Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4245

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
C/14/158199 / FA RK 14-2284
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gedaan op afwijking van het Tremarapport in verband met wijzigingen in fiscale wetgeving sinds 1 april 2015 (de “Haagse lijn”). Beroep is afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd waarom het in de situatie van de vrouw zelf onredelijk is om het Tremarapport te volgen. Man is onderhoudsplichtig ten behoeve van twee kinderen in twee verschillende gezinnen, de draagkracht van deze kinderen verschilt. Op welke wijze dient de draagkracht van de man te worden verdeeld over de behoefte van de kinderen? Partijen zijn het eens over de ingangsdatum in het verleden. De rechtbank stelt ambtshalve een andere ingangsdatum vast onder verwijzing naar Hoge Raad van 25 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1001).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

MKG

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/14/158199 / FA RK 14-2284

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 27 mei 2015

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J. Dekker, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. Commandeur, kantoorhoudende te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 10 november 2014;

- het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 9 december 2014;

- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 2 maart 2015;

- het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 3 maart 2015, en

- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 12 maart 2015.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 maart 2015, in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. M.J. Dekker en de man bijgestaan door mr. Y.A.R Seen, als vervanging van mr. Commandeur voornoemd. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling beiden een pleitnota overgelegd.

1.3

Op verzoek van de rechtbank heeft de vrouw op 26 maart 2015 een brief met aanvullende stukken aan de rechtbank gezonden.

1.4

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 8 oktober 2002 is omgezet in een geregistreerd partnerschap. Het geregistreerd partnerschap is op 8 oktober 2002 beëindigd.

2.2

Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren, op [geboortedatum] in [geboorteplaats]. [minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.3

Partijen zijn in het kader van hun scheiding bij echtscheidingsconvenant van 8 oktober 2002 – voor zover thans van belang – overeengekomen dat:

  • -

    [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van zaterdagochtend tot zondagavond en de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen, bij de man zal zijn, en

  • -

    de man met ingang van 1 september 2002 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderbijdrage) ten behoeve van [minderjarige] zal betalen van

€ 325,- per maand.

2.4

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2014 € 409,51 per maand en met ingang van 1 januari 2015 € 412,79 per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij met ingang van november 2014 een kinderbijdrage van € 350,- per maand betaalt.

2.5

De man heeft samen met mevrouw [mevrouw] een zoon [zoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]. De man en mevrouw [mevrouw] zijn gezamenlijk belast met het gezag over [zoon].

3 Verzoek

3.1

De vrouw heeft in haar verzoekschrift verzocht:

  • -

    een zorg- en contactregeling (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij [minderjarige] in de ene week van donderdag uit school tot maandagochtend naar school en in de andere week van donderdagochtend uit school tot zaterdagochtend bij de man zal zijn, dan wel een regeling te treffen als de rechtbank juist acht;

  • -

    te bepalen dat de vakanties en feestdagen bij helfte zullen worden verdeeld, en

- te bepalen dat de man aan haar een kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] dient te betalen van € 359,25 per maand, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum.

3.2

De vrouw stelt daartoe met betrekking tot de kinderbijdrage dat de man de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen bijdrage niet dan wel te laat betaalt. De vrouw stelt dat zij dringend behoefte heeft aan de kinderbijdrage omdat zij een uitkering heeft op grond van de Wet Werk en Bijstand (met ingang van 1 januari 2015 de Participatiewet).

3.3

De vrouw stelt dat de behoefte van [minderjarige] € 421,20 per maand bedroeg in 2002. In verband met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2014 € 530,73 en in 2015

€ 534,98. De vrouw stelt zich op het standpunt dat met ingang van 1 januari 2015 niet het volledige kindgebonden budget van deze behoefte dient te worden afgetrokken. De in het kindgebonden budget opgenomen zogenaamde eenouderkop dient naar mening van de vrouw bij het bepalen van haar draagkracht meegenomen te worden.

3.4

Volgens de vrouw dient de man in 2014 een bijdrage te betalen van € 258,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 een bijdrage van € 263,- per maand, beide bedragen dienen dan nog te worden verminderd met de zorgkorting van, naar mening van de vrouw, 30 %. De rechtbank begrijpt dat de vrouw met deze stelling haar oorspronkelijke verzoek heeft gewijzigd en thans een lagere kinderbijdrage verzoekt.

