Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:4180

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4008
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderopvangtoeslag over jaren 2008 en 2009 op nihil vastgesteld. Aan de verlening van een voorschot kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Aan overschrijding van de in artikel 19 van de Awir vermelde termijnen voor definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag moet bovendien niet het gevolg worden verbonden dat verweerder niet meer bevoegd is om een voorschot kinderopvangtoeslag te herzien. Geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Nu eiseres niet heeft aangetoond dat zij over de toeslagjaren 2008 en 2009 de opgegeven kosten van kinderopvang heeft gemaakt, heeft zij over deze toeslagjaren geen recht op kinderopvangtoeslag. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 14/4008 en HAA 14/5475

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2015 in de zaken tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: E. Olijrhook).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag van eiseres over 2008 definitief vastgesteld op € 5.739,--.

Bij besluit van 8 april 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag van eiseres over 2009 herzien en op € 4.942,-- gesteld.

Bij besluit van 22 april 2014 heeft verweerder de kinderopvangtoeslag (het primaire besluit III) van eiseres over 2009 definitief vastgesteld op € 4.942,--.

Bij besluit van 21 augustus 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 augustus 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten II en III gedeeltelijk gegrond verklaard en daarbij aangekondigd dat er nog een nieuwe ‘beslissing op bezwaar’ volgt.

Bij besluit van 4 september 2014 (het bestreden besluit III, tezamen met de bestreden besluiten I en II: de bestreden besluiten) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag van eiseres over 2009 definitief vastgesteld op € 4.942,--.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Eiseres is verschenen, vergezeld door [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

2. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 19 zijn er beslistermijnen voor de toekenning van een tegemoetkoming.

3. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij in de jaren 2008 en 2009 voor de opvang via de gastouderbureaus ‘[naam 2]’ en ‘[naam 3]’ alle kosten heeft betaald. De door eiseres te betalen bemiddelingskosten zijn namelijk door de gastouder voldaan.

4.1

Eiseres heeft aangevoerd dat de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag te lang op zich heeft laten wachten en dat het onredelijk is dat er na zo lange tijd nog wordt teruggevorderd.

4.2

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat (ECLI:NL:RVS:2015:649, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Het voorschot wordt verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en kan worden herzien. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt bovendien dat aan overschrijding van de in artikel 19 van de Awir vermelde termijnen voor definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag niet het gevolg moet worden verbonden dat verweerder niet meer bevoegd is om een voorschot kinderopvangtoeslag te herzien (ECLI:NL:RVS:2015:806). In dergelijke gevallen is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (ECLI:NL:RVS:2014:3296). De beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Eiseres heeft aangevoerd dat zij, noch door verweerder, noch door het gastouderbureau, is geïnformeerd over het feit dat de bemiddelingskosten door haarzelf moesten worden gedragen. Zij acht het onredelijk dat zij door deze volgens haar administratieve fout een groot deel van de ontvangen kinderopvangtoeslag moet terugbetalen. Bovendien dient er een gelegenheid te worden geboden om deze kosten alsnog zelf te voldoen.

5.2

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte daarvan is (ECLI:NL:RVS:2015:518). De kinderopvangtoeslag dient te worden vastgesteld aan de hand van de tussen partijen gemaakte, en door hen nageleefde, afspraken en niet slechts aan de hand van de hoogte van de kosten die daadwerkelijk zijn betaald. Voorts brengt de achtergrond van de regeling van het toekennen van kinderopvangtoeslag en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna daadwerkelijk moeten worden voldaan (ECLI:NL:RVS:2015:630).

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet volledig de (in de jaaropgaven) opgegeven kosten heeft voldaan, nu zij in elk geval de bemiddelingskosten niet zelf heeft gedragen. Reeds daarom heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij over de toeslagjaren de kosten van kinderopvang heeft gemaakt. Dat eiseres niet wist dat zij alle opgegeven kosten, en derhalve ook de bemiddelingskosten, zelf diende te dragen, komt voor haar rekening en risico. Anders dan eiseres veronderstelt, rust op verweerder geen plicht om haar daarover te informeren. Overigens betreft dit niet een louter administratieve kwestie, nu eiseres voor wat betreft (betaling van) de bemiddelingskosten immers niet in haar vermogenspositie wordt aangetast en wel op basis van de opgegeven kosten (waaronder dus ook de bemiddelingskosten) het voorschot heeft ontvangen. Tot slot kan dit gebrek, gelet op de onder 5.2 aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, evenmin achteraf worden geheeld door de door de gastouder betaalde bemiddelingskosten alsnog aan laatstgenoemde te vergoeden. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Nu eiseres niet heeft aangetoond dat zij over de toeslagjaren 2008 en 2009 de opgegeven kosten van kinderopvang heeft gemaakt, heeft zij over deze toeslagjaren geen recht op kinderopvangtoeslag.

7. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.