlage gevoegd bij het Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2 feit 10] mede namens [slachtoffer 2 feit 10] d.d. 3 maart 2014, pagina’s 821 en 822.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 14 mei 2014, pagina 879.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 21 mei 2014, pagina 902.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 14 mei 2014, pagina 879.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 21 mei 2014, pagina 902.