4 Verweer

4.1

De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw met betrekking tot de zorgregeling.

4.2

De man heeft wel verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte kinderbijdrage. Hij verzoekt te bepalen dat hij met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw aan haar een kinderbijdrage zal betalen van € 106,- per maand en voorts dat deze bijdrage met ingang van 1 januari 2015 op € 46,- per maand wordt gesteld.

4.3

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ook onderhoudsplichtig is voor [zoon] en dat zijn beschikbare draagkracht gelijkelijk over beide kinderen dient te worden verdeeld. Hij stelt dat de behoefte van [minderjarige] in 2014 € 462,- per maand bedroeg. Hij stelt zich voorts op het standpunt dat zowel in 2014 als in 2015 het volledige door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget van de behoefte van [minderjarige] dient te worden afgetrokken.

5 Beoordeling

Zorgregeling

5.1

Het verzoek van de vrouw met betrekking tot de zorgregeling acht de rechtbank, mede gelet op het feit dat de man daartegen geen verweer heeft gevoerd, in het belang van [minderjarige] en zal de rechtbank toewijzen.

Kinderbijdrage

5.2

Met betrekking tot de kinderbijdrage hebben partijen overeenstemming over de ingangsdatum van de eventueel door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage, alsmede over het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) op basis waarvan de behoefte van [minderjarige] dient te worden vastgesteld, als over het feit dat de vrouw een draagkracht heeft van € 25,- per maand.

5.3

Partijen verschillen met name van mening over de vraag of het gehele kindgebonden budget, per januari 2015 inclusief de zogenaamde eenouderkop, van de behoefte van [minderjarige] dient te worden afgetrokken, of niet. De vrouw heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onredelijke situatie als het huidige rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: het Tremarapport) voor het jaar 2015 zou worden gevolgd.

5.4

De rechtbank stelt voorop dat het Tremarapport dient in beginsel te worden gevolgd om zodoende rechtszekerheid te waarborgen. Afwijking van het Tremarapport kan echter mogelijk zijn. In een dergelijk geval dient echter, met cijfers, door degene die afwijking van het Tremarapport wenst, onderbouwd te worden waarom toepassing van het Tremarapport in zijn of haar situatie tot een onredelijke uitkomst leidt. Aangezien de vrouw afwijking van het Tremarapport wenst, ligt het op haar weg om haar standpunt voldoende te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dat echter onvoldoende gedaan. De vrouw heeft zich slechts uitgelaten in algemene bewoordingen en haar betoog niet (voldoende) met cijfers onderbouwd. De vrouw heeft weliswaar aangegeven dat zij in 2015 ten opzichte van 2014 een lagere uitkering ontvangt en dat de zogenaamde alleenstaande ouderkop in 2015 lager is dan de alleenstaande ouderkorting in 2014, maar heeft daarmee niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen dit daadwerkelijk voor haar heeft. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de richtlijnen zoals deze zijn opgenomen in het Tremarapport.

5.5

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op de behoefte van [minderjarige], op de behoefte van [zoon], aangezien de man ook jegens [zoon] onderhoudsplichtig is, op de draagkracht van partijen, op de zorgkorting, op de door de man te betalen bijdrage vaststellen en tot slot op de verzochte ingangsdatum.

5.6

De rechtbank heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens op hele euro’s afgerond.

Behoefte [minderjarige]

5.7

Partijen hebben overeenstemming dat het NBI op (€ 1.916,- aan de zijde van de man + € 563,- aan de zijde van de vrouw =) € 2.478,- per maand kan worden gesteld ten tijde van uiteengaan in 2002. Op basis van de Nibud Tabel Eigen Aandeel Kosten van Kinderen (hierna: de Tabel) kan de behoefte van [minderjarige] in 2002, zoals de vrouw terecht stelt, worden gesteld op € 421,- per maand. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige] daardoor in 2014 € 531,- per maand en in 2015 € 535,- per maand.

