Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4181

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 679
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toelating tot een schuldhulpverleningstraject in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Het bestreden besluit is niet reeds onzorgvuldig omdat bij de totstandkoming de afdeling is betrokken die ook betrokken wordt bij een aanvraag om toekenning van een WWB-uitkering. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van verwijtbare recidive en de toegang tot de schuldhulpverlening kunnen ontzeggen. Tot slot heeft verweerder aan zijn verplichtingen uit het Beleidsplan voldaan door eiseres de gelegenheid te bieden budgetbeheer aan te vragen en de daarvoor benodigde gegevens aan te leveren. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-05-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.T. Willemsen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: J.C.W. Kiewiet).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om toelating tot een schuldhulpverleningstraject in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) afgewezen.

Bij besluit van 24 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en A. Fulpen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgs stelt de gemeenteraad een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente en voert daarbij het plan, bedoeld in artikel 2, eerste lid, uit.

Ingevolge het tweede lid kan het college schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon al eerder gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening.

2. Artikel 2.4 van het Beleidsplan schuldhulpverlening 2012-2016 (het Beleidsplan) van de gemeente Haarlemmermeer bepaalt (onder meer) het volgende:

“Schuldhulpverlening is en blijft toegankelijk voor alle inwoners van Haarlemmermeer. Wel maken we gebruik van de mogelijkheid in de Wgs om in individuele omstandigheden de (verdere) toegang tot schuldhulpverlening, te ontzeggen en wel in het geval dat:

a. a) er sprake is van verwijtbare recidive, een ontzegging voor een periode van vijf jaar;

(…)

Bij personen die aantoonbaar een verstandelijke of psychiatrische beperking hebben, wordt een herhaald schuldhulpverlening verzoek niet als verwijtbare recidive beschouwd. In bovenstaande gevallen worden gezinnen met inwonende minderjarige kinderen wel ondersteund bij het betalen van vaste lasten, om te voorkomen dat kinderen geen stabiele woonsituatie hebben en niet verzekerd zijn voor ziektekosten. Wij hanteren hier een hardheidsclausule.”

3. Verweerder heeft eiseres de toegang tot de schuldhulpverlening geweigerd omdat naar zijn oordeel sprake is van verwijtbare recidive als bedoeld in artikel 2.4 van het Beleidsplan. Verweerder wijst er daarbij op dat het in 2010 niet is gelukt om met behulp van de gemeente een schuldsaneringsregeling tot stand te brengen waardoor geen andere oplossing resteerde dan toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De WSNP is echter tussentijds geëindigd door een verwijtbare gedraging van eiseres, zodat derhalve sprake is van verwijtbare recidive, aldus verweerder.

4.1

Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat het is genomen door dezelfde afdeling die ook beslist over (toekenning van) de uitkering aan eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 februari 2014 (ECLI:NL:RBOV:2014:514).

4.2

De rechtbank acht het bestreden besluit niet reeds onzorgvuldig omdat bij de totstandkoming de afdeling is betrokken die ook betrokken wordt bij een aanvraag om toekenning van een WWB-uitkering. Anders dan in de zaak die diende bij de rechtbank Overijssel houdt de afwijzingsgrond in het onderhavige geval immers geen verband met de positie die de gemeente in verband met een WWB-uitkering inneemt. De beroepsgrond faalt.

5.1

Eiseres heeft aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbare recidive als bedoeld in artikel 2.4 van het Beleidsplan. Naar haar oordeel strekt deze regel zich niet uit tot de gang van zaken gedurende het WSNP-traject, maar beperkt deze zich tot gedragingen in het kader van gemeentelijke schuldhulpverlening.

5.2

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat artikel 2.4 van het Beleidsplan (onder meer) daartoe strekt dat de beperkte financiële middelen goed worden besteed en niet behoeven te worden aangewend voor schuldhulpverlening aan personen die door hun eigen schuld opnieuw een beroep daarop moeten doen. Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat de verwijtbare recidive aan de zijde van eiseres (onder meer) daarin is gelegen dat zij in de WSNP een nieuwe schuld heeft laten ontstaan waardoor dit traject door de rechtbank is beëindigd.

5.3

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus, dat hij eiseres de toegang tot de schuldhulpverlening ontzegt, omdat zij, doordat zij in de WSNP een nieuwe schuld heeft laten ontstaan ter zake waarvan haar een verwijt kan worden gemaakt, door haar eigen schuld opnieuw een beroep moet doen op de gemeentelijke schuldhulpverlening. De rechtbank acht dit, mede gelet op de geschetste bedoeling van artikel 2.4 van het Beleidsplan, niet onredelijk. Het enkele feit dat de verwijtbare gedraging van eiseres (het maken van een nieuwe schuld) heeft plaatsgevonden in het kader van de WSNP en geen betrekking heeft op het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject, maakt nog niet dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van verwijtbare recidive. De beroepsgrond slaagt niet.

6.1

Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit miskent dat haar een beroep toekomt op de hardheidsclausule uit het Beleidsplan. Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat de trajecten van schuldhulpverlening en budgetbeheer in het Beleidsplan niet van elkaar worden onderscheiden en dat verweerder derhalve had moeten bezien of er aanleiding was voor toepassing van het instrument van budgetbeheer.

6.2

Verweerder heeft gesteld dat er twee te onderscheiden trajecten zijn: integrale schuldhulpverlening (zoals door eiseres aangevraagd) en budgetbeheer. Laatstgenoemd instrument is er voor om zeker te stellen dat een schuldenaar aan een aantal lopende verplichtingen voldoet om bijvoorbeeld huisuitzetting te voorkomen of afsluiting van energie en water te voorkomen. Eiseres komt volgens verweerder niet in aanmerking voor integrale schuldhulpverlening. Verweerder heeft haar erop gewezen dat zij een aanvraag voor budgetbeheer kan indienen. De aanvraag van eiseres is inmiddels buiten behandeling gesteld, omdat eiseres niet de benodigde gegevens heeft aangeleverd, aldus verweerder.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan zijn verplichtingen uit het Beleidsplan voldaan door eiseres de gelegenheid te bieden budgetbeheer aan te vragen en de daarvoor benodigde gegevens aan te leveren. Anders dan eiseres veronderstelt, vloeien voor verweerder geen verdergaande verplichtingen voort uit het Beleidsplan. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Helmich, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.