Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4312

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
15-2238
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, evenementenvergunning, dansvoorstelling op begraafplaats.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

Zaaknummer: ALK 15/2238

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2015 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. O.H. Minjon),

en

de burgemeester van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de stichting [naam 1], te Alkmaar.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2015, verzonden op 18 mei 2015, heeft verweerder een evenementenvergunning verleend aan derde-partij (hierna: de Stichting) voor het organiseren van het Theaterfestival [naam 2] op 22 tot en met 25 mei 2015 op diverse locaties in Alkmaar.

Bij brief van 21 mei 2015 heeft verzoeker verweerder verzocht er zorg voor te dragen dat de geplande voorstellingen op de begraafplaats geen doorgang zullen vinden, zo nodig handhavend op te treden en uiterlijk om 17.00 uur te bevestigen dat de voorstellingen niet plaats zullen vinden. Verzoeker heeft ook bezwaar gemaakt tegen de evenementenvergunning. Per e-mail heeft verweerder verzoeker diezelfde dag, om 16.58 uur, bericht geen aanleiding te zien om in te gaan op diens verzoek om de voorstellingen op de begraafplaats niet door te laten gaan. Verzoeker heeft daarop meteen bezwaar gemaakt tegen verweerders weigering om handhavend op te treden. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door R. van Looy en mr. drs. V.M. Behrens. Voor de Stichting is [naam 3] verschenen, vergezeld door [naam 4], [naam 5] en [naam 6].

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Verzoeker beoogt met zijn verzoek te bereiken dat de dansvoorstellingen die op 22 tot en met 25 mei, in de avond, zijn voorzien op de Algemene Begraafplaats aan de [adres], niet door mogen gaan. Hij stelt zich kort gezegd op het standpunt dat een dansvoorstelling niet thuishoort op een begraafplaats.

2. Daarnaast heeft eisers gemachtigde een aantal juridische argumenten gegeven waarom de evenementenvergunning niet verleend had mogen worden en de dansvoorstelling niet plaats zou mogen vinden op de begraafplaats. Wat betreft deze argumenten overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat verzoeker, als eigenaar van een graf op de Algemene Begraafplaats, belanghebbende is bij de verleende evenementenvergunning. Hij kon dus bezwaar maken tegen de verlening van die vergunning en kon ook verzoeken om handhavend optreden tegen de beoogde voorstellingen op de begraafplaats. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verleende evenementenvergunning afdoende bekend is gemaakt en in werking is getreden.

De vraag of de evenementenvergunning - wat betreft de voorstelling op de begraafplaats - is verleend in strijd met het beleidskader dat verweerder daarvoor heeft, kan de voorzieningenrechter niet goed beantwoorden. Verzoeker stelt dat die strijdigheid er is, alleen al vanwege de locatie. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat hij mag afwijken van zijn beleidskader.

Verder is de vraag opgeworpen of het houden van de dansvoorstellingen op de begraafplaats in strijd is met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter vindt het zeker niet evident dat het geven van een beperkt aantal, relatief kort durende dansvoorstellingen over dood en rouw in strijd zou zijn met de geldende bestemming.

En ten slotte is strijdigheid met de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen aangevoerd, omdat de voorstellingen na sluitingstijd van de begraafplaats zullen plaatsvinden. Tot gisteren was dit zo, maar nu, na een spoedaanpassing van de sluitingstijd in de Beheersverordening, niet meer, zo lijkt het. De voorzieningenrechter vindt dit echter van weinig belang.

3. Waar het volgens de voorzieningenrechter nu om gaat, is of het geven van deze dansvoorstelling op de begraafplaats al dan niet passend is. Eventuele juridische gebreken aan de verleende vergunning, voor zover die er zijn, lijken te kunnen worden hersteld - maar ook als dat zo is, kan dat pas na de uitvoeringen. Bovendien gaat een louter juridisch antwoord op de vraag of de evenementenvergunning rechtmatig is verleend, ook voorbij aan de kern van verzoekers probleem met de voorstellingen. Daarom zal de voorzieningenrechter zich nu beperken tot de beantwoording van de vraag of deze dansvoorstelling wel past op de begraafplaats.

4. Het antwoord van de voorzieningenrechter op die vraag is: ja. Hij heeft geluisterd naar de maakster van de dansvoorstelling, de toelichting van de organisatie, de ervaringen van andere betrokkenen en ook het standpunt van verzoeker, die op zichzelf niet twijfelt aan de integriteit van de maakster en de aard van de voorstelling. De voorzieningenrechter concludeert dat het hier gaat om een dansvoorstelling over dood en rouw die geenszins geweld doet aan het karakter, de sfeer en ‘de bedoeling’ van de begraafplaats.

In de beleving van verzoeker over wat een begraafplaats hoort te zijn, ziet de voorzieningenrechter geen reden om de voorstelling niet passend te vinden. Naar zijn oordeel kan ook niet worden gezegd dat de dansvoorstelling die beleving niet respecteert, ook al ervaart verzoeker dat anders.

5. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om met het treffen van een voorlopige voorziening de uitvoeringen van de dansvoorstelling op de begraafplaatsen tegen te houden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open