5.8

Het kindgebonden budget dat de vrouw in 2014 ten behoeve van [minderjarige] ontving bedroeg € 104,- per maand. In 2015 ontvangt de vrouw een kindgebonden budget, inclusief de eenouderkop, van € 4.313,- per jaar en derhalve € 359,- per maand.

5.9

Toepassing van het Tremarapport leidt ertoe dat de behoefte van [minderjarige] in 2014

(€ 531,- -/- € 104,- =) € 427,- per maand bedroeg en in 2015 (€ 535,- -/- € 359,- =) € 176,- per maand bedraagt.

Behoefte [zoon]

5.10

Om de behoefte van [zoon] te bepalen dient allereerst het netto gezinsinkomen van de man en zijn partner, mevrouw [mevrouw] te worden vastgesteld. Het NBI van de man is in 2014, zoals blijkt uit het vorenstaande € 2.173,- per maand. Partijen verschillen van mening over het NBI van mevrouw [mevrouw]. Uit productie 16 van de man leidt de rechtbank af dat de man stelt dat het NBI van mevrouw [mevrouw] € 2.069,- per maand bedraagt. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op een maandinkomen van € 2.330,- bruto per maand. De vrouw stelt dat het NBI van de mevrouw [mevrouw] € 1.763,- per maand bedraagt. Zij is daarbij uitgegaan van een maandinkomen van € 1.883,- bruto per maand.

5.11

De rechtbank overweegt als volgt.

De man heeft van mevrouw [mevrouw] één salarisspecificatie van de maand januari 2015 overgelegd waaruit blijkt dat zij in januari 2015 op basis van een deeltijdfactor van 77,78% een inkomen heeft van (77,78 % van € 2.330,- =) € 1.812,- bruto per maand. Uit deze salarisspecificatie blijkt voorts dat mevrouw [mevrouw] meerdere onregelmatigheidstoeslagen (ORT) ontvangt. Op basis van enkel deze gegevens kan het NBI van mevrouw [mevrouw] niet naar behoren worden vastgesteld, zoals de vrouw terecht opmerkt. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding het standpunt van de vrouw te volgen en uit te gaan van een NBI van mevrouw [mevrouw] van € 1.763,- per maand, op basis van een inkomen van € 24.030,- bruto per jaar.

5.12

Bij een netto gezinsinkomen van (€ 2.173,- + € 1.763,- =) € 3.936,- per maand bedroeg de behoefte van [zoon] in 2014 op basis van de Tabel € 610,- per maand. Geïndexeerd naar 2015 bedraagt de behoefte van [zoon] € 615,- per maand.

De man en mevrouw [mevrouw] maken geen aanspraak op het kindgebonden budget omdat hun inkomen te hoog is om daarvoor in aanmerking te komen.

Draagkracht vrouw

5.13

De vrouw ontving in 2014 een uitkering op basis van de Wet Werk en Bijstand en met ingang van 1 januari 2015 een uitkering op basis van de Participatiewet.

Uit de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening in productie 20 blijkt dat de vrouw in 2014 een NBI had van € 1.097,- per maand.

In 2015 heeft de vrouw een NBI van € 809,- per maand. In tegenstelling tot de vrouw heeft de rechtbank daarbij enkel rekening gehouden met haar uitkering en de algemene heffingskorting.

5.14

Partijen hebben overeenstemming dat de vrouw in 2014 en 2015 met een bijdrage van € 25,- per maand kan bijdragen in de kosten van [minderjarige].

Draagkracht man

5.15

Partijen hebben overeenstemming dat met betrekking tot 2014 uit dient te worden gegaan van een inkomen van € 36.337,- bruto per jaar, wat een NBI oplevert van € 2.173,- per maand. Bij een dergelijk NBI heeft de man een draagkracht, exclusief fiscaal voordeel van € 463,- per maand, en inclusief fiscaal voordeel van € 41,- per maand, van € 504,- per maand.

5.16

Over het jaar 2015 verschillen partijen van mening van welk inkomen aan de zijde van de man dient te worden uitgegaan. De vrouw is uitgegaan van hetzelfde inkomen als in 2014, de man is uitgegaan van een inkomen van € 30.276,- op basis van de salarisspecificaties over de weken 01-04 2015 en 05-08 2015. Aangezien de man geen enkele toelichting heeft gegeven waarom hij in 2015 een lager inkomen heeft dan in 2014, ziet de rechtbank aanleiding om, net als de vrouw, uit te gaan van het inkomen zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf 2014, te weten € 36.337,- bruto per jaar. In 2015 levert dat een NBI op van € 2.184,- per maand en een beschikbare draagkracht van € 458,-. Vanaf 1 januari 2015 is de aanspraak op het fiscaal voordeel komen te vervallen.

Verdeling kosten [minderjarige] en [zoon] over de man

5.17

Partijen verschillen van mening over de vraag op welke wijze de draagkracht van de man over [minderjarige] en [zoon] dient te worden verdeeld. De man is er vanuit gegaan dat zijn draagkracht gelijkelijk dient te worden verdeeld over [minderjarige] en [zoon]. De vrouw is er daarentegen vanuit gegaan dat de (volledige) draagkracht van mevrouw [mevrouw] dient te worden afgetrokken van de behoefte van [zoon]. Vervolgens heeft zij – naar de rechtbank begrijpt – naar rato van de behoefte van [minderjarige] en [zoon] berekend welk deel van zijn draagkracht de man dient in te zetten voor het betalen van een kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige].

5.18

Blijkens het Tremarapport dient de beschikbare draagkracht in beginsel gelijkelijk over alle kinderen te worden verdeeld, tenzij er een aantoonbaar verschil is in de behoefte van de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is er een aantoonbaar verschil in de behoefte van [minderjarige] en [zoon], immers de behoefte van [minderjarige] bedroeg, op basis van het Tremarapport, in 2014 € 427,- per maand en in 2015 € 176,- per maand en de behoefte van [zoon] bedroeg in deze jaren respectievelijk € 610,- per maand en € 615,- per maand. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de draagkracht van de man ten behoeve van [minderjarige] en [zoon] dient te worden verdeeld naar rato van hun behoefte. De rechtbank acht het daarbij niet redelijk, zoals de vrouw heeft gedaan, op de behoefte van [zoon] eerst de door mevrouw [mevrouw] te betalen bijdrage in mindering te brengen, aangezien de man onderhoudsplichtig is ten behoeve van beide kinderen en ook aan de zijde van [minderjarige] niet eerst de door de vrouw te betalen bijdrage wordt afgetrokken.

5.19

Het vorenstaande leidt tot de volgende berekeningswijze.

De behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2014 € 427,- per maand en die van [zoon] € 610,- per maand zodat hun totale behoefte in 2014 € 1.037,- per maand bedraagt. 41 % van de totale behoefte is hierbij aan [minderjarige] toe te rekenen, zodat de man ook met 41 % van zijn draagkracht dient bij te dragen in de behoefte van [minderjarige] in 2014, derhalve met een bedrag van (41 % van € 504,- =) € 207,- per maand. De man dient bij te dragen in de behoefte van [zoon] met een bedrag van (59 % over € 504,- =) € 297,- per maand.

Uitgaande van het Tremarapport bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2015 € 176,- per maand en die van [zoon] € 615,- per maand. De totale behoefte bedraagt € 791,- per maand, waarvan 22 % ten behoeve van [minderjarige] is. De man dient derhalve met 22 % van zijn draagkracht, zijnde 22 % van € 458,- = € 101,- per maand bij te dragen in de kosten van [minderjarige] en met 78 % van € 458,- = € 357,- per maand bij te dragen in de kosten van [zoon].

5.20

Op basis van het NBI van € 1.763,- is de draagkracht van mevrouw [mevrouw] aan de hand van de geldende draagkrachtformule te stellen op € 262,- per maand in 2014 en € 251,- per maand in 2015. De rechtbank gaat ervan uit dat mevrouw [mevrouw] bijdraagt in de kosten van [zoon] voorzover de man daartoe niet in staat is.

Zorgkorting

5.21

Partijen verschillen van mening van welke zorgkorting zou moeten worden uitgegaan. De man gaat uit van 35 %, terwijl de vrouw uitgaat van 30 %.

Op basis van het Tremarapport bedraagt de zorgkorting 35 % bij een gedeelde zorg op tenminste 3 dagen per week. Partijen kunnen in onderling overleg andere afspraken maken, hetgeen zij niet hebben gedaan. Gelet op de hierna vast te stellen zorgregeling en de vakantieregeling, is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] gemiddeld tenminste 3 dagen per week bij de man verblijft, zodat uitgegaan dient te worden van een zorgkorting van 35 %.

5.22

De zorgkorting bedraagt in 2014 (35 % van € 427,- =) € 149,- per maand en in 2015, bij toepassing van het Tremarapport, (35 % van € 176,- =) € 62,- per maand.

Door de man te betalen bijdrage

5.23

Op basis van het Tremarapport dient de kinderbijdrage van de man in 2014 en 2015 als volgt te worden berekend.

2014

Behoefte [minderjarige] € 427,-

Beschikbare draagkracht van de man ten behoeve van [minderjarige] € 207,- per maand

Draagkracht vrouw € 25,-

Totale draagkracht € 232,-

Tekort aan draagkracht (behoefte -/- draagkracht =) € 195,-, de helft daarvan is € 98,-

Zorgkorting € 149,-.

Omdat het tekort aan totale draagkracht niet tweemaal zo groot is als de zorgkorting dient het tekort aan ouders gelijkelijk te worden toegedeeld. Dit komt erop neer dat de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige] dient te betalen van (€ 207,- -/-( € 149,- -/- € 98,- =)

€ 156,- per maand.

2015

Behoefte [minderjarige] € 176,-

Beschikbare draagkracht van de man ten behoeve van [minderjarige] € 101,- per maand

Draagkracht vrouw € 25,-

Totale draagkracht € 126,-

Tekort aan draagkracht € 50,-, de helft daarvan is € 25,-

Zorgkorting € 62,-

Omdat het tekort aan totale draagkracht niet tweemaal zo groot is als de zorgkorting dient het tekort aan ouders gelijkelijk te worden toegedeeld. Dit komt erop neer dat de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige] dient te betalen van (€ 101,- -/-( € 62,- -/- € 25,- =)

€ 64,- per maand.

5.24

De rechtbank acht voormelde kinderbijdrage in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal deze in het navolgende vaststellen.

Terugwerkende kracht

5.25

Partijen hebben overeenstemming over de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij met ingang van november 2014 een kinderbijdrage betaalt van € 350,- per maand. Gelet op de grote wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage alsmede gelet op het feit dat de vrouw een uitkering had in 2014 op basis van de Wet Werk en Bijstand en thans op basis van de Participatiewet, is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij het teveel door de man betaalde aan hem dient terug te betalen. Daarbij heeft de rechtbank echter ook acht geslagen op het feit dat de uitspraak van de onderhavige beschikking oorspronkelijk stond gepland voor eind april 2015.

Onder deze omstandigheden en met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1001) ziet de rechtbank aanleiding, ambtshalve, te bepalen dat de kinderbijdrage tot en met april 2015 wordt vastgesteld op hetgeen de man aan de vrouw heeft betaald, dan wel op hem is verhaald.

Jaarlijkse indexering

5.26

De rechtbank wijst er – wellicht ten overvloede – op dat de hierna vast te stellen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Bepaalt, met wijziging van het echtscheidingsconvenant van partijen van 8 oktober 2002, dat de zorgregeling tussen de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], als volgt wordt geregeld:

  • -

    de minderjarige zal in de ene week van donderdag uit school tot maandagochtend naar school en in de andere week van donderdagochtend uit school tot zaterdagochtend bij de man zijn, en

  • -

    de vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld.

6.2

Bepaalt, met wijziging van het echtscheidingsconvenant van partijen van 8 oktober 2002, dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige met ingang van 1 mei 2015 € 64,- per maand betaalt, telkens, voor zover het de nog niet vervallen termijnen betreft, bij vooruitbetaling te voldoen.

6.3

Stelt het bedrag dat de man tot de datum van de wijziging gehouden was te betalen nader vast op hetgeen de man in feite heeft betaald of op hem is verhaald.

6.4

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.5

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Knoop-Gerritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.